DIY: gedichten schrijven in de klas

Zoals beloofd in de vorige post geeft Annelies Goedhart een handige hand-out om zelf gedichten te schrijven in de klas. Dat past mooi bij de Poëzieweek die start op 25 januari, maar kan natuurlijk ook op elk ander moment. Het stappenplan van Annelies geeft bovendien inzicht in hoe je zelf een les poëzieschrijven zou kunnen voorbereiden.
Dichten maar!

Een gedicht over deel en geheel

Het onderstaande gedicht ‘Genoeg’ van Hans en Monique Hagen is een beeldende tekst over deel en geheel, over jezelf en de wereld om je heen. De vorm en inhoud geven inspiratie voor het schrijven van een zogenoemd imitatio-gedicht, aan de hand van de 3 stappen die hieronder zijn beschreven. Tot slot is een korte suggestie gegeven voor een groepsgedicht.

Genoeg

duizend bomen is een bos
duizend druppels is de regen
duizend sprietjes is het gras
maar

hoeveel woorden heb ik
hoeveel belletjes van spuug
hoeveel tranen, hoeveel lach
hoeveel poep en hoeveel plas
hoeveel kusjes voor de nacht
zal ik nog krijgen en nog geven

genoeg
voor heel mijn leven

Hans en Monique Hagen (uit: Jij bent de liefste, Querido, 2000)

Stap 1: Het gedicht lezen en bespreken

Lees het gedicht in de groep een paar keer door en voor –
eerst de leerkracht, daarna enkele kinderen. Vraag je samen af:

  • Waar gaat de eerste helft van het gedicht over?
  • Waar gaat de tweede helft van het gedicht over?
  • Wat valt je op aan hoe het gedicht is geschreven, aan de vorm en aan de woorden?
Stap 2: creatief denken

Voor je een gedicht gaat schrijven helpt het om eerst creatief te denken over wat je wilt vertellen, over woorden en over zinnen. Dat kun je doen aan de hand van de volgende vragen.

Vragen bij de eerste helft van het gedicht:

  • één boom is een boom en ‘duizend bomen is een bos’
    Wat kunnen duizend bomen nog meer zijn? Waar zie je duizend bomen bij elkaar?
    Duizend bomen is . . . . . . . . .
  • één druppel is een druppel en ‘duizend druppels is de regen’
    Wat kunnen duizend druppels nog meer zijn?
    Duizend druppels is . . . . . . . . .
  • Kun je zelf een zin bedenken over de natuur? Denk aan stenen, blaadjes, sterren, vissen, vogels, koeien, wolven, mensen.
    Duizend . . . . . . . . . . . . is . . . . . . . . . . . . .

Vragen bij de tweede helft van het gedicht:

  • Kijk naar je lichaam. Uit welke delen bestaat je lichaam? Wat zit er allemaal in je lichaam?
  • Kun je zelf een nieuwe zin bedenken zoals in de tweede helft van het gedicht?
    Hoeveel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . heb ik?

Vragen voor de afronding van het gedicht:

  • Wat kan je krijgen van iemand en geven aan iemand?
  • Wat vind je zelf leuk om te krijgen?
    Bedenk een pakkende laatste zin voor je gedicht.
Stap 3: schrijven en voordragen

Schrijf nu, met behulp van alles wat je bij stap 2 hebt bedacht, je gedicht.
Gebruik eventueel dit werkblad.
Draag tenslotte de gedichten aan elkaar voor. Maak daarbij gebruik van de volgende drie tips:

  1. Sta stevig met je voeten op de vloer en haal rustig adem;
  2. Houd je tekst met twee handen vast voor je buik. Zo kun je contact houden met het publiek en kan iedereen je goed horen;
  3. Speel bij het voordragen met je stemgeluid en gezichtsuitdrukking.
Suggestie: een groepsgedicht

Bespreek het inspiratiegedicht (zie stap 1) en bedenk, individueel en samen, eigen zinnen aan de hand van de vragen in stap 2. Schrijf de zinnen op strookjes papier.
Lees de zinnen aan elkaar voor. Kies een aantal zinnen uit en maak daaruit, door de strookjes onder elkaar te leggen, een groepsgedicht. Speel en puzzel met de zinnen tot je de meest krachtige volgorde hebt gevonden.

 

Meer poëzie in de klas?

Wil je een workshop van Annelies in de klas? Kijk dan op www.drukjeuit.nl.

Meer mooie gedichten van Hans en Monique Hagen:

 

 

Poëzie in de klas: Annelies Goedhart

Blogserie: Vakgenoten

Zelfstandig maar in goed gezelschap. Zo ervaar ik mijn werk als zzp’er in illustratie, cultuur en educatie. Ik werk graag alleen en geniet ook van samenwerken, sparren, onderzoeken en uitwisselen met vakgenoten. Op mijn blog deel ik mijn ideeën en ervaringen. In een serie interviews nodig ik mijn vakgenoten uit om dat eveneens te doen en vraag ik ze op de mens af wat hen motiveert, hoe ze werken en wat ze ons vanuit hun ervaring in het vak kunnen leren.

Deel 1: Annelies Goedhart

Op 25 januari start de Landelijke Poëzieweek. Annelies Goedhart kent de ins-and-outs van het schrijven van poëzie met basisschoolleerlingen als geen ander. Ze geeft sinds 2006 les op het gebied van creatief schrijven (waaronder poëzie), taalvorming en taaldrukken. Haar aanbod en werkwijze vind je op Drukjeuit.nl.
In dit eerste deel van de blogserie Vakgenoten vertelt Annelies over de betekenis van poëzie en creatief schrijven voor leerlingen in het basisonderwijs. In de hiernavolgende blogpost geeft Annelies inspiratie om zelf aan de slag te gaan met het lezen en schrijven van gedichten tijdens de Poëzieweek.

 

“Al mijn werkzaamheden via ‘Druk je uit’ dienen een duidelijk doel. Ik wil dat mijn deelnemers hun stem vinden, hun woorden vinden en vertrouwen krijgen in het verhaal dat ze vertellen. Ik wil kinderen creatief laten spelen met taal en ze duidelijk maken dat er niet één manier is om dat te doen. Samen gaan we op zoek naar een vorm en stijl die bij hen past.”

Ik maak gebruik van verschillende werkwijzen en werkvormen, maar de basis ligt in taalvorming en taaldrukken. Een bestaand concept waarmee ik leerde werken bij de Taaldrukwerkplaats in Rotterdam. Taalvorming werkt vanuit een taalronde, waarin alle taalvaardigheden geïntegreerd aan bod komen: spreektaal, schrijftaal, beeldtaal, lichaamstaal. We starten met een gesprek over een onderwerp waar iedereen ervaring mee heeft. Alle kinderen kunnen meedoen. Ze voelen zich door het onderwerp aangesproken om iets met elkaar te delen, zijn enthousiast om te vertellen wat hun ervaring is. Doordat we er samen over praten is het schrijven vervolgens makkelijker.
Taalvorming heeft een duidelijk stappenplan. Je begint met spreektaal, vervolgens ga je naar de schrijftaal. Kinderen die denken dat ze niets kunnen bedenken om te schrijven hebben een opstapje: ze schrijven gewoon op wat ze net in de kring hebben verteld. Vervolgens ga je met die geschreven tekst aan de gang. Eerst herschrijven, om de tekst begrijpelijker en sterker te maken. Daarna maken we de tekst nog krachtiger met een illustratie. De beeldtaal versterkt de schrijftaal.
Dan is het proces van Taalvorming afgerond en start het Taaldrukken. We verwerken de teksten en beelden tot een boek of tot een poster. Verschillende druktechnieken maken het mogelijk om in oplage te werken. In een klas van 30 kinderen heeft dan uiteindelijk iedereen zijn tekst geschreven en geïllustreerd, bijvoorbeeld in sjabloontechniek, die we vervolgens in een oplage van 30 in de klas afdrukken. We vermenigvuldigen en verspreiden het werk van de kinderen en zo ervaren zij dat hun tekst van waarde is. De posters hangen in de school, de boekjes gaan mee naar huis. Er is een publiek voor hun werk. (Groot)ouders, docenten en andere kinderen lezen het. Dat is magisch! En dat geldt ook als ze hun werk voordragen. Dat is spannend, of zelfs eng voor velen. Maar het geeft voldoening. En zelfvertrouwen, wanneer ze het gedaan hebben. De complimenten die ze krijgen en elkaar geven doet ze goed.”

“Gebaseerd op de taallessen op school hebben kinderen een idee en verwachting van werken met taal. Als ik in de klas kom, neem ik een andere ingang: creatieve taal en presentatie. Daardoor kunnen de kinderen naast de noodzakelijke reguliere taallessen op een andere, creatieve wijze met taal bezig zijn en taalplezier beleven. Want als je poëzie schrijft, hoeft je tekst niet te voldoen aan strikte regels. Je kunt je meer vrijheden veroorloven. Je mag er in een gedicht voor kiezen om geen hoofdletters of punten te gebruiken. Je mag in gedichten woorden combineren die je normaal niet samen gebruikt. Je mag zeggen dat ‘zonnestralen dansen’. Je kunt je eigen woorden bedenken, je kan spelen met woorden.
Toch benoem ik meestal niet letterlijk dat we poëzie gaan schrijven, tenzij we werken met een vast dichtvorm zoals een rondeel of haiku. Want wat is de definitie van een gedicht? Er is veel meer vrijheid als ik kinderen vraag om ‘3 tot 5 korte regels te schrijven’. Zo zijn ze niet belemmerd door hun idee van wat een gedicht moet zijn. Op het juiste moment bespreken we samen wat een gedicht allemaal kàn zijn.

Leerkrachten zijn vaak verrast over wat er in de lessen gebeurt. Zowel over de werkwijze als over het resultaat. Omdat ik het schrijven stap-voor-stap begeleid, doen ook de kinderen mee van wie zij het niet verwachten, de kinderen die moeite hebben om zich te uiten of moeite hebben met taal. Om ook de ‘pluskinderen’ voldoende uit te dagen benoem ik wel bepaalde aspecten van poëzie, zoals alliteratie en assonantie. Je ziet dan dat zij dat direct toepassen in hun gedichten. Maar aan het einde van de les hebben alle kinderen een tekst, een gedicht geschreven. Dat vind ik belangrijk: schrijven en taal zijn voor iedereen.”

“Niet slechts enkele mensen zijn schrijvers. Iedereen heeft zijn eigen woorden, zijn eigen verhaal. Dat wil ik kinderen meegeven. Iedereen kan schrijven.”

“Bestaande poëzie van Nederlandse dichters vormt meestal het startpunt van mijn lessen, de inspiratiebron. Aanvankelijk werkte ik veel met korte verhalen, bijvoorbeeld van Toon Tellegen. Dan ging het vervolgens om het duiden van het verhaal, voordat we over de eigen ervaringen spraken. Tegenwoordig werk ik vooral met gedichten. Dat is ten eerste omdat ik ervan geniet en het mij inspireert. Ik kan het vol passie doorgeven aan de kinderen. Ten tweede is een gedicht kort en krachtig. Heel functioneel, want veel kinderen hebben nu eenmaal een korte spanningsboog. Ook laat het ze zien dat een tekst die ze zelf schrijven kort en bondig mag zijn, het hoeft niet zo uitgebreid.
Een gedicht heeft bovendien meerdere lagen en betekenissen. Kinderen kunnen hun eigen betekenis eraan geven en daar met elkaar over in gesprek gaan. Ze leren dat iedereen anders kijkt en luistert.

Ik merk vaak dat kinderen niet erg bekend zijn met poëzie. Er zijn weinig gelegenheden waarbij ze in aanraking komen met poëzie. Toch houden ze er wel van. Als ik aan het einde van een workshop of gastles vraag wat ze hebben geleerd, zeggen ze dat ‘gedichten schrijven eigenlijk heel leuk is’ en dat ze ‘nu begrijpen wat een gedicht is’. Op een school waar ik al een aantal jaren werk, de Oscar Romeroschool in Rotterdam, is inmiddels een vaste groep kinderen die er na schooltijd voor kiest om bij mij te komen schrijven. Dat zijn kinderen die echt houden van het schrijven van poëzie. Eén van hen, een jongen uit groep 8, is dol op het schrijven van haiku’s. Vaak schrijft hij behalve de gegeven opdracht ook een paar haiku’s over het onderwerp. Dat is geweldig om te zien. De haiku is zijn vorm. Daar geniet hij van. Hij schrijft krachtige teksten.

Ik heb in mijn werk op Rotterdamse scholen regelmatig te maken met kinderen die thuis een andere taal spreken dan op school, die tweetalig zijn of het Nederlands als tweede taal hebben. Kinderen die moeite hebben met taal, met grammatica en spelling, met spreek- of schrijfvaardigheid. Ze beginnen vaak al met een achterstand, moeten een inhaalslag maken op school. Ik kan me in hen verplaatsen omdat ik zelf tweetalig ben opgegroeid. Aanvankelijk spraken we vooral Engels thuis, eenmaal op school struikelde ik over het Nederlands. Hierin ligt een deel van mijn motivatie: ik wil voor deze kinderen de drempel verlagen om zich in taal uit te drukken, ze succeservaringen laten beleven zodat ze er meer vertrouwen in krijgen. Dat doe ik door lessen in creatief schrijven, maar bijvoorbeeld ook met lessen Schrijfdans die tot doel hebben fysiek ontspannen te leren schrijven.
De opbouw van mijn lessen dienen hetzelfde doel. Drukke kinderen, kinderen die moeite hebben zich te concentreren of te organiseren, zijn vaak opvallend creatieve kinderen. Maar je moet ze wel begeleiden in het zetten van de juiste stappen om tot schrijven te komen. Dan blijkt pas dat ze het kunnen. Ik heb gezien dat structuur en veiligheid belangrijke voorwaarden voor kinderen zijn om te kunnen schrijven. En het stellen van de juiste vragen. Als je specifieke vragen stelt, krijg je ook specifieke antwoorden. Als een schrijfopdracht luidt: ‘Schrijf maar iets leuks over jezelf’ kan niemand daar iets mee. Kinderen al helemaal niet. Ik vraag door, vraag kinderen om zo precies mogelijk te vertellen. Wat hoor je, wat zie je? Hoe klinkt dat precies, hoe ziet er eruit? Geef aandacht aan details. En ik heb leren luisteren. Wat wordt er nou echt gezegd? Wat bedoelen ze daarmee? Ik vraag door totdat ik de kinderen begrijp en zijzelf begrijpen dat details ertoe doen. Dan pas worden teksten boeiend om te lezen.

Natuurlijk zijn er kinderen die talent hebben voor taal en voor schrijven. Maar in mijn werk valt me op dat als het taal betreft, kinderen heel uiteenlopende talenten kunnen hebben. Sommigen zijn vlotte sprekers, anderen gemakkelijke schrijvers, weer anderen kunnen zich bijzonder krachtig uitdrukken in beeldtaal of lichaamstaal. Als je kinderen diverse mogelijkheden biedt om zich uit te drukken, zal ieder kind een vorm ontdekken waarin hij of zij talent heeft. De andere werkvormen zijn dan vaardigheden die je kunt oefenen. Maar je uitdrukken in taal is zo essentieel menselijk – ik geloof dat iedereen dat kan, op zijn manier.”

“De mens heeft een basale behoefte tot communiceren, tot zich verbinden met anderen. Iedereen wil met anderen zijn verhaal delen en zich uitdrukken. Taal, gesproken of geschreven, beeldtaal of lichaamstaal, is de manier waarop we dat doen.”

 

Annelies Goedhart is vakdocent Taalvorming en Taaldrukken, Tamalpa Practitioner en grafisch vormgever.  Ze woont en werkt in Rotterdam.

 

Ik wens je een omhelzing

De laatste blogpost van 2017.  Dan zit mijn eerste blogjaar erop. In de voorgaande jaren was veel aandacht uitgegaan naar het filosoferen op school, maar daarnaast wilde ik weer meer schrijven en verbeelden. Een blog leek me een goede manier om dat te doen, met als doel te inspireren, te onderzoeken, en ideeën, illustraties en materialen te delen. Het bevalt me, dus in 2018 ga ik gestaag door met mijn schrijfsels en illustraties. Voor wie het leest. Om met Mwah te spreken: Die is te gek.

Op de valreep wil ik nog een boekje onder de aandacht brengen dat past bij deze tijd. Zowel bij het einde van het jaar, waarin we elkaar opzoeken om samen te vieren, maar ook bij deze tijd van individualisme en autonomie. Het heet ‘De omhelzing’ en is geschreven door David Grossman. De gevierde Israelische schrijver Grossman (1954) leerde ik kennen via mijn leesclub. Daar lazen we de roman ‘Komt een paard de kroeg binnen’ (2015).

Deze roman beschrijft een optreden van stand-up comedian Dov Grinstein, die zijn voorstelling begint met het maken van grappen, maar steeds meer de behoefte voelt om zijn levensverhaal te vertellen. Het publiek haakt af, maar voor Grinstein is het de enige manier om in zijn laatste voorstelling afscheid te nemen van het toneel. ‘Komt een paard de kroeg binnen’ is een intelligent, schrijnend boek over eenzaamheid. Over humor als wapen, maar ook als vorm van contact, van communicatie. Het lukt Dov Grinstein niet om zijn eenzaamheid te bestrijden met zijn humor, hij staat alleen op het podium en neemt in eenzaamheid afscheid.

Grossman schrijft behalve romans ook essays, kinderboeken en een enkel toneelstuk. Zijn ontroerende prentenboekje ‘De omhelzing’ gaat eveneens over eenzaamheid, of misschien juist over tweezaamheid.

De kleine Ben maakt een wandeling met zijn moeder en zij vertelt hem hoeveel ze van hem houdt. Omdat hij uniek en speciaal is. Er is er maar één zoals hij. Ben voelt zich daardoor niet op een voetstuk gezet, maar juist eenzaam:

‘Waarom is er niemand op de hele wereld zoals ik? (…) Ik wil niet de enige zoals ik op de hele wereld zijn. Dan ben ik helemaal alleen.’

Bens moeder legt uit dat iedereen alleen en uniek is, maar dat daarom de omhelzing is uitgevonden:

‘Jij bent de enige zoals jij,’ zei zijn moeder, ‘en ik ben de enige zoals ik, maar als ik jou nu een knuffel geef, dan ben je niet alleen en ben ik ook niet alleen.’

‘De omhelzing’ brengt eenzaamheid in beeld die enerzijds zo menselijk en onontkoombaar is en anderzijds versterkt lijkt in de huidige tijd waarin we onze individualiteit willen benadrukken. Als we allemaal uniek en speciaal zijn, zijn we dan niet juist allemaal eenzaam? Willen we gezien worden in onze bijzonderheid, of liever opgaan in een groter geheel? Is het moeilijk  om te erkennen dat je slechts een schakel bent binnen je gezin, je familie, de samenleving, of geeft dat geborgenheid en zin aan het leven?
Vragen waar we allemaal vroeg of laat met te maken hebben, door het werk dat we doen, de manier waarop we leven en de zorg en betrokkenheid die anderen van ons nodig hebben. Vragen ook die ons kunnen helpen om plannen te maken voor het nieuwe jaar. Waar wil je je tijd en aandacht aan besteden in 2018?

Ik ga in ieder geval door met bloggen. Dat laat zich goed combineren met het werk dat ik doe en de zorg die ik wil geven. Ik bedank jullie voor het lezen (te gek!) en Kelly Deriemaeker van wie ik tijdens de vorige kerstvakantie het Blogboek vond in de bibliotheek. Dat gaf me het zetje om te beginnen. Inmiddels heb ik de nieuwe, herziene versie van het boek. Een plezierig te lezen aanrader voor wie ook overweegt te gaan bloggen.

Tot slot wens ik iedereen fijne feestdagen, een gezond en voorspoedig 2018 en heel veel omhelzingen.

 

Snotmonsters en spoken

Over een week begint de Kinderboekenweek 2017. Wie wil filosoferen in de Kinderboekenweek vindt ruimschoots gespreksmateriaal op www.filosoferenopschool.nl. Wil je nog gebruik maken van de tijdelijke, gratis login voor het materiaal van de Kinderboekenweek? Stuur dan even een mailtje.

Behalve tot lezen en filosoferen geeft het thema van deze Kinderboekenweek 2017 – Gruwelijk eng! – ook inspiratie tot griezelig tekenen, schrijven en verhalen vertellen. In deze post vijf ideeën.

1. Snotmonsters

Voor een paar goeie snotmonsters maak je eerst een paar groene kledders op papier, liefst met ecoline, maar waterverf kan ook.

Vervolgens gebruik je een zwarte fineliner om er griezelige snotmonsters van te maken.

2. Bloederige griezels

Dit is min of meer hetzelfde recept als dat van de snotmonsters. Maak met rode ecoline een paar flinke bloedspetters. (Echt bloed kan natuurlijk ook.)

Om er griezels van te maken heb ik nu in plaats van fineliner kleurpotlood gebruikt.

3. Zoek de spoken

Voor deze tekenopdracht heb je papier nodig (bij voorkeur zwart, maar elke andere kleur volstaat ook prima) en kleurpotlood of krijt. Start met het maken van vloeiende ronde vormen in één doorgaande lijn. Je kunt er een zacht, spookachtig geluid bij maken. Zoek vervolgens in de vormen naar spoken en teken ze erin. Wie weet vind je ook nog een paar vleermuizen.

4. Botjesalfabet

Spelen met letters en vormgeving. Wanneer je botjes tekent, werkt dat goed op zwart papier met een wit krijt of kleurpotlood. Letters van spinnenwebben kan ook, of van bloedsporen van ecoline.

Een paar letters voor wie net begint met schrijven (je eigen naam bijvoorbeeld) of een heel alfabet voor de gevorderde.

5. Enge verhalen vertelspel

Het verhalenvertelspel heb ik eerder beschreven, maar leent zich goed voor de Kinderboekenweek. Maak daarvoor een woordweb rondom griezelverhalen. Wees niet bang om hier en daar wat te begrenzen qua griezeligheid en zorg ervoor dat ook woorden als ‘moed’, ‘dapper’, ‘nieuwsgierig’, ‘veilig’, ‘droom’ en ‘fantasie’ aan bod komen. Zo is er altijd een uitgang uit het verhaal als het te gortig wordt. Schrijf de woorden op kaartjes (zie de beschrijving in de eerder blogpost) en maak er illustraties bij.

Je kunt het spel spelen in de kring en samen een verhaal bedenken, maar bijvoorbeeld ook drie kaartjes en een schrijfopdracht geven.

 

24 Taalspelletjes (deel 4)

Woordslang

Dit spelletje kan individueel of in groepen gespeeld worden. De werkwijze is eenvoudig: bedenk steeds een woord met als beginletter de laatste letter van het voorgaande woord. Bijvoorbeeld: slang – garage – eekhoorn – neus et cetera. Eventueel kies je een categorie woorden, zoals dierennamen of meisjesnamen: Sofie – Elvira – Annelies – Selma …

In een groepsspel krijgen de deelnemers een aantal minuten waarin zij proberen de woordslag zo lang mogelijk te maken. De deelnemer met de meeste woorden wint het spel.

Galgje

Een gouwe ouwe die het goed doet in de klas. De spelleider of één van de deelnemers bedenkt een woord en laat de andere deelnemers om de beurt een letter raden. Een verkeerde letter levert steeds een deel van de galg op. De deelnemers gaan door totdat zij weten om welk woord het gaat. Raden zij het woord voordat de galg klaar is, dan winnen ze het spel. Lukt het niet het woord te raden, dan heeft de bedenker het spel gewonnen.

Woordenboekspel

Verdeel de klas in (tafel)groepen van ca. zes leerlingen. Alle leerlingen hebben pen en papier nodig. In de eerste ronde kiest de leerkracht of spelleider uit het woordenboek een moeilijk woord, waarvan de (meeste) leerlingen de betekenis niet kennen. De leerlingen van één tafelgroep bedenken nu ieder een betekenis voor het woord en schrijven die op hun blaadje. Ze leveren de blaadjes in bij de leerkracht. De leerkracht leest de betekenissen voor of schrijft ze op het schoolbord, inclusief de ware betekenis van het woord. De overige groepen mogen nu per groep raden wat de betekenis van het woord is. Vervolgens is er een puntentelling:
Is de goede betekenis gekozen: 1 punt voor de betreffende groep.
Is er een andere betekenis gekozen: 1 punt voor de groep bedenkers.
Heeft niemand de juiste betekenis gekozen: 1 punt voor de spelleider.
Speel het spel zoveel rondes als er groepen zijn.

Estafettesprookje

Iedere deelnemer heeft pen en papier nodig. De leerkracht of spelleider geeft alle deelnemers vier minuten de tijd om een alinea te schrijven die begint met ‘Er was eens… ‘. Als de vier minuten om zijn geven de schrijvers hun papier door aan de deelnemers links van hen. Ze krijgen even de tijd om de tekst te lezen en vervolgens weer vier minuten om een alinea te schrijven. Het schrijven gaat op deze manier door in zo’n zes tot acht rondes. De leerkracht geeft in de laatste twee rondes duidelijk aan dat het tekst (bijna) afgerond moet worden. Alle sprookjes eindigen met ‘en ze/hij leefde(n) nog lang en gelukkig’.
Na het schrijven kunnen de deelnemers de leukste verhalen voordragen voor de groep.

Onelinerspel

Dit spel kan in groepjes  van vier á vijf deelnemers gespeeld worden. De leerkracht of spelleider schrijft een korte startzin op het bord, bijvoorbeeld: ‘uitvinder verkoopt groene vis’. De eerste speler van elk groepje schrijft de startzin over en vult deze aan met details, bijzinnen en bijzonderheden. deelnemers schrijven de startzin over. Iedere speler vult in zijn/haar beurt de zin aan met steeds meer details of korte bijzinnen. Per beurt mogen maximaal 5 woorden toevoegen. De zin moet wel kloppend blijven. De groep die uiteindelijk de langste oneliner maakt (met de meeste woorden) wint het spel.

En dan als laatste…

… het verhalenvertelspel in de klas. En hoe je dat maakt en speelt lees je hier.

24 Taalspelletjes (deel 3)

Woorden rijgen

Een woordspel met samengestelde woorden. De eerste speler noemt een samengesteld woord. De tweede speler noemt een samengesteld woord dat begint met het tweede deel van het eerste woord. Bijvoorbeeld: ‘spelcomputer’ – ‘computerbureau’. De derde speler noemt een woord dat begint met het tweede deel van het voorafgaande woord, bijvoorbeeld ‘bureaustoel’. Wie geen woord meer weet, valt af en speelt niet meer mee. Degene die het langst overblijft, wint het spel. Speel het spel eventueel in teams en spreek een speelduur af.

 

Stad, land, dier

Maak teams van de deelnemers. Per speelronde wordt er een letter gekozen of bij toeval bepaald (bijvoorbeeld door het openslaan van het woordenboek). De teams proberen met de gekozen letter, binnen een afgesproken tijd, zoveel mogelijk woorden te verzinnen in de onderstaande categorieën:

  • stad
  • land
  • dier
  • beroep
  • plant
  • sport
  • jongensnaam
  • meisjesnaam
  • huishoudelijk voorwerp
  • voedsel

Het team met de meeste unieke woorden wint de ronde.

Groeiwoorden

De eerste speler schrijft een woord van drie letters op het bord, bijvoorbeeld  ‘vis’. De volgende speler voegt er een letter aan toe en maakt er een woord van vier letters van, bijvoorbeeld ‘vies’. De volgende speler voegt weer een letter toe en maakt er een woord van vijf letters van, bijvoorbeeld ‘vlies’.
Het spel stopt wanneer de speler die aan de beurt is geen nieuw, langer woord meer kan maken. Daarna begint het spel opnieuw met een drieletterwoord.

Klinkende klinkers

De deelnemers proberen gezamenlijk een zin te maken met slechts één klinker. Van tevoren is afgesproken welke klinker dat is. Klinkers die door een apostrof vervangen kunnen worden (zoals in ‘t, d’r, z’n of m’n) mogen wel meedoen. Bijvoorbeeld: ‘Ook m’n oom koopt zo’n roos.’ Je kunt dit spel als groepsspel spelen, op het schoolbord, om samen een zo lang mogelijke zin te bedenken. Een alternatief is om de groep in teams te verdelen die binnen een vastgestelde tijd proberen de langste klinkerzin te maken.

 Schrijven en vertellen

Alle deelnemers krijgen een klein notitieblaadje. Ze schrijven daarop een zelfstandig naamwoord. De spelleider verzamelt alle woorden en geeft de deelnemers een schrijfpapier. De spelleider trekt ongezien één van de woorden uit stapel notitieblaadjes en lees dit voor. De deelnemers beginnen met het schrijven van een verhaal. Elke paar minuten leest de spelleider een woord voor dat de deelnemers moeten toevoegen aan hun verhaal. Na 15-20 minuten schrijven ronden de deelnemers hun verhaal af. Wie wil leest zijn verhaal voor aan de groep.

Advertentiespel

Alle deelnemers krijgen een strook papier (bijvoorbeeld een half A4, in de lengte gesneden). In de eerste ronde schrijft iedereen bovenaan het papier de aanhef van de advertentie: ‘Te koop, te huur, met spoed gevraagd, tweedehands aangeboden, wie heeft voor mij’, et cetera. Daarna vouwen zij een rand van het papier, met daarop hun tekst, om. Ze geven het papier door aan hun degene die naast hen zit.
Vervolgens beschrijven ze een voorwerp of dienstverlener: ‘een auto, een klusjesman, snelle schoonmaker, lieve goudvis’. Opnieuw vouwen ze hun tekst om en geven het papier door. In de derde rond beschrijven ze kenmerken: ‘in goede staat, met rode strepen, met veel ervaring, onbeschadigd…’. Opnieuw geven ze het papier, omgevouwen, door. Eventueel volgt er nog een ronde met kenmerken. In de laatste ronde schrijven de deelnemers iets over verhandeling of prijs: ‘voor slechts 100 euro, zelf af te halen, tegen verzendkosten…’.
Tot slot worden de advertenties uitgevouwen. De leukste worden voorgelezen.

 

24 Taalspelletjes (deel 2)

Bordscrabble: taal- en rekenspel

Schrijf op het bord een aantal letters en geef ze een waarde, zoals bij het bordspel Scrabble. Bijvoorbeeld:
a=1, b=2, e=1, u=5, m=5, o=1, t=4 en s=4.
Vraag de groep om met deze letters woorden te maken en de waarde van elk woord te berekenen, bijvoorbeeld: mees (11 punten) of  bemost (17 punten).
Wie maakt het woord met de hoogste waarde?
Wie kan de meeste woorden bedenken?
Moeilijkere opdrachten kunnen zijn:
Maak een woord van 15 punten. Of: Maak een som van woorden, bijvoorbeeld:
mat (10) – oom (7) = eb (3)

Gedicht in de knoop

Laat een paar deelnemers het spel voorbereiden. Geef ieder een bestaand gedicht en vraag ze om van elk woord de letters door elkaar te husselen en zo het gedicht opnieuw op te schrijven. Kopieer de teksten of schrijf ze op het bord. Vraag de groep nu om de gedichten te ontcijferen.
Wie heeft als eerste het gedicht weer uit de knoop?

Voorbeeld:
Nat (uit: ‘Superguppie’ vanE. van de Vendel):
Rihe tzi ki,
jib the butindbea.
Ath tspa inet,
ki tzi tsli.
Ik kned ana twa ki liw.
Ki ozu nva llase nkunne ijzn:
ene rikkke
fo nee egtjonej.
Nawt twa si the lshcervi?
Ed spolns,
teh gstpreoenj.

Spreekwoordenspel

Eén deelnemer bedenkt een spreekwoord, zoekt er een op in het spreekwoordenboek of kies ‘m uit het spreekwoordenspel van Kasper Boon. Door middel van gebaren en geluiden beeldt hij of zij het gekozen spreekwoord uit. De groep probeert te raden om welk spreekwoord het gaat. Bespreek na afloop de betekenis van het spreekwoord.

De keizer van China houdt van …

In dit spel gaat het erom een patroon te ontdekken. Eén van de deelnemers (of de leerkracht) bedenkt een patroon of regel, bijvoorbeeld ‘De keizer van China houdt alleen van woorden van vijf letters’ of ‘De keizer van China houdt alleen van woorden die beginnen met een klinker’. Deze deelnemer begint het spel door de groep een aanwijzing te geven, zoals: De keizer houdt van uien, maar niet van prei’. Door vragen te stellen moet de groep erachter komen wat het patroon of de regel is. De vragen mogen alleen met ‘ja’of ‘nee’ beantwoord worden. Voorbeeldvragen: ‘Houdt de keizer van sla?’ ‘Houdt de keizer van fietsen?’ ‘Of van autorijden?’
Een deelnemer mag maar één keer raden naar de juiste oplossing.
Wie fout raadt, doet niet meer mee.

Wie-wat-waar…

Verdeel de deelnemers in zes groepen en het bord in zes kolommen. Vraag elke groep zes woorden te bedenken voor één van de kolommen:
1. Personen (mijn vader, de buurman, de soldaat…);
2. Emoties (bang ,boos, blij);
3. Werkwoorden (werkt, fiets, schrijft);
4. Zelfstandig naamwoorden (boek, bord, appel);
5. Bijvoeglijk naamwoorden of bijzonderheden (geel, gestippeld, snel…);
6. Plaatsen (op straat, in de keuken, in Frankrijk…).
Schrijf de woorden in de verschillende kolommen en laat de deelnemers zinnen bedenken met steeds uit elke kolom een woord. Gebruik de zinnen vervolgens om bij te tekenen of een verhaal mee te verzinnen.

Acroniem: Wie ben ik?

Vraag de deelnemers hun naam verticaal op te schrijven, de letters onder elkaar. Vervolgens maken ze met elke letter een woord, zodat een acroniem (of ‘woudlopersnaam’) ontstaat. De woorden geven eigenschappen, voorkeuren, talenten of kenmerken van de deelnemer weer. De leerkracht of spelleider haalt de acroniemen op en schrijft per naam de woorden in willekeurige volgorde op het bord. De andere deelnemers mogen nu raden: wie is het?
Het spel kan ook met dierennamen gespeeld worden.

 

De wereld is vol dwaasheid

Afgelopen zondag, 26 maart, gaf ik de tweede maandelijkse workshop Zines maken rondom Erasmus in de Centrale Bibliotheek Rotterdam – aansluitend bij de Erasmus Experience die op de derde verdieping van de Centrale Bibliotheek doorlopend te bezoeken is. (Een verslag van de eerste zine vind je hier.)

In deze tweede workshop lieten we ons inspireren door de Lof der Zotheid, het meest bekende boek van Erasmus, dat hij schreef in 1509. Het boek gaat enerzijds over hoe belangrijk dwaasheid is in het leven, want als alles en iedereen serieus zou zijn was het leven ondraaglijk. Anderzijds laat het zien dat we als mensen al behoorlijk dwaas zijn: we proberen iets van het leven te maken, maar veel dingen die we doen, denken en willen zijn eigenlijk best gek.

In de workshop hebben we kort nagedacht over de dwaasheid van de mensen en het leven. Vervolgens hebben we dwaze portretten gemaakt in collagetechniek. Ook daarbij was Erasmus de inspiratiebron: hij gaf in de Lof der Zotheid immers de zotheid een gezicht en liet Vrouwe Zotheid zelf aan het woord om de dwaasheid van mensen te benoemen, te bekritiseren en te eren.

De tweede Erasmus zine is een boekje vol dwaze koppen geworden:

De volgende Erasmus zine maken we op 30 april om 14:00u in de Centrale Bibliotheek Rotterdam, tweede verdieping. Wees welkom!

Heel de wereld je vaderland

Stemmen doen we vandaag alleen voor onze eigen regering, maar volgens Erasmus was ‘heel de wereld je vaderland’. Wat we doen en laten, waar we voor kiezen, houdt niet op bij onze landsgrenzen. We zijn wereldburgers geworden, met de aarde als vaderland.

De tekst “Heel de wereld is je vaderland” is een van de adagia van Erasmus. Gedurende zijn leven las Erasmus Griekse en Latijns teksten uit de Oudheid, waaruit hij spreekwoorden verzamelde. Die verzamelingen, bestaande uit uiteindelijk meer dan 1400 spreekwoorden, publiceerde hij onder de titel ‘Adagia’.

Dit voorjaar maak ik samen met jonge bezoekers van de Centrale Bibliotheek Rotterdam (en hun ouders) één keer per maand een Erasmus-zine. Een zine is een klein boekje, een soort mini-magazine, waarin je op eenvoudige wijze je ideeën deelt. We maken de zines in korte workshops op de zondagmiddag, waarin we op speelse wijze de verbinding zoeken met Erasmus en met de onderwerpen die hij belangrijk vond. Vervolgens geven we onze gedachten weer in tekst en beeld in de zines, die eenvoudig per kopieerapparaat te reproduceren zijn en daardoor te presenteren aan andere bibliotheekbezoekers. De activiteit sluit aan bij de Erasmus Experience, die op de derde verdieping van de Centrale Bibliotheek doorlopend te bezoeken is. Zie ook: www.erasmushoudjescherp.nl.

De eerste zine maakten we op zondag 25 februari en had als inspiratiebron de Adagia van Erasmus. Pret met spreekwoorden, altijd leuk. Nu is ‘adagia’ het meervoud van ‘adagium’, wat meer nog de betekenis heeft van een levensmotto of wijsgerige spreuk. De opdracht aan de deelnemers was dan ook om een spreekwoord te bedenken dat goed past bij hoe zij in het leven staan, als een soort motto.
Om de ‘spreekwoordspieren’ wat op te warmen speelden we eerst het spreekwoordenspel:

Toen de deelnemers wisten welk spreekwoord ze wilden weergeven in de zine, hebben ze kort geoefend met handlettering om hun spreekwoord mooi weer te geven. Deze populaire, ambachtelijke manier van vormgeven van quotes past immers goed bij de adagia en spreekwoorden. En na een uurtje workshoppen was de eerste Erasmus-zine een feit.

 

De volgende Erasmus-zine maken we op 26 maart om 14:00u in de Centrale Bibliotheek Rotterdam, tweede verdieping. Wees welkom!

Ook de spreekwoordspieren trainen? Of je verdiepen in de Adagia van Erasmus?

 

 

Erasmus-blog (6) – Pokémon Go

In de weken voorafgaand aan de opening van de Erasmus Experience werkte ik met de Vossengroep (plusklas) van basisschool Het Landje aan een Erasmus-blog, waarbij we in de huid kropen van een jonge Erasmus die nadenkt over het leven en de wereld in onze tijd. In deze aflevering een post over Pokémon Go, geschreven door Romaisa.

Hallo,

Tot mijn grote verbazing zag ik vandaag allemaal Pokémon Go Spelers op straat. Eerst wist ik helemaal niet wat Pokémon Go was. Ik kwam een meisje tegen die Pokémon Go speelde. Ik vroeg nieuwsgierig wat het spel inhield. Zij vertelde het en ik luisterde aandachtig naar haar verhaal. Nadat zij was uitgesproken keek ik haar aan en vroeg of ze Chinees sprak, want daar leek het wel op. Ze vertelde: “Ik vang Pokémons in de virtuele wereld en vecht tegen andere Pokémon trainers”. Ook dit begreep ik niet. Daarom vroeg ik aan haar wat de virtuele wereld was en ze zei: “De virtuele wereld is een wereld in een game”. Ik dacht dat er alleen de echte wereld en de hemel bestonden! Haar antwoord hierop was dat er mensen zijn die niet meer zonder de virtuele wereld kunnen.

Ik vraag me af waarom mensen in deze tijd een virtuele wereld nodig hebben, ik kan best zonder. Vroeger konden de meest mensen het woord Pokémon Go niet eens spellen. Ik snap niet waarom mensen verslaafd kunnen worden aan Pokémon Go etc. In mijn jeugd moest je zelf iets verzinnen om je zelf te vermaken en mensen in deze tijd zouden niet eens een week zonder hun telefoon of gamecomputer kunnen. Videogames zijn ook zo gewelddadig. Geweld is in deze tijd niks meer vergeleken met in mijn tijd!

De mensen in deze tijd lijken echt helemaal doorgedraaid. Pokémon, Pokémon en nog eens Pokémon. Ze beginnen zelf op een Pokémon te lijken. En die namen ook: Nidoqueen , Magikarp, Hypno, hoe kom je erop?! Ik zou eens een boek moeten schrijven over die Pokémonfans en dan zou het Lof der Pokémon heten. Steden vol met Pokémonfans, treinen vol, pretparken vol. Dan heette Nederland geen Nederland meer, maar Pokémonland.

Lieve vrienden, in de krant las ik dat iemand is verdronken, omdat hij in een meer viel toen hij Pokémon aan het spelen was. Zoveel ongelukken door Pokémon, echt ongelofelijk! Ik heb mijn buik vol van die Pokémons. Ik ben onder de indruk van de virtuele wereld. Het is leuk, maar raak er niet aan verslaafd. Richt je ook op andere dingen. Denk ook aan de echte wereld en wat je daarin kunt doen en betekenen. Je leeft tenslotte maar één keer. Besteed die ene keer goed en verspil hem niet. Laat je niet verleiden door wat er om je heen gebeurt.

Groetjes, Erasmus