Denken in en over diversiteit

Tijdens het filosoferen op school doet diversiteit er vanzelfsprekend toe. We proberen immers verschillende meningen, ervaringen en visies te onderzoeken om daarmee in dialoog met elkaar tot nieuwe inzichten te komen. Diversiteit is er altijd, zelfs in heel homogene groepen. Hoeveel overeenkomsten er ook zijn, we zijn allemaal verschillend en leiden ieder ons unieke leven.

Inspannend en confronterend

Wanneer de diversiteit in een groep groot is, vergt dat van alle deelnemers inspanning om elkaar te begrijpen, om oprecht en onbevooroordeeld naar elkaar te luisteren. Het is gemakkelijker en comfortabeler om bij elkaar te kunnen aansluiten, om gelijke ervaringen te delen en je in elkaar te kunnen herkennen. Anderzijds is dat minder interessant en minder leerzaam. Minder confronterend ook. Een gesprek in een heel heterogene, diverse groep laat zien hoe weinig we doorgaans van elkaar weten en begrijpen – en hoe onbewust ons gedrag in feite is naar anderen toe.

Door de anti-racismeprotesten van de afgelopen maanden, in Amerika en vervolgens wereldwijd, worden we aangespoord niet alleen in diversiteit maar ook over diversiteit na te denken. Dat valt niet mee. Filosoferen in de klas over culturele of raciale diversiteit, over (on)gelijkheid en gelijkwaardigheid heeft nogal wat haken en ogen. In een homogene groep zijn er geen stemmen die de anderen vertegenwoordigen – dat leidt al snel tot een suggestief of eenzijdig gesprek. In een diverse groep kan het onderwerp tot sociale onveiligheid en onrust leiden. We streven bij het filosoferen uitdrukkelijk niet naar discussie, maar hoe voorkom je die wanneer het onderwerp deelnemers tegenover elkaar lijkt te zetten en verborgen emoties naar de oppervlakte brengt?

Een voorbeeld uit de praktijk

Enige tijd geleden filosofeerde ik met een groep 5/6 over vrijheid, met het oog op de naderende zomervakantie. Daarbij bracht een van de kinderen Keti-Koti ter sprake, de viering van de afschaffing van de slavernij. De leerlingen – een heel diverse groep – vonden dit een intrigerend onderwerp en vertelden over de VOC, de slavenhandel en de lijfstraffen.

Wat opvalt tijdens het gesprek is dat de inbrenger van dit onderwerp spreekt over ‘ons’ wanneer het over de slaven gaat. Eén van de kinderen reageert daarop: “Waarom zeg je ons? Jij was toch geen slaaf?” Daar denken we over na en we komen tot de conclusie dat je ‘ons’ kunt zeggen als je praat over een groep waar je bij hoort, bijvoorbeeld door familiebanden of huidskleur. Toch is hierdoor een mate van polarisatie (wij-zij denken) ingezet. Een van de leerlingen geeft aan: “Ik ben wit en misschien hebben mijn grootvader of mensen daarvoor met de slavenhandel te maken gehad. Dat zou ik wel erg vinden. Maar ík heb dat toch niet gedaan?” Ik merk als gespreksleider dat in dit gesprek tussen kinderen dezelfde emoties en oordelen klinken als in de ‘volwassen samenleving’.
Het gesprek vervolgt over de vraag of er nu nog steeds mensen onvrij zijn. De kinderen vertellen over discriminatie als gevolg van de slavernij uit de VOC-tijd, over kinderarbeid en onderdrukking van vrouwen. Het zijn allemaal grote onderwerpen. De kinderen weten veel, ze zijn betrokken bij het gesprek, maar het is ook intensief en ingewikkeld.
Na afloop blijkt dat ondanks de goede gespreksvaardigheden van de groep en ondanks dat we het gesprek inhoudelijk goed hebben kunnen afronden, de gemoederen bij sommigen nog best verhit blijven. Ze voelen zich gekwetst of onbegrepen door hun klasgenoten. Ook hoor ik kinderen op de gang die zich afvragen of zij wit, bruin, lichtbruin, donkerwit of iets anders zijn. Waar horen zij bij?

Gelijkheid

Leerkrachten zitten wellicht niet te wachten op een gesprek zoals bovenstaand beschreven. Ze investeren veel tijd en aandacht in een prettige sfeer en positieve groepsdynamiek. Soms is dat gedurende het hele schooljaar een uitdaging, en dan is extra opschudding ongewenst. Liever blijft zo’n – hoewel voor de kinderen ook duidelijk belangrijk onderwerp – buiten de schoolmuren en wordt er binnen de school ingezet op gelijkheid: iedereen wordt op dezelfde manier behandeld en moet zich aan dezelfde afspraken houden. Daar is veel voor te zeggen.

Ik ben echter bang dat we onze kinderen en toekomstige gelijkwaardigheid daarmee tekort doen. Een belangrijk en actueel onderwerp als racisme, discriminatie en kansenongelijkheid zou niet onbesproken moeten blijven. Maar de vraag is wat een goede manier is om daarmee om te gaan. Kan dat met kleine, voorzichtige stappen? Of gaat het onvermijdelijk gepaard met onrust, emoties en onbegrip? Het zijn vragen die stof bieden tot nadenken: over hoe filosoferen op school kan bijdragen aan meer wederzijds begrip en hoe leerlingen van alle kleuren en achtergronden volwaardig deel uit kunnen maken van een gesprek, over welk onderwerp dan ook.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *