Netwerk Cultuureducatie Hoeksche Waard

Blogserie: Vakgenoten

Zelfstandig, maar in goed gezelschap. Zo ervaar ik mijn werk als zzp’er in illustratie, cultuur en educatie. Ik werk graag alleen, maar geniet ook van samenwerken, sparren, onderzoeken en uitwisselen met vakgenoten. Voor deze blogserie schreef ik eerder een paar interviews.  Deze keer geen interview maar een verslag van hoe ik met mijn vakgenoten in de Hoeksche Waard op zoek ging naar vrijheid, zelfstandigheid en professionaliteit in samenwerking.

Netwerk Cultuureducatie Hoeksche Waard

Op 1 oktober was de first release van de website CultuureducatieHW.nl – een website die het gezamenlijk aanbod aan cultuureducatie in de Hoeksche Waard in beeld brengt, structureert en verantwoordt aan de hand van culturele competenties.

Een mijlpaal in een proces van onderzoeken en ontwikkelen.
Waarom was dat nodig? Omdat de Hoeksche Waard een rijkdom heeft aan cultuureducatieaanbieders die samen scholen kunnen inspireren tot en faciliteren in cultuuronderwijs vanuit het lokale aanbod. Als netwerk staan de lokale aanbieders sterker ten opzichte van de grotere regionale cultuurinstellingen, kunnen ze elkaar aanvullen en samen het belang van cultuureducatie in beeld brengen. En het begin was er al, dankzij CmK.

Cultuureducatie met Kwaliteit

Sinds 2013 investeert het Fonds voor Cultuurparticipatie samen met lokale en regionale overheden in het cultuuronderwijs op scholen. Dat doen zij via de regeling Cultuureducatie met Kwaliteit. Ook in de Hoeksche Waard is die regeling al een paar jaar van kracht en zet Helma Wagemakers zich vanuit de Bibliotheek in om scholen en aanbieders van cultuureducatie met elkaar te verbinden. De regeling loopt nog tot 2020. In de lopende periode is het doel vooral scholen te ondersteunen bij het maken van cultuurplannen en  leerkrachten bij te scholen op het gebied van kunst en cultuur. Daarnaast is het belangrijk dat de verbindingen die CmK heeft gelegd tussen scholen en cultuuraanbieders na 2020 een zelfstandig vervolg krijgen, zodat er een lokale voorziening van cultuuronderwijs op scholen bestaat.

Maar hoe realiseer je dat? En hoe waarborg je zo’n vervolg? Het professionele veld van cultuureducatieaanbieders bestaat uit kunstenaars, kunstvakdocenten, culturele ondernemers en culturele organisaties zoals het museum, de bibliotheek en muziekverenigingen. Niet alleen in discipline en aanbod divers, maar ook in organisatievorm: eenpitters, zzp’ers, kleine ondernemingen, openbare organisaties, verenigingen, stichtingen. Als snel bleek dat het streven niet moest zijn om één organisatie te vormen, maar dat we op zoek moesten naar een concept dat ruimte biedt voor die diversiteit. Een concept dat bovendien helderheid biedt over het gezamenlijke aanbod en hoe scholen daarmee invulling kunnen geven aan volwaardig cultuuronderwijs.

Een werkgroep bestaande uit Dionne Frijns (Theaterbureau Frijns), Frieda de Rhoter (Rho Toneel), Dennis Happé (beeldend kunstenaar, Denns Werk), Helma Wagemakers (CmK) en ikzelf ging aan de slag met het brainstormen over leerlijnen, promotie, fondswerving en organisatievormen. Er kwam een concept in beeld waarin de lokale aanbieders in alle vrijheid een netwerk vormen. Het aanbod presenteren zij op een gezamenlijke website die een leerlijnenkader biedt voor scholen. Via een aanpalende stichting kunnen nieuwe initiatieven en gezamenlijke projecten gefinancierd worden. Voor de cultuureducatieaanbieders werkt dat op deze manier:

Leerlijnenkader en culturele competenties

De aanbieders wilden meer dan samenwerken in een netwerk of website. Om een professionele impuls te geven aan het cultuuronderwijs op scholen wilden we inzichtelijk maken hoe het gezamenlijk aanbod bijdraagt aan de ontwikkeling van kinderen en hoe scholen vanuit dat aanbod hun cultuuronderwijs kunnen vormgeven. Maar liever niet door het aanbod te forceren in prescriptieve, theoretische leerlijnen. Door een ander perspectief te kiezen ontstond er ruimte om te denken vanuit culturele competenties. Cultuureducatie gaat immers verder dan lekker knutselen, een instrument leren bespelen of een voorstelling bezoeken. Op basis van literatuur- en bronnenonderzoek zijn we tot de beschrijving van negen culturele competenties gekomen: beleven,  creatief denken, kind als kunstenaar, sociale en emotionele vaardigheden, zelfstandig werken, ambacht en instrument, presenteren, reflecteren en context.

Iedere kunstenaar, kunstvakdocent of cultureel ondernemer ontwikkelt zelf activiteiten binnen zijn of haar expertise. Bij elk project, programma, workshop of training geeft hij of zij aan welke culturele competenties van toepassing zijn. De competenties gelden vervolgens als de bouwstenen om leerlijnen te ontwikkelen. Willen scholen met hun cultuuronderwijs kinderen zoveel mogelijk verschillende culturele competenties meegeven? Dan bouwen zij in de breedte. Willen ze verdiepen en specifieke vaardigheden vanuit verschillende activiteiten en disciplines versterken? Dan stapel ze de bouwstenen op elkaar.
De ‘Culturele Kieswijzer’ op de website geeft scholen de mogelijkheid aanbod te zoeken op basis van doelgroep, discipline en competentie. Zo geven school zelf invulling aan hun leerlijnen cultuuronderwijs.
Een handige hand-out voor scholen geeft weer hoe dat werkt:

Meer weten?

Het netwerk- en leerlijnenconcept van de Hoeksche Waard is volgens mij eenvoudig toe te passen in andere (kleine) regio’s. Wil je zelf ook samenwerken met andere cultuuraanbieders om zo tot meer lokaal, professioneel cultuuronderwijs te komen? Laat je vooral inspireren door onze website of neem contact op bij vragen: werkgroep@cultuureducatiehw.nl of judith@ateliervandeverbeelding.nl.

NB. Weet je niet zeker of het iets voor je is? De afwegingen vind je in het onderstaande stroomschema:

 

 

 

 

Lesbrief Erasmus Experience

Ik was druk in deze eerste maanden van het nieuwe jaar. Met fijne opdrachten waarvan ik graag de resultaten laat zien. Ten derde: een lesbrief voor de Erasmus Experience.

Voor de Erasmus Experience in de Centrale Bibliotheek Rotterdam maakte ik eerder al het educatieprogramma Filosoferen met Erasmus.
Ook was ik betrokken bij de opening in september 2016 door
Koning Willem-Alexander, in een project met OBS Het Landje.
Hoe dat was lees je in mijn eerste blogs.

De Erasmus Experience nodigt de bezoeker uit om naar de wereld te kijken zoals Erasmus dat deed en (inter)actief kennis te maken met zijn gedachtegoed – door met Erasmus in dialoog te gaan, zelf na te denken en een mening te vormen over de onderwerpen die hem bezig hielden.

Een bezoek aan de Erasmus Experience is meer dan een tentoonstellingsbezoek. Het vraagt van de leerlingen denk- en dialoogvaardigheden. Prettig dus als de bezoekende leerkrachten en leerlingen daarop een goede voorbereiding hebben in de klas. Zodat ze nog beter kunnen ervaren wat de kritische dialoog en meningsvorming inhoudt. Daarom is er nu een lesbrief ontwikkeld die de groepen een korte en krachtige start geeft.

Behalve particuliere bezoekers en gezelschappen hebben inmiddels ruim 100 schoolklassen de experience bezocht. Die mijlpaal werd uiteraard gevierd.

Ook een bezoek brengen aan de Erasmus Experience? Kijk op Erasmushoudtjescherp voor bezoekersinformatie. Scholen vinden hier informatie over het educatieaanbod.

 

 

 

 

 

 

 

LOB-spel

Ik was druk in deze eerste maanden van het nieuwe jaar. Met fijne opdrachten waarvan ik deze week een paar resultaten laat zien. Ten eerste: Het LOB-spel.

In opdracht van Rotterdams Vakcollege De Hef maakte ik vorig jaar het LOB-spel. LOB staat voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding: leerlingen op de middelbare school krijgen informatie en begeleiding voor hun verdere loopbaan. De Hef is een echte vakschool en leidt haar leerlingen op tot de vakmannen en vakvrouwen van de toekomst. Dankzij het spel kreeg ik zicht op alle mooie beroepen die dat betreft.

Het spel is in opdracht van NPRZ (Nationaal Programma Rotterdam Zuid) in het kader van het project Bridge dit jaar opnieuw uitgebracht, zodat nog meer scholen, leerlingen en ouders er gebruik van kunnen maken. Ik was opnieuw betrokken bij de aanpassingen voor deze herdruk.

De leerlingen kunnen uit 140 beroepen hun voorkeur(en) selecteren en lezen op de achterkant van de kaart binnen welk werkveld het beroep valt en welke kwaliteiten erbij horen.

          

Behalve beroepenkaarten zijn er kwaliteitenkaarten, waarover de leerling met zijn of haar ouders of mentor in gesprek kan gaan. Welke kwaliteiten heb je? Ben je invoelend, gedisciplineerd, fantasierijk? En hoe verhouden die kwaliteiten zich tot de gekozen beroepen?

          

Beroepskeuze heeft niet alleen met voorkeuren en kwaliteiten te maken, maar ook met drijfveren. Wat motiveert je bij het werk? Waar voel je je goed bij? Wil je aanzien, invloed, zelfstandigheid of structuur?

          

 

DIY: gedichten schrijven in de klas

Zoals beloofd in de vorige post geeft Annelies Goedhart een handige hand-out om zelf gedichten te schrijven in de klas. Dat past mooi bij de Poëzieweek die start op 25 januari, maar kan natuurlijk ook op elk ander moment. Het stappenplan van Annelies geeft bovendien inzicht in hoe je zelf een les poëzieschrijven zou kunnen voorbereiden.
Dichten maar!

Een gedicht over deel en geheel

Het onderstaande gedicht ‘Genoeg’ van Hans en Monique Hagen is een beeldende tekst over deel en geheel, over jezelf en de wereld om je heen. De vorm en inhoud geven inspiratie voor het schrijven van een zogenoemd imitatio-gedicht, aan de hand van de 3 stappen die hieronder zijn beschreven. Tot slot is een korte suggestie gegeven voor een groepsgedicht.

Genoeg

duizend bomen is een bos
duizend druppels is de regen
duizend sprietjes is het gras
maar

hoeveel woorden heb ik
hoeveel belletjes van spuug
hoeveel tranen, hoeveel lach
hoeveel poep en hoeveel plas
hoeveel kusjes voor de nacht
zal ik nog krijgen en nog geven

genoeg
voor heel mijn leven

Hans en Monique Hagen (uit: Jij bent de liefste, Querido, 2000)

Stap 1: Het gedicht lezen en bespreken

Lees het gedicht in de groep een paar keer door en voor –
eerst de leerkracht, daarna enkele kinderen. Vraag je samen af:

  • Waar gaat de eerste helft van het gedicht over?
  • Waar gaat de tweede helft van het gedicht over?
  • Wat valt je op aan hoe het gedicht is geschreven, aan de vorm en aan de woorden?
Stap 2: creatief denken

Voor je een gedicht gaat schrijven helpt het om eerst creatief te denken over wat je wilt vertellen, over woorden en over zinnen. Dat kun je doen aan de hand van de volgende vragen.

Vragen bij de eerste helft van het gedicht:

  • één boom is een boom en ‘duizend bomen is een bos’
    Wat kunnen duizend bomen nog meer zijn? Waar zie je duizend bomen bij elkaar?
    Duizend bomen is . . . . . . . . .
  • één druppel is een druppel en ‘duizend druppels is de regen’
    Wat kunnen duizend druppels nog meer zijn?
    Duizend druppels is . . . . . . . . .
  • Kun je zelf een zin bedenken over de natuur? Denk aan stenen, blaadjes, sterren, vissen, vogels, koeien, wolven, mensen.
    Duizend . . . . . . . . . . . . is . . . . . . . . . . . . .

Vragen bij de tweede helft van het gedicht:

  • Kijk naar je lichaam. Uit welke delen bestaat je lichaam? Wat zit er allemaal in je lichaam?
  • Kun je zelf een nieuwe zin bedenken zoals in de tweede helft van het gedicht?
    Hoeveel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . heb ik?

Vragen voor de afronding van het gedicht:

  • Wat kan je krijgen van iemand en geven aan iemand?
  • Wat vind je zelf leuk om te krijgen?
    Bedenk een pakkende laatste zin voor je gedicht.
Stap 3: schrijven en voordragen

Schrijf nu, met behulp van alles wat je bij stap 2 hebt bedacht, je gedicht.
Gebruik eventueel dit werkblad.
Draag tenslotte de gedichten aan elkaar voor. Maak daarbij gebruik van de volgende drie tips:

  1. Sta stevig met je voeten op de vloer en haal rustig adem;
  2. Houd je tekst met twee handen vast voor je buik. Zo kun je contact houden met het publiek en kan iedereen je goed horen;
  3. Speel bij het voordragen met je stemgeluid en gezichtsuitdrukking.
Suggestie: een groepsgedicht

Bespreek het inspiratiegedicht (zie stap 1) en bedenk, individueel en samen, eigen zinnen aan de hand van de vragen in stap 2. Schrijf de zinnen op strookjes papier.
Lees de zinnen aan elkaar voor. Kies een aantal zinnen uit en maak daaruit, door de strookjes onder elkaar te leggen, een groepsgedicht. Speel en puzzel met de zinnen tot je de meest krachtige volgorde hebt gevonden.

 

Meer poëzie in de klas?

Wil je een workshop van Annelies in de klas? Kijk dan op www.drukjeuit.nl.

Meer mooie gedichten van Hans en Monique Hagen:

 

 

Poëzie in de klas: Annelies Goedhart

Blogserie: Vakgenoten

Zelfstandig maar in goed gezelschap. Zo ervaar ik mijn werk als zzp’er in illustratie, cultuur en educatie. Ik werk graag alleen en geniet ook van samenwerken, sparren, onderzoeken en uitwisselen met vakgenoten. Op mijn blog deel ik mijn ideeën en ervaringen. In een serie interviews nodig ik mijn vakgenoten uit om dat eveneens te doen en vraag ik ze op de mens af wat hen motiveert, hoe ze werken en wat ze ons vanuit hun ervaring in het vak kunnen leren.

Deel 1: Annelies Goedhart

Op 25 januari start de Landelijke Poëzieweek. Annelies Goedhart kent de ins-and-outs van het schrijven van poëzie met basisschoolleerlingen als geen ander. Ze geeft sinds 2006 les op het gebied van creatief schrijven (waaronder poëzie), taalvorming en taaldrukken. Haar aanbod en werkwijze vind je op Drukjeuit.nl.
In dit eerste deel van de blogserie Vakgenoten vertelt Annelies over de betekenis van poëzie en creatief schrijven voor leerlingen in het basisonderwijs. In de hiernavolgende blogpost geeft Annelies inspiratie om zelf aan de slag te gaan met het lezen en schrijven van gedichten tijdens de Poëzieweek.

 

“Al mijn werkzaamheden via ‘Druk je uit’ dienen een duidelijk doel. Ik wil dat mijn deelnemers hun stem vinden, hun woorden vinden en vertrouwen krijgen in het verhaal dat ze vertellen. Ik wil kinderen creatief laten spelen met taal en ze duidelijk maken dat er niet één manier is om dat te doen. Samen gaan we op zoek naar een vorm en stijl die bij hen past.”

Ik maak gebruik van verschillende werkwijzen en werkvormen, maar de basis ligt in taalvorming en taaldrukken. Een bestaand concept waarmee ik leerde werken bij de Taaldrukwerkplaats in Rotterdam. Taalvorming werkt vanuit een taalronde, waarin alle taalvaardigheden geïntegreerd aan bod komen: spreektaal, schrijftaal, beeldtaal, lichaamstaal. We starten met een gesprek over een onderwerp waar iedereen ervaring mee heeft. Alle kinderen kunnen meedoen. Ze voelen zich door het onderwerp aangesproken om iets met elkaar te delen, zijn enthousiast om te vertellen wat hun ervaring is. Doordat we er samen over praten is het schrijven vervolgens makkelijker.
Taalvorming heeft een duidelijk stappenplan. Je begint met spreektaal, vervolgens ga je naar de schrijftaal. Kinderen die denken dat ze niets kunnen bedenken om te schrijven hebben een opstapje: ze schrijven gewoon op wat ze net in de kring hebben verteld. Vervolgens ga je met die geschreven tekst aan de gang. Eerst herschrijven, om de tekst begrijpelijker en sterker te maken. Daarna maken we de tekst nog krachtiger met een illustratie. De beeldtaal versterkt de schrijftaal.
Dan is het proces van Taalvorming afgerond en start het Taaldrukken. We verwerken de teksten en beelden tot een boek of tot een poster. Verschillende druktechnieken maken het mogelijk om in oplage te werken. In een klas van 30 kinderen heeft dan uiteindelijk iedereen zijn tekst geschreven en geïllustreerd, bijvoorbeeld in sjabloontechniek, die we vervolgens in een oplage van 30 in de klas afdrukken. We vermenigvuldigen en verspreiden het werk van de kinderen en zo ervaren zij dat hun tekst van waarde is. De posters hangen in de school, de boekjes gaan mee naar huis. Er is een publiek voor hun werk. (Groot)ouders, docenten en andere kinderen lezen het. Dat is magisch! En dat geldt ook als ze hun werk voordragen. Dat is spannend, of zelfs eng voor velen. Maar het geeft voldoening. En zelfvertrouwen, wanneer ze het gedaan hebben. De complimenten die ze krijgen en elkaar geven doet ze goed.”

“Gebaseerd op de taallessen op school hebben kinderen een idee en verwachting van werken met taal. Als ik in de klas kom, neem ik een andere ingang: creatieve taal en presentatie. Daardoor kunnen de kinderen naast de noodzakelijke reguliere taallessen op een andere, creatieve wijze met taal bezig zijn en taalplezier beleven. Want als je poëzie schrijft, hoeft je tekst niet te voldoen aan strikte regels. Je kunt je meer vrijheden veroorloven. Je mag er in een gedicht voor kiezen om geen hoofdletters of punten te gebruiken. Je mag in gedichten woorden combineren die je normaal niet samen gebruikt. Je mag zeggen dat ‘zonnestralen dansen’. Je kunt je eigen woorden bedenken, je kan spelen met woorden.
Toch benoem ik meestal niet letterlijk dat we poëzie gaan schrijven, tenzij we werken met een vast dichtvorm zoals een rondeel of haiku. Want wat is de definitie van een gedicht? Er is veel meer vrijheid als ik kinderen vraag om ‘3 tot 5 korte regels te schrijven’. Zo zijn ze niet belemmerd door hun idee van wat een gedicht moet zijn. Op het juiste moment bespreken we samen wat een gedicht allemaal kàn zijn.

Leerkrachten zijn vaak verrast over wat er in de lessen gebeurt. Zowel over de werkwijze als over het resultaat. Omdat ik het schrijven stap-voor-stap begeleid, doen ook de kinderen mee van wie zij het niet verwachten, de kinderen die moeite hebben om zich te uiten of moeite hebben met taal. Om ook de ‘pluskinderen’ voldoende uit te dagen benoem ik wel bepaalde aspecten van poëzie, zoals alliteratie en assonantie. Je ziet dan dat zij dat direct toepassen in hun gedichten. Maar aan het einde van de les hebben alle kinderen een tekst, een gedicht geschreven. Dat vind ik belangrijk: schrijven en taal zijn voor iedereen.”

“Niet slechts enkele mensen zijn schrijvers. Iedereen heeft zijn eigen woorden, zijn eigen verhaal. Dat wil ik kinderen meegeven. Iedereen kan schrijven.”

“Bestaande poëzie van Nederlandse dichters vormt meestal het startpunt van mijn lessen, de inspiratiebron. Aanvankelijk werkte ik veel met korte verhalen, bijvoorbeeld van Toon Tellegen. Dan ging het vervolgens om het duiden van het verhaal, voordat we over de eigen ervaringen spraken. Tegenwoordig werk ik vooral met gedichten. Dat is ten eerste omdat ik ervan geniet en het mij inspireert. Ik kan het vol passie doorgeven aan de kinderen. Ten tweede is een gedicht kort en krachtig. Heel functioneel, want veel kinderen hebben nu eenmaal een korte spanningsboog. Ook laat het ze zien dat een tekst die ze zelf schrijven kort en bondig mag zijn, het hoeft niet zo uitgebreid.
Een gedicht heeft bovendien meerdere lagen en betekenissen. Kinderen kunnen hun eigen betekenis eraan geven en daar met elkaar over in gesprek gaan. Ze leren dat iedereen anders kijkt en luistert.

Ik merk vaak dat kinderen niet erg bekend zijn met poëzie. Er zijn weinig gelegenheden waarbij ze in aanraking komen met poëzie. Toch houden ze er wel van. Als ik aan het einde van een workshop of gastles vraag wat ze hebben geleerd, zeggen ze dat ‘gedichten schrijven eigenlijk heel leuk is’ en dat ze ‘nu begrijpen wat een gedicht is’. Op een school waar ik al een aantal jaren werk, de Oscar Romeroschool in Rotterdam, is inmiddels een vaste groep kinderen die er na schooltijd voor kiest om bij mij te komen schrijven. Dat zijn kinderen die echt houden van het schrijven van poëzie. Eén van hen, een jongen uit groep 8, is dol op het schrijven van haiku’s. Vaak schrijft hij behalve de gegeven opdracht ook een paar haiku’s over het onderwerp. Dat is geweldig om te zien. De haiku is zijn vorm. Daar geniet hij van. Hij schrijft krachtige teksten.

Ik heb in mijn werk op Rotterdamse scholen regelmatig te maken met kinderen die thuis een andere taal spreken dan op school, die tweetalig zijn of het Nederlands als tweede taal hebben. Kinderen die moeite hebben met taal, met grammatica en spelling, met spreek- of schrijfvaardigheid. Ze beginnen vaak al met een achterstand, moeten een inhaalslag maken op school. Ik kan me in hen verplaatsen omdat ik zelf tweetalig ben opgegroeid. Aanvankelijk spraken we vooral Engels thuis, eenmaal op school struikelde ik over het Nederlands. Hierin ligt een deel van mijn motivatie: ik wil voor deze kinderen de drempel verlagen om zich in taal uit te drukken, ze succeservaringen laten beleven zodat ze er meer vertrouwen in krijgen. Dat doe ik door lessen in creatief schrijven, maar bijvoorbeeld ook met lessen Schrijfdans die tot doel hebben fysiek ontspannen te leren schrijven.
De opbouw van mijn lessen dienen hetzelfde doel. Drukke kinderen, kinderen die moeite hebben zich te concentreren of te organiseren, zijn vaak opvallend creatieve kinderen. Maar je moet ze wel begeleiden in het zetten van de juiste stappen om tot schrijven te komen. Dan blijkt pas dat ze het kunnen. Ik heb gezien dat structuur en veiligheid belangrijke voorwaarden voor kinderen zijn om te kunnen schrijven. En het stellen van de juiste vragen. Als je specifieke vragen stelt, krijg je ook specifieke antwoorden. Als een schrijfopdracht luidt: ‘Schrijf maar iets leuks over jezelf’ kan niemand daar iets mee. Kinderen al helemaal niet. Ik vraag door, vraag kinderen om zo precies mogelijk te vertellen. Wat hoor je, wat zie je? Hoe klinkt dat precies, hoe ziet er eruit? Geef aandacht aan details. En ik heb leren luisteren. Wat wordt er nou echt gezegd? Wat bedoelen ze daarmee? Ik vraag door totdat ik de kinderen begrijp en zijzelf begrijpen dat details ertoe doen. Dan pas worden teksten boeiend om te lezen.

Natuurlijk zijn er kinderen die talent hebben voor taal en voor schrijven. Maar in mijn werk valt me op dat als het taal betreft, kinderen heel uiteenlopende talenten kunnen hebben. Sommigen zijn vlotte sprekers, anderen gemakkelijke schrijvers, weer anderen kunnen zich bijzonder krachtig uitdrukken in beeldtaal of lichaamstaal. Als je kinderen diverse mogelijkheden biedt om zich uit te drukken, zal ieder kind een vorm ontdekken waarin hij of zij talent heeft. De andere werkvormen zijn dan vaardigheden die je kunt oefenen. Maar je uitdrukken in taal is zo essentieel menselijk – ik geloof dat iedereen dat kan, op zijn manier.”

“De mens heeft een basale behoefte tot communiceren, tot zich verbinden met anderen. Iedereen wil met anderen zijn verhaal delen en zich uitdrukken. Taal, gesproken of geschreven, beeldtaal of lichaamstaal, is de manier waarop we dat doen.”

 

Annelies Goedhart is vakdocent Taalvorming en Taaldrukken, Tamalpa Practitioner en grafisch vormgever.  Ze woont en werkt in Rotterdam.

 

Creativiteit voor een betere toekomst

In Museum Boijmans van Beuningen bezocht ik afgelopen vrijdag de tentoonstelling Change the System, waarin werk te zien is van vijftig ontwerpers met de ambitie de wereld te veranderen. Het museum richt daarmee de aandacht op de veranderkracht van creativiteit. De ontwerpers zijn geïnspireerd door maatschappelijke en mondiale thema’s en uitdagingen zoals vervuiling, conflicten en schaarste van grondstoffen.

De tentoonstelling is een uitnodiging aan het publiek om mee te denken. In verschillende Labs voeren ontwerpers experimenten uit waarbij ze het publiek betrekken. Ook kan het publiek via sociale media zelf een bijdrage leveren en reageren op projecten uit de tentoonstelling.

Maatschappelijke issues als bron van inspiratie voor kunst en design

Maatschappelijke vraagstukken zijn al langer een bron van inspiratie voor kunstenaars, bijvoorbeeld in de geëngageerde kunst. Daarbij gaat het er de kunstenaar om misstanden in beeld te brengen en het publiek bewust te maken. Het is kunst die vragen oproept over de wereld waarin we leven, maar niet noodzakelijk een antwoord of oplossing wil bieden. In theorie is design een discipline die wel naar antwoorden en oplossingen zoekt. Wellicht spreekt Boijmans daarom van ‘ontwerpers’ en niet van ‘kunstenaars’ in de tentoonstelling Change the system, hoewel de grens daartussen in sommige werken diffuus is.

Maar brengt het geven van creatieve oplossingen meer verandering teweeg dan het stellen van kritische vragen? Dat kun je je afvragen, zeker waar het gaat om unieke ideeën die vooral getuigen van de creativiteit van de ontwerper, maar niet direct navolging zullen of kunnen krijgen. Vaak is zo’n oplossing dan opnieuw een installatie of object dat vooral dient om het publiek aan het denken te zetten. Over de problematiek, of zoals in de tentoonstelling van Boijmans, over onze eigen oplossingen.

 

Foto: Change in context. Tijdlijn samengesteld in samenwerking met M. van Helvert op basis van haar boek ‘The responsible object: A History of Design Ideology for the Future’. Uit de tentoonstelling Change the System.

Creativiteit is een competentie

Dat huidige mondiale en maatschappelijke issues uitnodigen tot creativiteit staat buiten kijf. Dat heeft te maken met urgentie, met het geloof in maakbaarheid, met het menselijk streven naar vooruitgang. En problemen nodigen nu eenmaal uit tot het denken over oplossingen. De enorme creativiteit die ontwerpers tentoonspreiden ten aanzien van die mondiale problemen is hoopgevend. Die getuigt van vindingrijkheid, van innovatie, van de erkenning dat standaardoplossingen niet meer voldoen en nieuwe en ongebruikelijke ideeën nodig zijn. Het is daarom niet verwonderlijk dat creatief denken  binnen het onderwijs gezien wordt als een van de zogenoemde ‘vaardigheden van de 21e eeuw’. Daarbij is het uitgangspunt dat creativiteit geen talent is, maar een competentie die iedereen kan ontwikkelen. De verschillende modellen die daarvoor bestaan veronderstellen een aantal basisvaardigheden: creatief waarnemen, flexibel associëren, uitstellen van oordeel, divergeren en verbeelden.

Creativiteit vergt moed

De vaardigheden voor creativiteit kun je leren, de modellen kun je toepassen. Nog mooier is het als er binnen dat leerproces van creatief denken ook ruimte is voor creatieve expressie. Niet alleen voor beredeneerd vormgeven en uitvoeren van een plan waarop naderhand gereflecteerd moet worden. Maar ook voor speelse ontdekkingen die volgen op het denkproces. Of daar nog deel vanuit maken. Juist bij jonge kinderen gaat het ontdekken van oplossingen hand in hand met het denken daarover. Om dat vermogen tot onderzoeken, tot nieuwsgierigheid vast te houden is ruimte nodig voor experiment, voor creëren, voor verbeelding. Want hoewel dat bij jonge kinderen vaak nog min of meer vanzelf gaat, is daar op den duur steeds meer moed voor nodig. Moed om nieuwe dingen te beginnen, om door te zetten, om het risico te nemen iets niet te begrijpen of niet begrepen te worden. Moed om het risico te nemen om niet gewaardeerd te worden, te falen, de controle over het eindresultaat te verliezen.

Uitvindersclub

Zo’n tien jaar lang had ik een lesatelier in Rotterdam van waaruit ik cursussen en activiteiten organiseerde in filosoferen, schrijven en verbeelden. Een van die activiteiten was de Uitvindersclub. De opzet was vrij eenvoudig: vanuit vraagstukken die dicht bij het jonge kind (groep 3 tot 5) lagen werden de deelnemers uitgenodigd om creatief te denken en te creeren. Om te spelen met oplossingen en die weer te geven in ontwerpen, maquettes en prototypes. In de praktijk kwam dat neer op heel veel tekeningen, onbegrijpelijke knutsels en vooral meters plakband. Daarbij hoorden uitgebreide verhalen, want wat het publiek misschien niet direct zag zat er wel degelijk in: een ingenieuze oplossing voor een alledaags probleem. En de kinderen konden dat over het algemeen goed en met veel enthousiasme toelichten. De tentoonstelling Change the system deed me terugdenken aan die jonge uitvinders, die met hun vindingen de wereld niet konden veranderen maar vooral vertrouwen lieten zien. In een positieve toekomst en in hun eindeloze creativiteit.

Wordt vervolgd

Wil je weten hoe je eenvoudig een paar ‘uitvinderslessen’ opzet? Je leest het in mijn volgende blog.

 

Modelhond

In het weekend had ik een hondje te logeren, de Kooiker Ciep. Het was leuk om te ervaren wat een hond teweeg brengt in je gezin, bij de kinderen en bij jezelf: de vele wandelingen, de kippennekken in onze (vegetarische) keuken, het knuffelen en stoeien. Daarbij zagen mijn jongste zoon en ik onze kans schoon om te tekenen naar model. En Ciep was een mooi en geduldig model.

Dieren tekenen naar model

Als kind volgde ik klassieke tekenlessen bij De Werkschuit in Gouda. Buiten tekenden we schapen en ooit hadden we een haan op tafel in het tekenlokaal. Spannend! In mijn academietijd in Rotterdam ging ik naar Blijdorp om dieren te tekenen. Ook met mijn kinderen ben ik eindeloos in Blijdorp geweest en namen we vaak onze dummy’s mee.

Het tekenen van dieren vraagt een specifieke concentratie en aandacht. Anders dan voorwerpen en de meeste menselijke modellen, zijn ze volstrekt onvoorspelbaar. Ze gaan hun eigen gang en kunnen elk moment van houding en plaats veranderen – of zelfs helemaal uit het zicht verdwijnen. Het is dus altijd maar de vraag of je de kans krijgt om je tekening te voltooien. Voor kinderen (en volwassenen) met een grote behoefte aan controle of faalangst is dit dus een prachtige speelse oefening om daarmee te leren omgaan.
Bij het tekenen van dieren komt het erop aan veel en vlot te schetsen om gaandeweg de anatomie van het dier steeds beter te begrijpen. Ook het ‘optisch verkort ‘komt daarbij bod: hoe kan het dat die lange rug veel korter lijkt als het hondje met zijn kop naar ons toe ligt?

Kijk naar het dier, niet naar het papier

Goed leren en durven kijken, veel meer naar het model dan naar je tekening, is dus belangrijk. Michelle Dujardin legt uit hoe dat werkt in haar Zen Tekenboek: door bewust waar te nemen en het resultaat los te laten wordt het tekenen een meditatieve oefening. De oog-handcoördinatie wordt sterk geoefend bij deze manier van tekenen en daardoor gaat het op den duur vanzelf steeds beter. En dat versterkt het plezier dat het tekenen op zichzelf al is.

Dieren tekenen in de klas

Het tekenen van dieren kan je, ook op school, vrij eenvoudig organiseren en levert dus veel op: verbetering van de fijne motoriek, van de oog-handcoördinatie, flexibiliteit, proces- in plaats van resultaatgerichtheid en meditatieve ontspanning.

Hoe pak je het aan? Koppel het tekenen aan een spreekbeurt en vraag een leerling om zijn huisdier mee te nemen in de klas. Of ga naar de kinderboerderij, de schapenwei, de eendenvijver of de hondenuitlaatplaats in de buurt. Maak van plankjes of stevig karton met wasknijpers een ondergrond voor het papier. Gebruik alleen een goed schetspotlood, gum is niet nodig. En geef voldoende papier om veel schetsen te kunnen maken of wanneer nodig opnieuw te beginnen. Accepteer ook als leerkracht of docent dat het gaat om het proces, het plezier in het tekenen en beoordeel de tekeningen liever niet.

Filosoferen tot slot

Nadat iedereen zo aandachtig naar de dieren heeft gekeken is het natuurlijk ook leuk en interessant om na afloop te filosoferen over dieren. Bijvoorbeeld aan de hand van de volgende vragen:

  • Kunnen dieren denken? Waarom denk je dat?
  • Waar denken dieren aan? Denken dieren aan andere dingen dan mensen?
  • Denken dieren op dezelfde manier als mensen? Waarom (niet)?
  • Kunnen dieren begrijpen?
  • Is begrijpen hetzelfde als denken? Waarom (niet)?

 

 

Zelfstandig denken en persoonlijk leiderschap

Vorige week, op 3 oktober, was ik bij de informatiemiddag van CPS, adviesorganisatie voor onderwijsontwikkeling, over het programma The Leader in Me. CPS houdt zich professioneel bezig met het implementeren van het gedachtegoed van Stephen Covey in het onderwijs, aan de hand van dit programma. De informatiemiddag was bedoeld voor scholen ter kennismaking en ik was blij dat ik als zzp’er in het onderwijs mocht aanhaken. In deze blogpost een impressie van mijn ideeën en notities van deze middag. (Wie onbekend is met het gedachtegoed van Covey bekijkt beter eerst de onderstaande sketchnotes).

Zeven eigenschappen

Mijn belangstelling voor Covey en zijn ‘Zeven eigenschappen van effectief leiderschap’ werd een aantal jaar geleden gewekt door een leerkracht die me vroeg of het mogelijk was om in de klas te filosoferen bij deze zeven eigenschappen.

Aan de hand van het kinderboek ‘De zeven eigenschappen van Happy Kids’ heb ik toen de verschillende thema’s – verantwoordelijkheid, doelgerichtheid, prioriteiten stellen, belangen afwegen, luisteren, samenwerken en zelfzorg – uitgewerkt in onderzoekende vragen voor een filosofische dialoog.

Verbinding met het filosoferen op school

Hoewel de werkwijze me aanvankelijk nogal methodisch overkwam, herkende en waardeerde ik er ook de duidelijke handvatten voor persoonlijk leiderschap in. Ik ben meer gaan lezen van en over Covey en over de toepassing daarvan in onderwijs en opvoeding. Ik vond daarbij verbindingen met het filosoferen op school, onder andere in de ontwikkeling van mijn model voor een onderzoekend oudergesprek, waarin de wil en inspanning om elkaar echt te begrijpen en samen te werken in belang van het kind centraal staan.

Ook in het onderzoeken van waarden, in dialoog met elkaar, zie ik een verbinding. Het filosofisch gesprek daarover lijkt me onontbeerlijk wanneer je aan de slag wilt met het gedachtegoed van Covey. Immers, wanneer het gaat om keuzes maken, doelen en prioriteiten stellen is het van essentieel belang om te weten welke gezamenlijke waarden je aanhangt en wat ieder daaronder verstaat. Ik werkte daarvoor 25 waarden uit in gespreksmateriaal, te gebruiken in teamgesprekken, intervisie en visieontwikkeling.

Andersom kan ik me voorstellen dat de theorie van Covey handvatten geeft om vanuit het zelfstandig denken (filosoferen) te komen tot zelfstandig doen. Filosoferen kan, maar hoeft immers geen doel in zichzelf te zijn. Sommige goede ideeën verdienen het om concreet tot leven te komen. En kinderen verdienen het om zowel vertrouwen in hun zelfstandig denken als in hun zelfstandig handelen te ontwikkelen.

Verbinding met ouderschap

Als ouder geeft de theorie van Covey me inspiratie hoe ik mijn (ass-)kinderen zou kunnen leren om het persoonlijke en individuele te verbinden met het gezamenlijke. Het stellen van doelen binnen je eigen grenzen en mogelijkheden en daartoe verantwoordelijkheid nemen. Herkennen hoe sociale interactie zowel waardevol kan zijn voor jezelf als voor anderen. Leren hoe je – op je eigen manier en met jouw specifieke behoeften – in balans komt en kunt blijven. Niet eenvoudig, zeker niet voor kinderen met een autistische beperking. Maar een uitdaging die je niet kunt laten liggen.

In de informatiebijeenkomst van CPS werd benadrukt dat niet alle kinderen tot dezelfde opbrengsten komen, maar wel allemaal hun talenten hebben en op hun niveau persoonlijk leiderschap kunnen ontwikkelen. Daarom wordt het programma ook op verschillende scholen voor speciaal onderwijs al toegepast. Mooi!

Sketchnotes

Mijn aantekeningen van de informatiebijeenkomst heb ik uitgewerkt in de onderstaande sketchnotes.

Meer lezen

Een paar links voor wie meer wil weten en lezen van en over Covey:

 

Snotmonsters en spoken

Over een week begint de Kinderboekenweek 2017. Wie wil filosoferen in de Kinderboekenweek vindt ruimschoots gespreksmateriaal op www.filosoferenopschool.nl. Wil je nog gebruik maken van de tijdelijke, gratis login voor het materiaal van de Kinderboekenweek? Stuur dan even een mailtje.

Behalve tot lezen en filosoferen geeft het thema van deze Kinderboekenweek 2017 – Gruwelijk eng! – ook inspiratie tot griezelig tekenen, schrijven en verhalen vertellen. In deze post vijf ideeën.

1. Snotmonsters

Voor een paar goeie snotmonsters maak je eerst een paar groene kledders op papier, liefst met ecoline, maar waterverf kan ook.

Vervolgens gebruik je een zwarte fineliner om er griezelige snotmonsters van te maken.

2. Bloederige griezels

Dit is min of meer hetzelfde recept als dat van de snotmonsters. Maak met rode ecoline een paar flinke bloedspetters. (Echt bloed kan natuurlijk ook.)

Om er griezels van te maken heb ik nu in plaats van fineliner kleurpotlood gebruikt.

3. Zoek de spoken

Voor deze tekenopdracht heb je papier nodig (bij voorkeur zwart, maar elke andere kleur volstaat ook prima) en kleurpotlood of krijt. Start met het maken van vloeiende ronde vormen in één doorgaande lijn. Je kunt er een zacht, spookachtig geluid bij maken. Zoek vervolgens in de vormen naar spoken en teken ze erin. Wie weet vind je ook nog een paar vleermuizen.

4. Botjesalfabet

Spelen met letters en vormgeving. Wanneer je botjes tekent, werkt dat goed op zwart papier met een wit krijt of kleurpotlood. Letters van spinnenwebben kan ook, of van bloedsporen van ecoline.

Een paar letters voor wie net begint met schrijven (je eigen naam bijvoorbeeld) of een heel alfabet voor de gevorderde.

5. Enge verhalen vertelspel

Het verhalenvertelspel heb ik eerder beschreven, maar leent zich goed voor de Kinderboekenweek. Maak daarvoor een woordweb rondom griezelverhalen. Wees niet bang om hier en daar wat te begrenzen qua griezeligheid en zorg ervoor dat ook woorden als ‘moed’, ‘dapper’, ‘nieuwsgierig’, ‘veilig’, ‘droom’ en ‘fantasie’ aan bod komen. Zo is er altijd een uitgang uit het verhaal als het te gortig wordt. Schrijf de woorden op kaartjes (zie de beschrijving in de eerder blogpost) en maak er illustraties bij.

Je kunt het spel spelen in de kring en samen een verhaal bedenken, maar bijvoorbeeld ook drie kaartjes en een schrijfopdracht geven.

 

Natuurkundeposters

Voor het College Groevenbeek in Ermelo maakte ik zes natuurkundeposters. Doel van de posters is om de stappen in beeld te brengen die de leerlingen doorlopen bij het oplossen van een natuurkundig vraagstuk. Door de posters in het klaslokaal te hangen zijn de stappen goed zichtbaar en kunnen de leerlingen het proces in de loop der tijd internaliseren. Wanneer er getoetst wordt, dekt de docent één of meerdere posters af om ook het stappenplan te kunnen toetsen.