De Uitvindersclub (2): 6 lesideeën

Deze week 6 ideeën voor de Uitvindersclub: activiteiten om creatief te denken, oplossingen te zoeken, robots te ontwerpen, anders te kijken, een beeld te vormen van de toekomst.

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

1. Toekomstbouwers

De uitvinders denken na over het leven in de toekomst, aan de hand van één van de volgende invalshoeken.

Spelen
De Uitvindersclub ontwerpt samen een superspeeltuin en vraagt zich af:  Welke speeltoestellen bestaan nog niet, maar zou je wel graag willen zien? Hoe kun je speelplaatsproblemen oplossen, zoals op elkaar moeten wachten, je bezeren, dingen die kapot gaan? Hoe zien de speeltoestellen van de toekomst eruit? Hoe kan het nog leuker, gekker, gevaarlijker, spannender?

Wonen
De Uitvindersclub denkt na over wonen van de toekomst: Hoe zien de huizen
eruit (van binnen en van buiten), wat is er te doen in de buurt, welke oplossingen zijn er voor bijvoorbeeld vuil op straat of burenruzie? Welke plekken zijn er voor kinderen, maar ook voor jongeren, oude mensen en huisdieren?

Vervoer
De Uitvindersclub bedenkt nieuwe voertuigen en denkt na over de volgende vragen. Wat weet je van vervoer, van uitvindingen die met vervoer te maken hebben? Welke vervoersmiddelen van vroeger gebruiken we niet meer? Waarom niet? Hoe zouden de voertuigen van de toekomst eruit zien? Waar denk je aan bij het ontwerpen: hoe ver je wilt reizen, hoe snel, samen of alleen reizen, files en wachttijden, aandacht voor het milieu?

De uitvinders maken een mindmap of woordweb rondom het gekozen onderwerp en maken schetsen van hun ideeën. Het beste idee werken ze uit in een 3d-model. Gebruik doeken, gekleurd papier of een speelkleed met plattegrond om een maquette in te richten. Vraag de uitvinders om hun uitvinding een passende naam te geven. Bekijk samen de uitvindingen en licht ze toe. Laat ieder een foto maken van zijn of haar model in de maquette.

2. Robot collage

Het prentenboek ‘Dag supergrote robot’ van Marlies Visser kan een goede introductie of inspiratiebron zijn voor het bedenken en maken van robotcollages.

Vervolgens denkt de Uitvindersclub samen na over vragen als:
Wat is een robot? Welke robotten bestaan er? Lijken robotten op mensen? Wat kunnen robotten wel en niet? Kunnen robotten slimmer worden dan mensen? Kan een robot goed of slecht zijn? Kan een robot je vriend zijn? Kan een robot de baas zijn?

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Vervolgens maken de uitvinders een robot in collagevorm. Ze gebruiken daarvoor papier, karton en scrap-materiaal. Belangrijk is dat ze eerst bedenken wat hun robot kan en doet: waar is hij voor gemaakt, waar is hij goed in? Ook helpt het om eerst een schets te maken.

3. Een vriendendienst

Een introductie en inspiratiebron voor deze activiteit kan het prentenboek ‘Ik ben Kaat! Uitvinder’ van Tim Gladdines zijn (via de bibliotheek verkrijgbaar). Kaat is een meisje dat uitvinder is. Ze bedenkt en maakt van alles. Dan besluit ze voor haar moeder als verrassing een volautomatische rommelopruimer uit te vinden. Het wordt een prachtige machine, maar als ze hem aan haar moeder geeft, ontploft hij en is de troep niet te overzien.

De Uitvindersclub denkt na over vragen als: Wat zou jij uitvinden voor je vader of moeder? Waar kun je jouw vader of moeder een plezier mee doen? Of
wat vind je vader of moeder moeilijk of lastig en kan jij met jouw uitvinding oplossen? Zijn er andere mensen, vrienden of familie, waarvoor je een goede uitvinding kunt bedenken?

De uitvinders maken een ontwerp en gebruiken het scrap- en constructiemateriaal om er een model van te maken. Ze schrijven een handleiding bij de uitvinding zodat de ontvanger goed weet waar hij voor bestemd is.

4. De waanzinnige machine

De waanzinnige machine is een tekenopdracht waarbij je nou eens niet zoveel hoeft na te denken, maar vooral je fantasie en verbeeldingskracht gebruikt. Het is een tekenoefening gebaseerd op de werkwijze Zinvol Tekenen van Marijke Sluijter.

De uitvinders starten met een leeg A3-papier en gaan daarop willekeurig hoekige lijnen maken. De hoekige lijnen blijven ca. 2 cm binnen de rand van het papier. Dat ziet er ongeveer zo uit:

Vervolgens tekenen de uitvinders een goed stel wielen of rupsbanden onderaan de tekening. Dat is handig om de machine te verplaatsen. Daarna komt het erop aan om in de machine zoveel mogelijk mogelijkheden te zien, gadgets te plaatsen, knoppen, tandwielen, kettingen, knoppen en meters te tekenen. Zodat het een ongelooflijk waanzinnige machine wordt:

5. Het uitvindingenmuseum

In het uitvindingenmuseum laten de uitvinders oude uitvindingen
zien, maar ook welke oplossing we tegenwoordig gebruiken en wat we ervan verwachten in de toekomst. Om te starten bekijkt de Uitvindersclub een aantal (foto’s van) voorwerpen waarvoor in de loop der tijd heel andere oplossingen zijn gevonden: bijvoorbeeld een lp, een koets met paarden, een portemonnee met geld, een telefooncel etc.

Vervolgens kan de Uitvindersclub nadenken over de volgende vragen:
Is een uitvinding altijd iets nieuws? Of bestaan er ook ‘oude’ uitvindingen?Waarom worden er telkens nieuwe uitvindingen bedacht en gemaakt? Zal elke uitvinding verouderen en uit de tijd raken, of bestaan er ook uitvindingen die bruikbaar en waardevol blijven?
Ken je zelf nog meer voorbeelden van oude en nieuwe uitvindingen? Kun je ook bedenken wat er (in de toekomst) aan deze uitvindingen 
verbeterd zou kunnen worden?

In de uitwerking kiest iedere uitvinder één voorwerp of onderwerp en vraagt zich af: Wat mist er nog aan dit voorwerp? Wat kan er beter, sneller of mooier? De uitvinders maken drie illustraties voor het uitvindingenmuseum van het voorwerp zoals het vroeger was, zoals het nu is en van de toekomstversie. Na afloop bekijken ze elkaars werk en lichten ze hun eigen werk toe.

 6. Een sportieve uitvinding

Uitvinders zijn geen nerds, welnee! Er zitten hele sportieve types tussen. Want sporten is leuk. Maar soms best moeilijk. Zelfs als je er goed in bent, moet je veel oefenen en je conditie trainen. Uitvindingen zouden ervoor kunnen zorgen dat het sporten gemakkelijker gaat. Zodat
je sneller kun winnen. Of is dat juist niet de bedoeling?

De Uitvindersclub denkt samen na:  over de sporten waar zij van houden, en welke ze niet leuk vinden. Ze vragen zich af of het goed en eerlijk is om uitvindingen te bedenken die het sporten leuker of gemakkelijker maken. Wanneer mag dat wel? En wanneer liever niet?

De uitvinders maken een mindmap met ideeën die het sporten leuker maken, of die sommige niet-leuke onderdelen van het sporten kunnen verbeteren (zoals omkleden, honger en dorst tijdens
het sporten, spierpijn, blessures). Sommige mensen willen graag een sport doen, maar kunnen niet meedoen omdat ze een handicap hebben.
Welke uitvindingen kunnen de uitvinders bedenken om hier iets aan te veranderen?

De uitvinders werken hun beste idee uit in een getekend ontwerp en maken een stripverhaaltje waarin je kunt zien hoe sporters de uitvinding gebruiken en wat daarvan de consequenties zijn.

NB. De illustraties bij deze post maakte ik naar aanleiding van de grappige robotcollages van kinderen van één van de Uitvindersclubs in Rotterdam.

 

 

De Uitvindersclub (1)

Zoals ik in mijn (op een na) vorige blogpost schreef had ik in Rotterdam enige tijd een Uitvindersclub – als één van de activiteiten die ik aanbood in mijn werkplaats Atelier van de Verbeelding.
Graag deel ik met jullie een paar ideeën voor het initiëren van je eigen Uitvindersclub, op school, in de brede school of bso, of thuis. Doel van de Uitvindersclub is om samen na te denken over, grote en kleine, concrete kwesties die voor de kinderen belangrijk en interessant zijn. Dat kan over van alles gaan: over spelen, over school, over thuis of de buurt, de stad of de wereld. Door creatief te denken en te fantaseren over deze onderwerpen ontstaan ideeën voor grote en kleine uitvindingen die het leven en de wereld mooier, beter en leuker maken.

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Wat heb je nodig?

De opzet is eenvoudig. De belangrijkste voorwaarde is een open, onbevooroordeelde houding van de leerkracht, vakkracht of begeleider en ruimte voor experiment. Creativiteit vergt moed – om grenzen te verleggen, om te ontdekken. Want soms maak je iets wat niet uit verf komt. Af en toe is het idee beter dan de uitvoering. Of juist andersom. Het oefenen van creativiteit behelst vooral ervaring opdoen in proberen en opnieuw beginnen. En goede startvragen om het denken en verbeelden op gang te brengen, die aansluiten bij de belevingswereld van de doelgroep. In dit geval zijn dat kinderen van 6 tot 8 à 9 jaar.

Benodigde materialen:

  • Tekenpapier, schrijfpapier, schetsboeken
  • Schetspotlood, kleurpotlood, stiften
  • Lijm(stift), plakband, tie-wraps, splitpennen, rivets (kunststof klinknagels voor golfkartonconstructies), touw, chenille
  • Dik en dun karton, gekleurd papier
  • Diverse rest- en afvalmaterialen (zelf verzamelen of via Stichting Scrap

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Wat zijn uitvindingen?

Bij de start van je Uitvindersclub is het goed en handig om na te denken over wat uitvindingen zijn. Dat kan door een onderzoekend gesprek te voeren aan de hand van de volgende vragen:

  • Wat is een uitvinder?
  • Wat is een uitvinding?
  • Wat heb je nodig om een uitvinding te doen?
  • Kan iedereen een uitvinder zijn?
  • Kan je voor van alles iets uitvinden?
  • Bestaan er goede en slechte uitvindingen?
  • Hebben we uitvinders nodig? Waarom (niet)?

Voorbeelden

Daarnaast is het leuk om voorbeelden te zoeken van belangrijke uitvinders en uitvindingen. Bijvoorbeeld:

Mijn absolute favoriet zijn de catalogi van Jacques Carelman. De flaptekst zegt genoeg: “De geniale unieke Jacques Carelman, uitvinder en ontdekker, Fransman par excellence, schepper van bijna mogelijke en welhaast onmogelijke verbazingwekkende voorwerpen en vernuftige vindingen, zal de wereld een ander aanzien geven. Voor degenen die meer willen weten over de siamese schaar, het vertaalcarbon, de radiatorstoel, de cactushandschoen of de TV-wasmachine, om maar enige niet-bestaande voorwerpen te noemen, die niettemin onmisbaar zijn, is dit boek een inspirerende raadgever.”

               

Soms zijn ze nog tweedehands verkrijgbaar:

Eenvoudige creatieve denkstrategieën

In mijn vorige post over creativiteit benoemde ik de basisvaardigheden die worden onderwezen bij de 21e vaardigheid ‘creatief denken’: creatief waarnemen, flexibel associëren, uitstellen van oordeel, divergeren en verbeelden. Ik licht ze kort toe (bron: I. Byttebier, 2002), met daarbij de belangrijkste vragen of opdrachten die je kunt stellen om kinderen deze vaardigheden te laten beoefenen.

1.  Creatief waarnemen

Bij creatief waarnemen gaat het om het besef dat je de dingen op verschillende manieren kunt zien (of horen, ruiken, proeven, voelen, ervaren). Niet de objectieve werkelijkheid bepaalt wat je ziet, maar jouw waarneming. Je brein vult aan en vult in. Daardoor zien we niet allemaal hetzelfde. Kinderen kunnen dat ervaren door samen naar een onbekend geluid te luisteren of naar een onbekend voorwerp te kijken. Wat horen ze? Wat zien ze? Als je je waarneming met elkaar deelt, kun je dan op verschillende manieren horen en zien? Zie je wat de ander ziet?

In het creatieve proces helpt de volgende vraag: Kun je het ook anders zien?
Dat geldt vooral ook voor de beschrijving van het probleem waarvoor je een oplossing zoekt. Kun je het probleem, de vraag, ook anders interpreteren? Wat is er nu eigenlijk aan de hand? Of zou er nog iets anders aan de hand kunnen zijn?

2. Flexibel associeren

Bij associëren gaat het erom alles wat bij je opkomt in relatie tot een woord, probleem of idee te noteren. Als je flexibel associeert maak je daarbij ook ruimte voor niet voor de hand liggende relaties. Je maakt ‘uitstapjes’ naar ideeën buiten het domein van je onderwerp (disociatie; patroondoorbreking) of je ziet een  verband met een heel ander onderwerp (resociatie; terugkoppeling).

Kinderen kun je leren associëren aan de hand van een woordweb of mindmap, om hun associaties direct voor ogen te hebben en te ordenen. De vragen die je daarbij stelt zijn: Wat is het belangrijkste onderwerp in deze vraag of in dit probleem? Waar denk je allemaal aan bij dit woord? Welke gedachten, geuren, smaken, kleuren, vormen, voorwerpen en gebeurtenissen komen er bij je op?  Door samen te werken aan een woordweb of mindmap komen er nog meer associaties boven.

3. Divergeren

Divergeren wil zeggen dat je voorbij de eerste ideeën denkt. Je neemt geen genoegen met met voor de hand liggende oplossingen, hoewel die misschien het meest logisch lijken. Divergeren doet aanspraak op het doorzettingsvermogen. Je wacht niet alleen op wat spontaan opkomt, maar gaat actief verder denken.

De vraag die je daarbij aan kinderen kunt stellen is: Bedenk zoveel mogelijk oplossingen voor dit probleem. Maar liever nog maak je concreet hoeveel oplossingen je (ten minste) wilt zien: Bedenk 10 (15, 20) oplossingen voor dit probleem. Wordt het steeds moeilijker om nog iets te bedenken? Vraag je af hoe een minister dit probleem zou oplossen. Of een superheld. Of een olifant. Hoe zou je met dit probleem omgaan als je kon toveren?
Vervolgens gaat het erom een selectie te maken uit deze oplossingen.

4. Verbeelden

Een goed idee, of een goede oplossing, moet je voor je kunnen zien. Bij het verbeelden gaat het erom dat je de oplossing, je uitvinding, voor je kunt zien. En niet alleen zien, maar ook voelen, ruiken, proeven of horen. Het gaat niet alleen om ver-beelden, maar ook om in-beelden. En om anderen te betrekken zou je je idee ook moeten uit-beelden. Dat kan in woord en beweging, in tekeningen, in verhalen. Voor volwassenen soms een hele toer, maar voor kinderen die nog rijk zijn aan fantasie en verbeeldingskracht is dit geen opgave.

De vraag die je kunt stellen bij deze stap is: Hoe ziet jouw oplossing of uitvinding eruit? Of: Vertel hoe een dag in de toekomst eruit ziet, als jouw uitvinding wordt gebruikt. Of: Doe eens voor – speel eens uit – hoe we jouw uitvinding kunnen gebruiken.

En ook: uitstellen van oordeel

Een belangrijke vaardigheid tot slot is het uitstellen van oordelen. Ik heb ‘m al genoemd bij de houding van de begeleider of leerkracht. Het is ook een vaardigheid die de groep waarmee je werkt in haar samenspel zou moeten oefenen. Creatief werken en denken lukt pas als je ervaart dat alle ideeën, associaties en mogelijke oplossingen mee mogen doen, zonder dat ze door jezelf of anderen op voorhand worden afgeschoten. Pas bij de selectie en uitvoering van je definitieve plan kun je kritischer gaan kijken: klopt het, werkt het, is het daadwerkelijk een oplossing?

Je moedigt kinderen aan om onbevooroordeeld te zijn door steeds te benadrukken dat erin het creatief denken geen goede of foute ideeën bestaan. Door samen te kunnen lachen, bewonderen, verbazen en gruwelen van de verschillen oplossingen die  zich aandienen. En door verbaal en non-verbaal de inzet en inbreng van de kinderen te waarderen, in plaats van de opbrengst.

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Uitvinden maar

Met de bovenstaande voorbereiding kun je je Uitvindersclub starten. Je weet welke rol je als leerkracht, vakkracht of begeleider kunt vervullen en welke vragen je stelt tijdens het werkproces van de kinderen. Je hebt de materialen verzameld die bij elke bijeenkomst nodig zijn om te kunnen brainstormen, schetsen, tekenen, uitwerken, knutselen en bouwen. Dan rest nog de vraag: Wat gaan we uitvinden? Daarover lees volgende week. Dan reik ik je een aantal concrete invalshoeken en lesideeën aan om mee aan de slag te gaan.

NB. De illustraties bij deze post maakte ik naar aanleiding van de grappige robotcollages van kinderen van één van de Uitvindersclubs in Rotterdam.