Humor: Shel Silverstein

Grappige dichters

Er zijn veel grappige dichters in Nederland. Annie M.G. Schmidt, Edward van de Vendel, Ted van Lieshout, Joke van Leeuwen en Erik van Os, om er maar een paar te noemen. Er valt hier best wat te lachen. Ook met Jules Deelder, die het Poëziegeschenk schreef.
Maar als tip voor de klas in de Poëzieweek 2017 (van 26 januari tot 1 februari), die als thema Humor heeft, vraag ik jullie aandacht voor de Amerikaanse schrijver, dichter en tekenaar Shel Silverstein. Hij is in Nederland vooral bekend dankzij zijn prentenboek De gulle boom, het tweede van zijn hand dat werd uitgegeven – in 1964.

Silverstein werd geboren in 1930, groeide op in Chicago. Hij werd cartoontekenaar, schrijver, dichter, singer-songwriter, muzikant. Zijn gedichten, maar ook zijn tekeningen, kenmerken zich door humor: door het taalgebruik, het taalspel en de interactie tussen tekst en tekeningen. Tussen alle grappigheid door is er ook vaak nog iets om dieper over na te denken.

Drie gedichten – lezen, filosoferen en illustreren

Onderstaand drie humoristische gedichten van Shel Silverstein, om (voor) te lezen. Vervolgens kun je aan de hand van de filosofische vragen samen nadenken over humor. Tot slot een tutorial om bij de gedichten grappige illustraties te maken in de stijl van Silverstein.

Zeg

Zeg dat ik fantastisch ben,
Briljant, gevat, sociaal,
Gevoelig, handig, grappig en
Bijzonder geniaal.
Zeg dat je zo’n wonderkind
Als ik maar zelden ziet.
Zeg dat je me super vindt,
Maar liegen mag je niet.

Gedicht: Shel Silverstein
Vertaling: Marjolein Kool
Uit: ‘Ik val omhoog’ (Uitgeverij De Fontein, Baarn 1998)

Ze zeggen

Ik heb mijn opa’s ogen,
Mijn neus is van mijn pa,
Mijn haar is van mijn moeder,
Dat roept iedereen me na.
Ik ben steeds van een ander,
Dat vind ik zo gemeen.
Straks is alleen mijn achterwerk
Het werk van mijn alleen.

Gedicht: Shel Silverstein
Vertaling: Marjolein Kool
Uit: ‘Ik val omhoog’ (Uitgeverij De Fontein, Baarn 1998)

Vreemd restaurant

Ik zei: ik blief een stukje bief.
En zachtjes klonk het: boe.
Toen keek ik op en schrok me rot,
De kelner was een koe.

Ik schreeuwde: nee! Bief? Weg ermee!
Maar kip laat ik niet staan.
Toen hoorde ik: dat pik ik niet.
De barman was een haan.

Ik zuchtte: fout, geen kippenbout,
Als er maar zeebaars is.
Toen keek ik door de keukendeur:
De chef-kok was een vis.

Ik gilde: is hier alles vis,
Gevogelte of rund?
Dan wil ik enkel een dessert,
Ik neem een slagroompunt.
Oh nee, zei men toen zeer bezwaard,
De directrice is een taart.

Gedicht: Shel Silverstein
Vertaling: Frank van Pamelen
Uit: ‘Ik val omhoog’ (Uitgeverij De Fontein, Baarn 1998)

Filosoferen over humor

Startvragen:

  • Welke van de drie gedichten vind je het grappigst? Waarom is dat?
  • Is er ook een gedicht bij dat je niet (zo) grappig vindt? Hoe komt dat?

Verdiepingsvragen:

  • Wat betekent humor?
  • Wanneer heeft iemand gevoel voor humor?
  • Is gevoel voor humor ergens goed voor? Waarom vind je dat?
  • Hoe kan het dat niet iedereen hetzelfde grappig vindt?
  • Bestaat er iets wat iedereen grappig vindt?
  • Wat vind je grappiger: de werkelijkheid of fantasie? Waarom?
Illustreren: Laat je inspireren door Shel Silverstein