24 Taalspelletjes (deel 2)

Bordscrabble: taal- en rekenspel

Schrijf op het bord een aantal letters en geef ze een waarde, zoals bij het bordspel Scrabble. Bijvoorbeeld:
a=1, b=2, e=1, u=5, m=5, o=1, t=4 en s=4.
Vraag de groep om met deze letters woorden te maken en de waarde van elk woord te berekenen, bijvoorbeeld: mees (11 punten) of  bemost (17 punten).
Wie maakt het woord met de hoogste waarde?
Wie kan de meeste woorden bedenken?
Moeilijkere opdrachten kunnen zijn:
Maak een woord van 15 punten. Of: Maak een som van woorden, bijvoorbeeld:
mat (10) – oom (7) = eb (3)

Gedicht in de knoop

Laat een paar deelnemers het spel voorbereiden. Geef ieder een bestaand gedicht en vraag ze om van elk woord de letters door elkaar te husselen en zo het gedicht opnieuw op te schrijven. Kopieer de teksten of schrijf ze op het bord. Vraag de groep nu om de gedichten te ontcijferen.
Wie heeft als eerste het gedicht weer uit de knoop?

Voorbeeld:
Nat (uit: ‘Superguppie’ vanE. van de Vendel):
Rihe tzi ki,
jib the butindbea.
Ath tspa inet,
ki tzi tsli.
Ik kned ana twa ki liw.
Ki ozu nva llase nkunne ijzn:
ene rikkke
fo nee egtjonej.
Nawt twa si the lshcervi?
Ed spolns,
teh gstpreoenj.

Spreekwoordenspel

Eén deelnemer bedenkt een spreekwoord, zoekt er een op in het spreekwoordenboek of kies ‘m uit het spreekwoordenspel van Kasper Boon. Door middel van gebaren en geluiden beeldt hij of zij het gekozen spreekwoord uit. De groep probeert te raden om welk spreekwoord het gaat. Bespreek na afloop de betekenis van het spreekwoord.

De keizer van China houdt van …

In dit spel gaat het erom een patroon te ontdekken. Eén van de deelnemers (of de leerkracht) bedenkt een patroon of regel, bijvoorbeeld ‘De keizer van China houdt alleen van woorden van vijf letters’ of ‘De keizer van China houdt alleen van woorden die beginnen met een klinker’. Deze deelnemer begint het spel door de groep een aanwijzing te geven, zoals: De keizer houdt van uien, maar niet van prei’. Door vragen te stellen moet de groep erachter komen wat het patroon of de regel is. De vragen mogen alleen met ‘ja’of ‘nee’ beantwoord worden. Voorbeeldvragen: ‘Houdt de keizer van sla?’ ‘Houdt de keizer van fietsen?’ ‘Of van autorijden?’
Een deelnemer mag maar één keer raden naar de juiste oplossing.
Wie fout raadt, doet niet meer mee.

Wie-wat-waar…

Verdeel de deelnemers in zes groepen en het bord in zes kolommen. Vraag elke groep zes woorden te bedenken voor één van de kolommen:
1. Personen (mijn vader, de buurman, de soldaat…);
2. Emoties (bang ,boos, blij);
3. Werkwoorden (werkt, fiets, schrijft);
4. Zelfstandig naamwoorden (boek, bord, appel);
5. Bijvoeglijk naamwoorden of bijzonderheden (geel, gestippeld, snel…);
6. Plaatsen (op straat, in de keuken, in Frankrijk…).
Schrijf de woorden in de verschillende kolommen en laat de deelnemers zinnen bedenken met steeds uit elke kolom een woord. Gebruik de zinnen vervolgens om bij te tekenen of een verhaal mee te verzinnen.

Acroniem: Wie ben ik?

Vraag de deelnemers hun naam verticaal op te schrijven, de letters onder elkaar. Vervolgens maken ze met elke letter een woord, zodat een acroniem (of ‘woudlopersnaam’) ontstaat. De woorden geven eigenschappen, voorkeuren, talenten of kenmerken van de deelnemer weer. De leerkracht of spelleider haalt de acroniemen op en schrijft per naam de woorden in willekeurige volgorde op het bord. De andere deelnemers mogen nu raden: wie is het?
Het spel kan ook met dierennamen gespeeld worden.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *