Gedichten in de klas: Poëzieweek 2019

Op 31 januari is het Gedichtendag: de start van de Poëzieweek. Tijdens de Poëzieweek worden onder andere de Herman de Coninckprijs en de VSB Poëzieprijs uitgereikt en vinden de Nederlandse Kampioenschappen Poetry Slam plaats. Bovendien organiseren poëzieliefhebbers op eigen initiatief op vele plekken in Nederland en Vlaanderen honderden poëzieactiviteiten.

Annelies Goedhart en ik zijn twee van die poëzieliefhebbers en hebben speciaal bij het thema ‘Vrijheid’ van deze Poëzieweek een lessuggestie geschreven voor poëtische creativiteit in taal en beeld. Bedoeld voor kinderen vanaf de middenbouw. Liever deze les als workshop in de klas? Neem dan even contact op over de mogelijkheden.

Een gedicht over vasthouden of vrijlaten

Knolletjes sokken

Gek dat mensen
sokken gevangenhouden
in het donker van hun kasten.
Tot pijnlijk strakke knolletjes gedraaid
in een achterwaartse salto
flikflak met dubbele knopen
alsof iedereen bang is
dat ze weg willen lopen.

Maar sokken
hoef je niet te mishandelen,
want zonder voeten
houden ze niet van wandelen.

Gedicht: J. Robben
Uit: ‘Zullen we een bos beginnen?’
Uitgeverij De Geus, Breda 2008

Stap 1: Het gedicht lezen en bespreken

 Lees het gedicht in de groep een paar keer door en voor –
eerst de leerkracht, daarna enkele kinderen. Vraag je samen af:

  • Zitten sokken gevangen in onze klerenkast?
  • Zijn sokken vrij als ze aan je voeten zitten en met je meelopen?
  • Wat betekent vrijheid?
  • Wanneer voel jij je vrij? En wanneer niet?
  • Kunnen spullen/dingen vrij of gevangen zijn?

alsof iedereen bang is
dat ze weg willen lopen

  •  Heb jij iets (een voorwerp, een bezitting) waar je zuinig op bent en wat veel waarde heeft voor jou? Wat is dat?
  • Ben jij wel eens bang geweest om dit kwijt te raken of te verliezen?
Stap 2: schrijven en voordragen

Iedere leerling maakt een lijstje op een oefenpapier:
beschrijf drie voorwerpen/bezittingen op die voor jou waardevol zijn en waar je zuinig op bent.

Bijvoorbeeld:

  1. het fotolijstje dat ik ooit van mijn oma heb gekregen
  2. de bijzondere schelp die ik heb gevonden op het strand
  3. de droomvanger die mijn vriend voor mij heeft gemaakt

Iedere leerling kiest vervolgens één van de voorwerpen van haar/zijn lijstje uit en schrijft hier één of meerdere zin(nen) bij.

Maak de zin af :

(het voorwerp) is mij dierbaar omdat . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Bijvoorbeeld:

de bijzondere schelp  is mij dierbaar
omdat ik het zelf heb gevonden
omdat hij glimt
omdat hij van kleur verandert in het zonlicht
omdat hij zowel ruw als glad is
omdat hij vreemd van vorm is
omdat hij is aangespoeld uit de oceaan
omdat hij het huis van een dier was
omdat hij me doet denken aan mijn reis

Schrijf je mooiste zinnen onder elkaar als een kort gedicht.

Tenslotte dragen de leerlingen hun zinnen of gedichten aan elkaar voor.

Stap 3: Beeldende uitwerking

Benodigdheden:

  • één luciferdoosje per leerling
  • 160 grams papier gesneden in stroken ter hoogte van een luciferdoosje
  • 160 grams papier gesneden op formaat van de buitenkant van een luciferdoosje
  • fineliners of andere fijne schrijfpennen
  • kleurpotloden
  • stempels / verf / of ander materiaal om het doosje mee te versieren
  • lijm

  1. Vouw een leporello-boekje van je strookje papier zodat het precies past in je luciferdoosje.
  2. Schrijf je zin (of de mooiste/belangrijkste zin uit je gedicht) op het strookje (in je leporello-boekje).
    Laat de laatste bladzijde leeg voor je tekening.

  1. Teken op de laatste bladzijde van je boekje jouw dierbare voorwerp.
  2. Plak het boekje vast in je luciferdoosje. Lijm de achterkant van je eerste bladzijde aan de binnenkant van je doosje.
  3. Versier de buitenkant van het luciferdoosje zodat je kan zien hoe waardevol het is voor jou.
  4. Maak een miniatuur-tentoonstelling in de klas zodat iedereen elkaars waardevolle doosje kan lezen, bekijken en bewonderen.

Humor: Shel Silverstein

Grappige dichters

Er zijn veel grappige dichters in Nederland. Annie M.G. Schmidt, Edward van de Vendel, Ted van Lieshout, Joke van Leeuwen en Erik van Os, om er maar een paar te noemen. Er valt hier best wat te lachen. Ook met Jules Deelder, die het Poëziegeschenk schreef.
Maar als tip voor de klas in de Poëzieweek 2017 (van 26 januari tot 1 februari), die als thema Humor heeft, vraag ik jullie aandacht voor de Amerikaanse schrijver, dichter en tekenaar Shel Silverstein. Hij is in Nederland vooral bekend dankzij zijn prentenboek De gulle boom, het tweede van zijn hand dat werd uitgegeven – in 1964.

Silverstein werd geboren in 1930, groeide op in Chicago. Hij werd cartoontekenaar, schrijver, dichter, singer-songwriter, muzikant. Zijn gedichten, maar ook zijn tekeningen, kenmerken zich door humor: door het taalgebruik, het taalspel en de interactie tussen tekst en tekeningen. Tussen alle grappigheid door is er ook vaak nog iets om dieper over na te denken.

Drie gedichten – lezen, filosoferen en illustreren

Onderstaand drie humoristische gedichten van Shel Silverstein, om (voor) te lezen. Vervolgens kun je aan de hand van de filosofische vragen samen nadenken over humor. Tot slot een tutorial om bij de gedichten grappige illustraties te maken in de stijl van Silverstein.

Zeg

Zeg dat ik fantastisch ben,
Briljant, gevat, sociaal,
Gevoelig, handig, grappig en
Bijzonder geniaal.
Zeg dat je zo’n wonderkind
Als ik maar zelden ziet.
Zeg dat je me super vindt,
Maar liegen mag je niet.

Gedicht: Shel Silverstein
Vertaling: Marjolein Kool
Uit: ‘Ik val omhoog’ (Uitgeverij De Fontein, Baarn 1998)

Ze zeggen

Ik heb mijn opa’s ogen,
Mijn neus is van mijn pa,
Mijn haar is van mijn moeder,
Dat roept iedereen me na.
Ik ben steeds van een ander,
Dat vind ik zo gemeen.
Straks is alleen mijn achterwerk
Het werk van mijn alleen.

Gedicht: Shel Silverstein
Vertaling: Marjolein Kool
Uit: ‘Ik val omhoog’ (Uitgeverij De Fontein, Baarn 1998)

Vreemd restaurant

Ik zei: ik blief een stukje bief.
En zachtjes klonk het: boe.
Toen keek ik op en schrok me rot,
De kelner was een koe.

Ik schreeuwde: nee! Bief? Weg ermee!
Maar kip laat ik niet staan.
Toen hoorde ik: dat pik ik niet.
De barman was een haan.

Ik zuchtte: fout, geen kippenbout,
Als er maar zeebaars is.
Toen keek ik door de keukendeur:
De chef-kok was een vis.

Ik gilde: is hier alles vis,
Gevogelte of rund?
Dan wil ik enkel een dessert,
Ik neem een slagroompunt.
Oh nee, zei men toen zeer bezwaard,
De directrice is een taart.

Gedicht: Shel Silverstein
Vertaling: Frank van Pamelen
Uit: ‘Ik val omhoog’ (Uitgeverij De Fontein, Baarn 1998)

Filosoferen over humor

Startvragen:

  • Welke van de drie gedichten vind je het grappigst? Waarom is dat?
  • Is er ook een gedicht bij dat je niet (zo) grappig vindt? Hoe komt dat?

Verdiepingsvragen:

  • Wat betekent humor?
  • Wanneer heeft iemand gevoel voor humor?
  • Is gevoel voor humor ergens goed voor? Waarom vind je dat?
  • Hoe kan het dat niet iedereen hetzelfde grappig vindt?
  • Bestaat er iets wat iedereen grappig vindt?
  • Wat vind je grappiger: de werkelijkheid of fantasie? Waarom?
Illustreren: Laat je inspireren door Shel Silverstein