24 Taalspelletjes (deel 4)

Woordslang

Dit spelletje kan individueel of in groepen gespeeld worden. De werkwijze is eenvoudig: bedenk steeds een woord met als beginletter de laatste letter van het voorgaande woord. Bijvoorbeeld: slang – garage – eekhoorn – neus et cetera. Eventueel kies je een categorie woorden, zoals dierennamen of meisjesnamen: Sofie – Elvira – Annelies – Selma …

In een groepsspel krijgen de deelnemers een aantal minuten waarin zij proberen de woordslag zo lang mogelijk te maken. De deelnemer met de meeste woorden wint het spel.

Galgje

Een gouwe ouwe die het goed doet in de klas. De spelleider of één van de deelnemers bedenkt een woord en laat de andere deelnemers om de beurt een letter raden. Een verkeerde letter levert steeds een deel van de galg op. De deelnemers gaan door totdat zij weten om welk woord het gaat. Raden zij het woord voordat de galg klaar is, dan winnen ze het spel. Lukt het niet het woord te raden, dan heeft de bedenker het spel gewonnen.

Woordenboekspel

Verdeel de klas in (tafel)groepen van ca. zes leerlingen. Alle leerlingen hebben pen en papier nodig. In de eerste ronde kiest de leerkracht of spelleider uit het woordenboek een moeilijk woord, waarvan de (meeste) leerlingen de betekenis niet kennen. De leerlingen van één tafelgroep bedenken nu ieder een betekenis voor het woord en schrijven die op hun blaadje. Ze leveren de blaadjes in bij de leerkracht. De leerkracht leest de betekenissen voor of schrijft ze op het schoolbord, inclusief de ware betekenis van het woord. De overige groepen mogen nu per groep raden wat de betekenis van het woord is. Vervolgens is er een puntentelling:
Is de goede betekenis gekozen: 1 punt voor de betreffende groep.
Is er een andere betekenis gekozen: 1 punt voor de groep bedenkers.
Heeft niemand de juiste betekenis gekozen: 1 punt voor de spelleider.
Speel het spel zoveel rondes als er groepen zijn.

Estafettesprookje

Iedere deelnemer heeft pen en papier nodig. De leerkracht of spelleider geeft alle deelnemers vier minuten de tijd om een alinea te schrijven die begint met ‘Er was eens… ‘. Als de vier minuten om zijn geven de schrijvers hun papier door aan de deelnemers links van hen. Ze krijgen even de tijd om de tekst te lezen en vervolgens weer vier minuten om een alinea te schrijven. Het schrijven gaat op deze manier door in zo’n zes tot acht rondes. De leerkracht geeft in de laatste twee rondes duidelijk aan dat het tekst (bijna) afgerond moet worden. Alle sprookjes eindigen met ‘en ze/hij leefde(n) nog lang en gelukkig’.
Na het schrijven kunnen de deelnemers de leukste verhalen voordragen voor de groep.

Onelinerspel

Dit spel kan in groepjes  van vier á vijf deelnemers gespeeld worden. De leerkracht of spelleider schrijft een korte startzin op het bord, bijvoorbeeld: ‘uitvinder verkoopt groene vis’. De eerste speler van elk groepje schrijft de startzin over en vult deze aan met details, bijzinnen en bijzonderheden. deelnemers schrijven de startzin over. Iedere speler vult in zijn/haar beurt de zin aan met steeds meer details of korte bijzinnen. Per beurt mogen maximaal 5 woorden toevoegen. De zin moet wel kloppend blijven. De groep die uiteindelijk de langste oneliner maakt (met de meeste woorden) wint het spel.

En dan als laatste…

… het verhalenvertelspel in de klas. En hoe je dat maakt en speelt lees je hier.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *