24 Taalspelletjes (deel 3)

Woorden rijgen

Een woordspel met samengestelde woorden. De eerste speler noemt een samengesteld woord. De tweede speler noemt een samengesteld woord dat begint met het tweede deel van het eerste woord. Bijvoorbeeld: ‘spelcomputer’ – ‘computerbureau’. De derde speler noemt een woord dat begint met het tweede deel van het voorafgaande woord, bijvoorbeeld ‘bureaustoel’. Wie geen woord meer weet, valt af en speelt niet meer mee. Degene die het langst overblijft, wint het spel. Speel het spel eventueel in teams en spreek een speelduur af.

 

Stad, land, dier

Maak teams van de deelnemers. Per speelronde wordt er een letter gekozen of bij toeval bepaald (bijvoorbeeld door het openslaan van het woordenboek). De teams proberen met de gekozen letter, binnen een afgesproken tijd, zoveel mogelijk woorden te verzinnen in de onderstaande categorieën:

  • stad
  • land
  • dier
  • beroep
  • plant
  • sport
  • jongensnaam
  • meisjesnaam
  • huishoudelijk voorwerp
  • voedsel

Het team met de meeste unieke woorden wint de ronde.

Groeiwoorden

De eerste speler schrijft een woord van drie letters op het bord, bijvoorbeeld  ‘vis’. De volgende speler voegt er een letter aan toe en maakt er een woord van vier letters van, bijvoorbeeld ‘vies’. De volgende speler voegt weer een letter toe en maakt er een woord van vijf letters van, bijvoorbeeld ‘vlies’.
Het spel stopt wanneer de speler die aan de beurt is geen nieuw, langer woord meer kan maken. Daarna begint het spel opnieuw met een drieletterwoord.

Klinkende klinkers

De deelnemers proberen gezamenlijk een zin te maken met slechts één klinker. Van tevoren is afgesproken welke klinker dat is. Klinkers die door een apostrof vervangen kunnen worden (zoals in ‘t, d’r, z’n of m’n) mogen wel meedoen. Bijvoorbeeld: ‘Ook m’n oom koopt zo’n roos.’ Je kunt dit spel als groepsspel spelen, op het schoolbord, om samen een zo lang mogelijke zin te bedenken. Een alternatief is om de groep in teams te verdelen die binnen een vastgestelde tijd proberen de langste klinkerzin te maken.

 Schrijven en vertellen

Alle deelnemers krijgen een klein notitieblaadje. Ze schrijven daarop een zelfstandig naamwoord. De spelleider verzamelt alle woorden en geeft de deelnemers een schrijfpapier. De spelleider trekt ongezien één van de woorden uit stapel notitieblaadjes en lees dit voor. De deelnemers beginnen met het schrijven van een verhaal. Elke paar minuten leest de spelleider een woord voor dat de deelnemers moeten toevoegen aan hun verhaal. Na 15-20 minuten schrijven ronden de deelnemers hun verhaal af. Wie wil leest zijn verhaal voor aan de groep.

Advertentiespel

Alle deelnemers krijgen een strook papier (bijvoorbeeld een half A4, in de lengte gesneden). In de eerste ronde schrijft iedereen bovenaan het papier de aanhef van de advertentie: ‘Te koop, te huur, met spoed gevraagd, tweedehands aangeboden, wie heeft voor mij’, et cetera. Daarna vouwen zij een rand van het papier, met daarop hun tekst, om. Ze geven het papier door aan hun degene die naast hen zit.
Vervolgens beschrijven ze een voorwerp of dienstverlener: ‘een auto, een klusjesman, snelle schoonmaker, lieve goudvis’. Opnieuw vouwen ze hun tekst om en geven het papier door. In de derde rond beschrijven ze kenmerken: ‘in goede staat, met rode strepen, met veel ervaring, onbeschadigd…’. Opnieuw geven ze het papier, omgevouwen, door. Eventueel volgt er nog een ronde met kenmerken. In de laatste ronde schrijven de deelnemers iets over verhandeling of prijs: ‘voor slechts 100 euro, zelf af te halen, tegen verzendkosten…’.
Tot slot worden de advertenties uitgevouwen. De leukste worden voorgelezen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *