24 Taalspelletjes (deel 1)

In deze laatste paar weken voor de zomervakantie is er nog van alles te doen, of al van alles afgerond. Soms is het te warm om te leren of is de vaart er even uit. Om dan toch de ‘taalspieren’ wat op peil houden, of liefst nog wat sterker maken vind je hier de komende paar weken in totaal 24 taalspelletjes voor in de klas of groep. Niks spectaculairs of revolutionairs, gewoon lollige spelletjes omdat taalplezier werkt op de taalspieren. En als het meezit ook op de lachspieren.

Is het nodig om in de zomer de taalvaardigheden wat extra te oefenen, dan kun je ze ook heel goed thuis, aan het strand of op de camping spelen.

Langewoordenspel

Schrijf een lang woord op het bord, bijvoorbeeld ‘ruitenwisservloeistof’, kunstnijverheidstentoonstelling’ of ‘afvalwaterzuiveringsinstallatie’. Vraag de deelnemers om met de letters van dit woord nieuwe woorden te vormen, van minimaal drie letters. De letters hoeven niet aansluitend te zijn in het lange woord: uit ‘ruitenwisservloeistof’ kun je RUIT maken, maar TRUI is ook goed.

De deelnemers krijgen een paar minuten om te schrijven, daarna stopt de tijd. Een eerste deelnemer leest nu al zijn of haar woorden voor, de anderen strepen de woorden weg die zij ook gevonden hebben. Daarna volgen de deelnemers die nog nieuwe woorden hebben bedacht. Wie uiteindelijk de meeste unieke woorden heeft, wint het spel.

ABC-spel

Kies een onderwerp, bijvoorbeeld steden, je school, de vakantie of beroemdheden. Probeer vervolgens met de klas op het bord het hele alfabet vol te maken met woorden uit deze categorie, bijvoorbeeld Amsterdam, Beverwijk, Culemborg etc.
Variatie: laat de leerlingen eerst individueel het ABC-tje maken en maak het daarna op het bord.
Dit spelletje is (zonder de woorden op te schrijven) ook heel geschikt voor in de trein, tijdens de afwas, in de auto of in een lange wachtrij voor de kassa.

Woorden met de letter…

Verdeel de klas in groepjes. Kies een onderwerp zoals bijvoorbeeld landen, sporten, kledingstukken of etenswaren en schrijf dit op het bord. Schrijf er een letter bij, bijvoorbeeld A. De groepjes bedenken nu binnen het onderwerp zoveel mogelijk woorden met die letter: Australië, Algerije, Albanië, Aruba…. Het groepje dat de meeste woorden vindt, wint het spel.

Twintigvragenspel

Een deelnemer komt voor de klas en neemt een woord in gedachten, of krijgt een woord aangereikt van de leerkracht. De groep mag maximaal twintig vragen stellen om te weten te komen welk woord het is. Op de vragen mag uitsluitend met ‘ja’ of ‘nee’ geantwoord worden. De groep wint als zij het woord op tijd geraden heeft. Lukt dat niet, dan wint degene die het woord heeft bedacht.

To-ma-ten-soep

Een paar deelnemers gaan naar de gang. De klas bedenkt een woord met meerdere lettergrepen, bijvoorbeeld to-ma-ten-soep. Die lettergrepen worden verdeeld over de kinderen. De deelnemers van de gang komen weer binnen en op het teken van de leerkracht zeggen alle kinderen in de klas tegelijkertijd hun lettergreep. De deelnemers die van de gang komen moeten proberen te achterhalen welke lettergrepen zij horen en ze te verbinden tot het juiste woord. Ze mogen rondlopen en met elkaar overleggen, terwijl de klas de lettergrepen herhaalt.

Zinspelen

De deelnemers zitten in een kring. De eerste speler begint met een zin van twee woorden, bijvoorbeeld: ‘Sofie fietst’. De volgende speler maakt de zin met één woord langer, bijvoorbeeld: ‘Sofie fietst snel’. De derde speler vult weer met één woord aan: ‘Sofie fietst snel door’. Zo gaat het spel verder. Weet degene die aan de beurt is niet hoe hij verder moet, dan valt hij af. Degene die de laatste, langste zin heeft gemaakt, wint het spel.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *