De Uitvindersclub (1)

Zoals ik in mijn (op een na) vorige blogpost schreef had ik in Rotterdam enige tijd een Uitvindersclub – als één van de activiteiten die ik aanbood in mijn werkplaats Atelier van de Verbeelding.
Graag deel ik met jullie een paar ideeën voor het initiëren van je eigen Uitvindersclub, op school, in de brede school of bso, of thuis. Doel van de Uitvindersclub is om samen na te denken over, grote en kleine, concrete kwesties die voor de kinderen belangrijk en interessant zijn. Dat kan over van alles gaan: over spelen, over school, over thuis of de buurt, de stad of de wereld. Door creatief te denken en te fantaseren over deze onderwerpen ontstaan ideeën voor grote en kleine uitvindingen die het leven en de wereld mooier, beter en leuker maken.

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Wat heb je nodig?

De opzet is eenvoudig. De belangrijkste voorwaarde is een open, onbevooroordeelde houding van de leerkracht, vakkracht of begeleider en ruimte voor experiment. Creativiteit vergt moed – om grenzen te verleggen, om te ontdekken. Want soms maak je iets wat niet uit verf komt. Af en toe is het idee beter dan de uitvoering. Of juist andersom. Het oefenen van creativiteit behelst vooral ervaring opdoen in proberen en opnieuw beginnen. En goede startvragen om het denken en verbeelden op gang te brengen, die aansluiten bij de belevingswereld van de doelgroep. In dit geval zijn dat kinderen van 6 tot 8 à 9 jaar.

Benodigde materialen:

  • Tekenpapier, schrijfpapier, schetsboeken
  • Schetspotlood, kleurpotlood, stiften
  • Lijm(stift), plakband, tie-wraps, splitpennen, rivets (kunststof klinknagels voor golfkartonconstructies), touw, chenille
  • Dik en dun karton, gekleurd papier
  • Diverse rest- en afvalmaterialen (zelf verzamelen of via Stichting Scrap

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Wat zijn uitvindingen?

Bij de start van je Uitvindersclub is het goed en handig om na te denken over wat uitvindingen zijn. Dat kan door een onderzoekend gesprek te voeren aan de hand van de volgende vragen:

  • Wat is een uitvinder?
  • Wat is een uitvinding?
  • Wat heb je nodig om een uitvinding te doen?
  • Kan iedereen een uitvinder zijn?
  • Kan je voor van alles iets uitvinden?
  • Bestaan er goede en slechte uitvindingen?
  • Hebben we uitvinders nodig? Waarom (niet)?

Voorbeelden

Daarnaast is het leuk om voorbeelden te zoeken van belangrijke uitvinders en uitvindingen. Bijvoorbeeld:

Mijn absolute favoriet zijn de catalogi van Jacques Carelman. De flaptekst zegt genoeg: “De geniale unieke Jacques Carelman, uitvinder en ontdekker, Fransman par excellence, schepper van bijna mogelijke en welhaast onmogelijke verbazingwekkende voorwerpen en vernuftige vindingen, zal de wereld een ander aanzien geven. Voor degenen die meer willen weten over de siamese schaar, het vertaalcarbon, de radiatorstoel, de cactushandschoen of de TV-wasmachine, om maar enige niet-bestaande voorwerpen te noemen, die niettemin onmisbaar zijn, is dit boek een inspirerende raadgever.”

               

Soms zijn ze nog tweedehands verkrijgbaar:

Eenvoudige creatieve denkstrategieën

In mijn vorige post over creativiteit benoemde ik de basisvaardigheden die worden onderwezen bij de 21e vaardigheid ‘creatief denken’: creatief waarnemen, flexibel associëren, uitstellen van oordeel, divergeren en verbeelden. Ik licht ze kort toe (bron: I. Byttebier, 2002), met daarbij de belangrijkste vragen of opdrachten die je kunt stellen om kinderen deze vaardigheden te laten beoefenen.

1.  Creatief waarnemen

Bij creatief waarnemen gaat het om het besef dat je de dingen op verschillende manieren kunt zien (of horen, ruiken, proeven, voelen, ervaren). Niet de objectieve werkelijkheid bepaalt wat je ziet, maar jouw waarneming. Je brein vult aan en vult in. Daardoor zien we niet allemaal hetzelfde. Kinderen kunnen dat ervaren door samen naar een onbekend geluid te luisteren of naar een onbekend voorwerp te kijken. Wat horen ze? Wat zien ze? Als je je waarneming met elkaar deelt, kun je dan op verschillende manieren horen en zien? Zie je wat de ander ziet?

In het creatieve proces helpt de volgende vraag: Kun je het ook anders zien?
Dat geldt vooral ook voor de beschrijving van het probleem waarvoor je een oplossing zoekt. Kun je het probleem, de vraag, ook anders interpreteren? Wat is er nu eigenlijk aan de hand? Of zou er nog iets anders aan de hand kunnen zijn?

2. Flexibel associeren

Bij associëren gaat het erom alles wat bij je opkomt in relatie tot een woord, probleem of idee te noteren. Als je flexibel associeert maak je daarbij ook ruimte voor niet voor de hand liggende relaties. Je maakt ‘uitstapjes’ naar ideeën buiten het domein van je onderwerp (disociatie; patroondoorbreking) of je ziet een  verband met een heel ander onderwerp (resociatie; terugkoppeling).

Kinderen kun je leren associëren aan de hand van een woordweb of mindmap, om hun associaties direct voor ogen te hebben en te ordenen. De vragen die je daarbij stelt zijn: Wat is het belangrijkste onderwerp in deze vraag of in dit probleem? Waar denk je allemaal aan bij dit woord? Welke gedachten, geuren, smaken, kleuren, vormen, voorwerpen en gebeurtenissen komen er bij je op?  Door samen te werken aan een woordweb of mindmap komen er nog meer associaties boven.

3. Divergeren

Divergeren wil zeggen dat je voorbij de eerste ideeën denkt. Je neemt geen genoegen met met voor de hand liggende oplossingen, hoewel die misschien het meest logisch lijken. Divergeren doet aanspraak op het doorzettingsvermogen. Je wacht niet alleen op wat spontaan opkomt, maar gaat actief verder denken.

De vraag die je daarbij aan kinderen kunt stellen is: Bedenk zoveel mogelijk oplossingen voor dit probleem. Maar liever nog maak je concreet hoeveel oplossingen je (ten minste) wilt zien: Bedenk 10 (15, 20) oplossingen voor dit probleem. Wordt het steeds moeilijker om nog iets te bedenken? Vraag je af hoe een minister dit probleem zou oplossen. Of een superheld. Of een olifant. Hoe zou je met dit probleem omgaan als je kon toveren?
Vervolgens gaat het erom een selectie te maken uit deze oplossingen.

4. Verbeelden

Een goed idee, of een goede oplossing, moet je voor je kunnen zien. Bij het verbeelden gaat het erom dat je de oplossing, je uitvinding, voor je kunt zien. En niet alleen zien, maar ook voelen, ruiken, proeven of horen. Het gaat niet alleen om ver-beelden, maar ook om in-beelden. En om anderen te betrekken zou je je idee ook moeten uit-beelden. Dat kan in woord en beweging, in tekeningen, in verhalen. Voor volwassenen soms een hele toer, maar voor kinderen die nog rijk zijn aan fantasie en verbeeldingskracht is dit geen opgave.

De vraag die je kunt stellen bij deze stap is: Hoe ziet jouw oplossing of uitvinding eruit? Of: Vertel hoe een dag in de toekomst eruit ziet, als jouw uitvinding wordt gebruikt. Of: Doe eens voor – speel eens uit – hoe we jouw uitvinding kunnen gebruiken.

En ook: uitstellen van oordeel

Een belangrijke vaardigheid tot slot is het uitstellen van oordelen. Ik heb ‘m al genoemd bij de houding van de begeleider of leerkracht. Het is ook een vaardigheid die de groep waarmee je werkt in haar samenspel zou moeten oefenen. Creatief werken en denken lukt pas als je ervaart dat alle ideeën, associaties en mogelijke oplossingen mee mogen doen, zonder dat ze door jezelf of anderen op voorhand worden afgeschoten. Pas bij de selectie en uitvoering van je definitieve plan kun je kritischer gaan kijken: klopt het, werkt het, is het daadwerkelijk een oplossing?

Je moedigt kinderen aan om onbevooroordeeld te zijn door steeds te benadrukken dat erin het creatief denken geen goede of foute ideeën bestaan. Door samen te kunnen lachen, bewonderen, verbazen en gruwelen van de verschillen oplossingen die  zich aandienen. En door verbaal en non-verbaal de inzet en inbreng van de kinderen te waarderen, in plaats van de opbrengst.

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Uitvinden maar

Met de bovenstaande voorbereiding kun je je Uitvindersclub starten. Je weet welke rol je als leerkracht, vakkracht of begeleider kunt vervullen en welke vragen je stelt tijdens het werkproces van de kinderen. Je hebt de materialen verzameld die bij elke bijeenkomst nodig zijn om te kunnen brainstormen, schetsen, tekenen, uitwerken, knutselen en bouwen. Dan rest nog de vraag: Wat gaan we uitvinden? Daarover lees volgende week. Dan reik ik je een aantal concrete invalshoeken en lesideeën aan om mee aan de slag te gaan.

NB. De illustraties bij deze post maakte ik naar aanleiding van de grappige robotcollages van kinderen van één van de Uitvindersclubs in Rotterdam. 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *