Kinderboekenweek 2018

Filosoferen tijdens de Kinderboekenweek

Kom erbij! luidt het thema van de Kinderboekenweek 2018. Dat geldt zeker voor de filosofische dialoog. Want filosoferen doe je het beste samen. Vanuit FILOSOFEREN OP SCHOOL geef ik jaarlijks een inspiratieworkshop voor scholen en bibliotheken rondom het thema van de Kinderboekenweek. Dit jaar is dat Vriendschap en daar vallen gelukkig weer heel diverse invalshoeken bij de bedenken, zoals trouw, loyaliteit, ontmoeten, zelfkennis, delen, liefde, ruzie, afscheid, talent en groei.

Ik heb vanmorgen zo’n 30 boeken uitgepakt om te lezen ter voorbereiding op de Kinderboekenweek: kerntitels van CPNB, recente en klassieke aanvullingen daarop, prentenboeken en gedichten. Bij deze boeken maak ik gespreksmateriaal dat beschikbaar zal zijn in de database op de website.

Eerst even tekenen…

Een deel van stapel boeken heb ik eerst gebruikt om na te tekenen. Afgelopen vrijdag volgde ik namelijk de fijne en leerzame illustratieworkshop ‘Show en tell’ van Sabine Wisman. Dan kun je op maandagmorgen wel direct met je neus in de boeken duiken, maar liever eerst even het geleerde in praktijk gebracht.

 

Een logo voor Uitgeverij Timon

Ik was druk in deze eerste maanden van het nieuwe jaar. Met fijne opdrachten waarvan ik deze week een paar resultaten laat zien. Ten tweede: een logo voor Uitgeverij Timon.

Annelies Wiersma geeft sinds 2007 via haar uitgeverij ACT on Virtues boeken en kaartensets uit rondom de deugden uit het deugdenproject van Linda Kavelin-Popov. Voor alle andere leuke en interessante boeken die ze buiten dit onderwerp wil uitgeven startte ze onlangs Uitgeverij Timon:  voor auteurs die samen met een professionele uitgever zelf hun boek willen uitgeven.

Annelies vroeg me om een logo te ontwerpen voor Uitgeverij Timon, waarvan de naam geïnspireerd is op de eigenzinnige stokstaart Timon uit de Disneyfilm ‘The Lion King’: “Ah, you are an outcast! That’s great, so are we!”

En dit is ‘m geworden:

 

LOB-spel

Ik was druk in deze eerste maanden van het nieuwe jaar. Met fijne opdrachten waarvan ik deze week een paar resultaten laat zien. Ten eerste: Het LOB-spel.

In opdracht van Rotterdams Vakcollege De Hef maakte ik vorig jaar het LOB-spel. LOB staat voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding: leerlingen op de middelbare school krijgen informatie en begeleiding voor hun verdere loopbaan. De Hef is een echte vakschool en leidt haar leerlingen op tot de vakmannen en vakvrouwen van de toekomst. Dankzij het spel kreeg ik zicht op alle mooie beroepen die dat betreft.

Het spel is in opdracht van NPRZ (Nationaal Programma Rotterdam Zuid) in het kader van het project Bridge dit jaar opnieuw uitgebracht, zodat nog meer scholen, leerlingen en ouders er gebruik van kunnen maken. Ik was opnieuw betrokken bij de aanpassingen voor deze herdruk.

De leerlingen kunnen uit 140 beroepen hun voorkeur(en) selecteren en lezen op de achterkant van de kaart binnen welk werkveld het beroep valt en welke kwaliteiten erbij horen.

          

Behalve beroepenkaarten zijn er kwaliteitenkaarten, waarover de leerling met zijn of haar ouders of mentor in gesprek kan gaan. Welke kwaliteiten heb je? Ben je invoelend, gedisciplineerd, fantasierijk? En hoe verhouden die kwaliteiten zich tot de gekozen beroepen?

          

Beroepskeuze heeft niet alleen met voorkeuren en kwaliteiten te maken, maar ook met drijfveren. Wat motiveert je bij het werk? Waar voel je je goed bij? Wil je aanzien, invloed, zelfstandigheid of structuur?

          

 

De Uitvindersclub (2): 6 lesideeën

Deze week 6 ideeën voor de Uitvindersclub: activiteiten om creatief te denken, oplossingen te zoeken, robots te ontwerpen, anders te kijken, een beeld te vormen van de toekomst.

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

1. Toekomstbouwers

De uitvinders denken na over het leven in de toekomst, aan de hand van één van de volgende invalshoeken.

Spelen
De Uitvindersclub ontwerpt samen een superspeeltuin en vraagt zich af:  Welke speeltoestellen bestaan nog niet, maar zou je wel graag willen zien? Hoe kun je speelplaatsproblemen oplossen, zoals op elkaar moeten wachten, je bezeren, dingen die kapot gaan? Hoe zien de speeltoestellen van de toekomst eruit? Hoe kan het nog leuker, gekker, gevaarlijker, spannender?

Wonen
De Uitvindersclub denkt na over wonen van de toekomst: Hoe zien de huizen
eruit (van binnen en van buiten), wat is er te doen in de buurt, welke oplossingen zijn er voor bijvoorbeeld vuil op straat of burenruzie? Welke plekken zijn er voor kinderen, maar ook voor jongeren, oude mensen en huisdieren?

Vervoer
De Uitvindersclub bedenkt nieuwe voertuigen en denkt na over de volgende vragen. Wat weet je van vervoer, van uitvindingen die met vervoer te maken hebben? Welke vervoersmiddelen van vroeger gebruiken we niet meer? Waarom niet? Hoe zouden de voertuigen van de toekomst eruit zien? Waar denk je aan bij het ontwerpen: hoe ver je wilt reizen, hoe snel, samen of alleen reizen, files en wachttijden, aandacht voor het milieu?

De uitvinders maken een mindmap of woordweb rondom het gekozen onderwerp en maken schetsen van hun ideeën. Het beste idee werken ze uit in een 3d-model. Gebruik doeken, gekleurd papier of een speelkleed met plattegrond om een maquette in te richten. Vraag de uitvinders om hun uitvinding een passende naam te geven. Bekijk samen de uitvindingen en licht ze toe. Laat ieder een foto maken van zijn of haar model in de maquette.

2. Robot collage

Het prentenboek ‘Dag supergrote robot’ van Marlies Visser kan een goede introductie of inspiratiebron zijn voor het bedenken en maken van robotcollages.

Vervolgens denkt de Uitvindersclub samen na over vragen als:
Wat is een robot? Welke robotten bestaan er? Lijken robotten op mensen? Wat kunnen robotten wel en niet? Kunnen robotten slimmer worden dan mensen? Kan een robot goed of slecht zijn? Kan een robot je vriend zijn? Kan een robot de baas zijn?

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Vervolgens maken de uitvinders een robot in collagevorm. Ze gebruiken daarvoor papier, karton en scrap-materiaal. Belangrijk is dat ze eerst bedenken wat hun robot kan en doet: waar is hij voor gemaakt, waar is hij goed in? Ook helpt het om eerst een schets te maken.

3. Een vriendendienst

Een introductie en inspiratiebron voor deze activiteit kan het prentenboek ‘Ik ben Kaat! Uitvinder’ van Tim Gladdines zijn (via de bibliotheek verkrijgbaar). Kaat is een meisje dat uitvinder is. Ze bedenkt en maakt van alles. Dan besluit ze voor haar moeder als verrassing een volautomatische rommelopruimer uit te vinden. Het wordt een prachtige machine, maar als ze hem aan haar moeder geeft, ontploft hij en is de troep niet te overzien.

De Uitvindersclub denkt na over vragen als: Wat zou jij uitvinden voor je vader of moeder? Waar kun je jouw vader of moeder een plezier mee doen? Of
wat vind je vader of moeder moeilijk of lastig en kan jij met jouw uitvinding oplossen? Zijn er andere mensen, vrienden of familie, waarvoor je een goede uitvinding kunt bedenken?

De uitvinders maken een ontwerp en gebruiken het scrap- en constructiemateriaal om er een model van te maken. Ze schrijven een handleiding bij de uitvinding zodat de ontvanger goed weet waar hij voor bestemd is.

4. De waanzinnige machine

De waanzinnige machine is een tekenopdracht waarbij je nou eens niet zoveel hoeft na te denken, maar vooral je fantasie en verbeeldingskracht gebruikt. Het is een tekenoefening gebaseerd op de werkwijze Zinvol Tekenen van Marijke Sluijter.

De uitvinders starten met een leeg A3-papier en gaan daarop willekeurig hoekige lijnen maken. De hoekige lijnen blijven ca. 2 cm binnen de rand van het papier. Dat ziet er ongeveer zo uit:

Vervolgens tekenen de uitvinders een goed stel wielen of rupsbanden onderaan de tekening. Dat is handig om de machine te verplaatsen. Daarna komt het erop aan om in de machine zoveel mogelijk mogelijkheden te zien, gadgets te plaatsen, knoppen, tandwielen, kettingen, knoppen en meters te tekenen. Zodat het een ongelooflijk waanzinnige machine wordt:

5. Het uitvindingenmuseum

In het uitvindingenmuseum laten de uitvinders oude uitvindingen
zien, maar ook welke oplossing we tegenwoordig gebruiken en wat we ervan verwachten in de toekomst. Om te starten bekijkt de Uitvindersclub een aantal (foto’s van) voorwerpen waarvoor in de loop der tijd heel andere oplossingen zijn gevonden: bijvoorbeeld een lp, een koets met paarden, een portemonnee met geld, een telefooncel etc.

Vervolgens kan de Uitvindersclub nadenken over de volgende vragen:
Is een uitvinding altijd iets nieuws? Of bestaan er ook ‘oude’ uitvindingen?Waarom worden er telkens nieuwe uitvindingen bedacht en gemaakt? Zal elke uitvinding verouderen en uit de tijd raken, of bestaan er ook uitvindingen die bruikbaar en waardevol blijven?
Ken je zelf nog meer voorbeelden van oude en nieuwe uitvindingen? Kun je ook bedenken wat er (in de toekomst) aan deze uitvindingen 
verbeterd zou kunnen worden?

In de uitwerking kiest iedere uitvinder één voorwerp of onderwerp en vraagt zich af: Wat mist er nog aan dit voorwerp? Wat kan er beter, sneller of mooier? De uitvinders maken drie illustraties voor het uitvindingenmuseum van het voorwerp zoals het vroeger was, zoals het nu is en van de toekomstversie. Na afloop bekijken ze elkaars werk en lichten ze hun eigen werk toe.

 6. Een sportieve uitvinding

Uitvinders zijn geen nerds, welnee! Er zitten hele sportieve types tussen. Want sporten is leuk. Maar soms best moeilijk. Zelfs als je er goed in bent, moet je veel oefenen en je conditie trainen. Uitvindingen zouden ervoor kunnen zorgen dat het sporten gemakkelijker gaat. Zodat
je sneller kun winnen. Of is dat juist niet de bedoeling?

De Uitvindersclub denkt samen na:  over de sporten waar zij van houden, en welke ze niet leuk vinden. Ze vragen zich af of het goed en eerlijk is om uitvindingen te bedenken die het sporten leuker of gemakkelijker maken. Wanneer mag dat wel? En wanneer liever niet?

De uitvinders maken een mindmap met ideeën die het sporten leuker maken, of die sommige niet-leuke onderdelen van het sporten kunnen verbeteren (zoals omkleden, honger en dorst tijdens
het sporten, spierpijn, blessures). Sommige mensen willen graag een sport doen, maar kunnen niet meedoen omdat ze een handicap hebben.
Welke uitvindingen kunnen de uitvinders bedenken om hier iets aan te veranderen?

De uitvinders werken hun beste idee uit in een getekend ontwerp en maken een stripverhaaltje waarin je kunt zien hoe sporters de uitvinding gebruiken en wat daarvan de consequenties zijn.

NB. De illustraties bij deze post maakte ik naar aanleiding van de grappige robotcollages van kinderen van één van de Uitvindersclubs in Rotterdam.

 

 

De Uitvindersclub (1)

Zoals ik in mijn (op een na) vorige blogpost schreef had ik in Rotterdam enige tijd een Uitvindersclub – als één van de activiteiten die ik aanbood in mijn werkplaats Atelier van de Verbeelding.
Graag deel ik met jullie een paar ideeën voor het initiëren van je eigen Uitvindersclub, op school, in de brede school of bso, of thuis. Doel van de Uitvindersclub is om samen na te denken over, grote en kleine, concrete kwesties die voor de kinderen belangrijk en interessant zijn. Dat kan over van alles gaan: over spelen, over school, over thuis of de buurt, de stad of de wereld. Door creatief te denken en te fantaseren over deze onderwerpen ontstaan ideeën voor grote en kleine uitvindingen die het leven en de wereld mooier, beter en leuker maken.

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Wat heb je nodig?

De opzet is eenvoudig. De belangrijkste voorwaarde is een open, onbevooroordeelde houding van de leerkracht, vakkracht of begeleider en ruimte voor experiment. Creativiteit vergt moed – om grenzen te verleggen, om te ontdekken. Want soms maak je iets wat niet uit verf komt. Af en toe is het idee beter dan de uitvoering. Of juist andersom. Het oefenen van creativiteit behelst vooral ervaring opdoen in proberen en opnieuw beginnen. En goede startvragen om het denken en verbeelden op gang te brengen, die aansluiten bij de belevingswereld van de doelgroep. In dit geval zijn dat kinderen van 6 tot 8 à 9 jaar.

Benodigde materialen:

  • Tekenpapier, schrijfpapier, schetsboeken
  • Schetspotlood, kleurpotlood, stiften
  • Lijm(stift), plakband, tie-wraps, splitpennen, rivets (kunststof klinknagels voor golfkartonconstructies), touw, chenille
  • Dik en dun karton, gekleurd papier
  • Diverse rest- en afvalmaterialen (zelf verzamelen of via Stichting Scrap

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Wat zijn uitvindingen?

Bij de start van je Uitvindersclub is het goed en handig om na te denken over wat uitvindingen zijn. Dat kan door een onderzoekend gesprek te voeren aan de hand van de volgende vragen:

  • Wat is een uitvinder?
  • Wat is een uitvinding?
  • Wat heb je nodig om een uitvinding te doen?
  • Kan iedereen een uitvinder zijn?
  • Kan je voor van alles iets uitvinden?
  • Bestaan er goede en slechte uitvindingen?
  • Hebben we uitvinders nodig? Waarom (niet)?

Voorbeelden

Daarnaast is het leuk om voorbeelden te zoeken van belangrijke uitvinders en uitvindingen. Bijvoorbeeld:

Mijn absolute favoriet zijn de catalogi van Jacques Carelman. De flaptekst zegt genoeg: “De geniale unieke Jacques Carelman, uitvinder en ontdekker, Fransman par excellence, schepper van bijna mogelijke en welhaast onmogelijke verbazingwekkende voorwerpen en vernuftige vindingen, zal de wereld een ander aanzien geven. Voor degenen die meer willen weten over de siamese schaar, het vertaalcarbon, de radiatorstoel, de cactushandschoen of de TV-wasmachine, om maar enige niet-bestaande voorwerpen te noemen, die niettemin onmisbaar zijn, is dit boek een inspirerende raadgever.”

               

Soms zijn ze nog tweedehands verkrijgbaar:

Eenvoudige creatieve denkstrategieën

In mijn vorige post over creativiteit benoemde ik de basisvaardigheden die worden onderwezen bij de 21e vaardigheid ‘creatief denken’: creatief waarnemen, flexibel associëren, uitstellen van oordeel, divergeren en verbeelden. Ik licht ze kort toe (bron: I. Byttebier, 2002), met daarbij de belangrijkste vragen of opdrachten die je kunt stellen om kinderen deze vaardigheden te laten beoefenen.

1.  Creatief waarnemen

Bij creatief waarnemen gaat het om het besef dat je de dingen op verschillende manieren kunt zien (of horen, ruiken, proeven, voelen, ervaren). Niet de objectieve werkelijkheid bepaalt wat je ziet, maar jouw waarneming. Je brein vult aan en vult in. Daardoor zien we niet allemaal hetzelfde. Kinderen kunnen dat ervaren door samen naar een onbekend geluid te luisteren of naar een onbekend voorwerp te kijken. Wat horen ze? Wat zien ze? Als je je waarneming met elkaar deelt, kun je dan op verschillende manieren horen en zien? Zie je wat de ander ziet?

In het creatieve proces helpt de volgende vraag: Kun je het ook anders zien?
Dat geldt vooral ook voor de beschrijving van het probleem waarvoor je een oplossing zoekt. Kun je het probleem, de vraag, ook anders interpreteren? Wat is er nu eigenlijk aan de hand? Of zou er nog iets anders aan de hand kunnen zijn?

2. Flexibel associeren

Bij associëren gaat het erom alles wat bij je opkomt in relatie tot een woord, probleem of idee te noteren. Als je flexibel associeert maak je daarbij ook ruimte voor niet voor de hand liggende relaties. Je maakt ‘uitstapjes’ naar ideeën buiten het domein van je onderwerp (disociatie; patroondoorbreking) of je ziet een  verband met een heel ander onderwerp (resociatie; terugkoppeling).

Kinderen kun je leren associëren aan de hand van een woordweb of mindmap, om hun associaties direct voor ogen te hebben en te ordenen. De vragen die je daarbij stelt zijn: Wat is het belangrijkste onderwerp in deze vraag of in dit probleem? Waar denk je allemaal aan bij dit woord? Welke gedachten, geuren, smaken, kleuren, vormen, voorwerpen en gebeurtenissen komen er bij je op?  Door samen te werken aan een woordweb of mindmap komen er nog meer associaties boven.

3. Divergeren

Divergeren wil zeggen dat je voorbij de eerste ideeën denkt. Je neemt geen genoegen met met voor de hand liggende oplossingen, hoewel die misschien het meest logisch lijken. Divergeren doet aanspraak op het doorzettingsvermogen. Je wacht niet alleen op wat spontaan opkomt, maar gaat actief verder denken.

De vraag die je daarbij aan kinderen kunt stellen is: Bedenk zoveel mogelijk oplossingen voor dit probleem. Maar liever nog maak je concreet hoeveel oplossingen je (ten minste) wilt zien: Bedenk 10 (15, 20) oplossingen voor dit probleem. Wordt het steeds moeilijker om nog iets te bedenken? Vraag je af hoe een minister dit probleem zou oplossen. Of een superheld. Of een olifant. Hoe zou je met dit probleem omgaan als je kon toveren?
Vervolgens gaat het erom een selectie te maken uit deze oplossingen.

4. Verbeelden

Een goed idee, of een goede oplossing, moet je voor je kunnen zien. Bij het verbeelden gaat het erom dat je de oplossing, je uitvinding, voor je kunt zien. En niet alleen zien, maar ook voelen, ruiken, proeven of horen. Het gaat niet alleen om ver-beelden, maar ook om in-beelden. En om anderen te betrekken zou je je idee ook moeten uit-beelden. Dat kan in woord en beweging, in tekeningen, in verhalen. Voor volwassenen soms een hele toer, maar voor kinderen die nog rijk zijn aan fantasie en verbeeldingskracht is dit geen opgave.

De vraag die je kunt stellen bij deze stap is: Hoe ziet jouw oplossing of uitvinding eruit? Of: Vertel hoe een dag in de toekomst eruit ziet, als jouw uitvinding wordt gebruikt. Of: Doe eens voor – speel eens uit – hoe we jouw uitvinding kunnen gebruiken.

En ook: uitstellen van oordeel

Een belangrijke vaardigheid tot slot is het uitstellen van oordelen. Ik heb ‘m al genoemd bij de houding van de begeleider of leerkracht. Het is ook een vaardigheid die de groep waarmee je werkt in haar samenspel zou moeten oefenen. Creatief werken en denken lukt pas als je ervaart dat alle ideeën, associaties en mogelijke oplossingen mee mogen doen, zonder dat ze door jezelf of anderen op voorhand worden afgeschoten. Pas bij de selectie en uitvoering van je definitieve plan kun je kritischer gaan kijken: klopt het, werkt het, is het daadwerkelijk een oplossing?

Je moedigt kinderen aan om onbevooroordeeld te zijn door steeds te benadrukken dat erin het creatief denken geen goede of foute ideeën bestaan. Door samen te kunnen lachen, bewonderen, verbazen en gruwelen van de verschillen oplossingen die  zich aandienen. En door verbaal en non-verbaal de inzet en inbreng van de kinderen te waarderen, in plaats van de opbrengst.

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Uitvinden maar

Met de bovenstaande voorbereiding kun je je Uitvindersclub starten. Je weet welke rol je als leerkracht, vakkracht of begeleider kunt vervullen en welke vragen je stelt tijdens het werkproces van de kinderen. Je hebt de materialen verzameld die bij elke bijeenkomst nodig zijn om te kunnen brainstormen, schetsen, tekenen, uitwerken, knutselen en bouwen. Dan rest nog de vraag: Wat gaan we uitvinden? Daarover lees volgende week. Dan reik ik je een aantal concrete invalshoeken en lesideeën aan om mee aan de slag te gaan.

NB. De illustraties bij deze post maakte ik naar aanleiding van de grappige robotcollages van kinderen van één van de Uitvindersclubs in Rotterdam. 

 

 

Modelhond

In het weekend had ik een hondje te logeren, de Kooiker Ciep. Het was leuk om te ervaren wat een hond teweeg brengt in je gezin, bij de kinderen en bij jezelf: de vele wandelingen, de kippennekken in onze (vegetarische) keuken, het knuffelen en stoeien. Daarbij zagen mijn jongste zoon en ik onze kans schoon om te tekenen naar model. En Ciep was een mooi en geduldig model.

Dieren tekenen naar model

Als kind volgde ik klassieke tekenlessen bij De Werkschuit in Gouda. Buiten tekenden we schapen en ooit hadden we een haan op tafel in het tekenlokaal. Spannend! In mijn academietijd in Rotterdam ging ik naar Blijdorp om dieren te tekenen. Ook met mijn kinderen ben ik eindeloos in Blijdorp geweest en namen we vaak onze dummy’s mee.

Het tekenen van dieren vraagt een specifieke concentratie en aandacht. Anders dan voorwerpen en de meeste menselijke modellen, zijn ze volstrekt onvoorspelbaar. Ze gaan hun eigen gang en kunnen elk moment van houding en plaats veranderen – of zelfs helemaal uit het zicht verdwijnen. Het is dus altijd maar de vraag of je de kans krijgt om je tekening te voltooien. Voor kinderen (en volwassenen) met een grote behoefte aan controle of faalangst is dit dus een prachtige speelse oefening om daarmee te leren omgaan.
Bij het tekenen van dieren komt het erop aan veel en vlot te schetsen om gaandeweg de anatomie van het dier steeds beter te begrijpen. Ook het ‘optisch verkort ‘komt daarbij bod: hoe kan het dat die lange rug veel korter lijkt als het hondje met zijn kop naar ons toe ligt?

Kijk naar het dier, niet naar het papier

Goed leren en durven kijken, veel meer naar het model dan naar je tekening, is dus belangrijk. Michelle Dujardin legt uit hoe dat werkt in haar Zen Tekenboek: door bewust waar te nemen en het resultaat los te laten wordt het tekenen een meditatieve oefening. De oog-handcoördinatie wordt sterk geoefend bij deze manier van tekenen en daardoor gaat het op den duur vanzelf steeds beter. En dat versterkt het plezier dat het tekenen op zichzelf al is.

Dieren tekenen in de klas

Het tekenen van dieren kan je, ook op school, vrij eenvoudig organiseren en levert dus veel op: verbetering van de fijne motoriek, van de oog-handcoördinatie, flexibiliteit, proces- in plaats van resultaatgerichtheid en meditatieve ontspanning.

Hoe pak je het aan? Koppel het tekenen aan een spreekbeurt en vraag een leerling om zijn huisdier mee te nemen in de klas. Of ga naar de kinderboerderij, de schapenwei, de eendenvijver of de hondenuitlaatplaats in de buurt. Maak van plankjes of stevig karton met wasknijpers een ondergrond voor het papier. Gebruik alleen een goed schetspotlood, gum is niet nodig. En geef voldoende papier om veel schetsen te kunnen maken of wanneer nodig opnieuw te beginnen. Accepteer ook als leerkracht of docent dat het gaat om het proces, het plezier in het tekenen en beoordeel de tekeningen liever niet.

Filosoferen tot slot

Nadat iedereen zo aandachtig naar de dieren heeft gekeken is het natuurlijk ook leuk en interessant om na afloop te filosoferen over dieren. Bijvoorbeeld aan de hand van de volgende vragen:

  • Kunnen dieren denken? Waarom denk je dat?
  • Waar denken dieren aan? Denken dieren aan andere dingen dan mensen?
  • Denken dieren op dezelfde manier als mensen? Waarom (niet)?
  • Kunnen dieren begrijpen?
  • Is begrijpen hetzelfde als denken? Waarom (niet)?

 

 

Zelfstandig denken en persoonlijk leiderschap

Vorige week, op 3 oktober, was ik bij de informatiemiddag van CPS, adviesorganisatie voor onderwijsontwikkeling, over het programma The Leader in Me. CPS houdt zich professioneel bezig met het implementeren van het gedachtegoed van Stephen Covey in het onderwijs, aan de hand van dit programma. De informatiemiddag was bedoeld voor scholen ter kennismaking en ik was blij dat ik als zzp’er in het onderwijs mocht aanhaken. In deze blogpost een impressie van mijn ideeën en notities van deze middag. (Wie onbekend is met het gedachtegoed van Covey bekijkt beter eerst de onderstaande sketchnotes).

Zeven eigenschappen

Mijn belangstelling voor Covey en zijn ‘Zeven eigenschappen van effectief leiderschap’ werd een aantal jaar geleden gewekt door een leerkracht die me vroeg of het mogelijk was om in de klas te filosoferen bij deze zeven eigenschappen.

Aan de hand van het kinderboek ‘De zeven eigenschappen van Happy Kids’ heb ik toen de verschillende thema’s – verantwoordelijkheid, doelgerichtheid, prioriteiten stellen, belangen afwegen, luisteren, samenwerken en zelfzorg – uitgewerkt in onderzoekende vragen voor een filosofische dialoog.

Verbinding met het filosoferen op school

Hoewel de werkwijze me aanvankelijk nogal methodisch overkwam, herkende en waardeerde ik er ook de duidelijke handvatten voor persoonlijk leiderschap in. Ik ben meer gaan lezen van en over Covey en over de toepassing daarvan in onderwijs en opvoeding. Ik vond daarbij verbindingen met het filosoferen op school, onder andere in de ontwikkeling van mijn model voor een onderzoekend oudergesprek, waarin de wil en inspanning om elkaar echt te begrijpen en samen te werken in belang van het kind centraal staan.

Ook in het onderzoeken van waarden, in dialoog met elkaar, zie ik een verbinding. Het filosofisch gesprek daarover lijkt me onontbeerlijk wanneer je aan de slag wilt met het gedachtegoed van Covey. Immers, wanneer het gaat om keuzes maken, doelen en prioriteiten stellen is het van essentieel belang om te weten welke gezamenlijke waarden je aanhangt en wat ieder daaronder verstaat. Ik werkte daarvoor 25 waarden uit in gespreksmateriaal, te gebruiken in teamgesprekken, intervisie en visieontwikkeling.

Andersom kan ik me voorstellen dat de theorie van Covey handvatten geeft om vanuit het zelfstandig denken (filosoferen) te komen tot zelfstandig doen. Filosoferen kan, maar hoeft immers geen doel in zichzelf te zijn. Sommige goede ideeën verdienen het om concreet tot leven te komen. En kinderen verdienen het om zowel vertrouwen in hun zelfstandig denken als in hun zelfstandig handelen te ontwikkelen.

Verbinding met ouderschap

Als ouder geeft de theorie van Covey me inspiratie hoe ik mijn (ass-)kinderen zou kunnen leren om het persoonlijke en individuele te verbinden met het gezamenlijke. Het stellen van doelen binnen je eigen grenzen en mogelijkheden en daartoe verantwoordelijkheid nemen. Herkennen hoe sociale interactie zowel waardevol kan zijn voor jezelf als voor anderen. Leren hoe je – op je eigen manier en met jouw specifieke behoeften – in balans komt en kunt blijven. Niet eenvoudig, zeker niet voor kinderen met een autistische beperking. Maar een uitdaging die je niet kunt laten liggen.

In de informatiebijeenkomst van CPS werd benadrukt dat niet alle kinderen tot dezelfde opbrengsten komen, maar wel allemaal hun talenten hebben en op hun niveau persoonlijk leiderschap kunnen ontwikkelen. Daarom wordt het programma ook op verschillende scholen voor speciaal onderwijs al toegepast. Mooi!

Sketchnotes

Mijn aantekeningen van de informatiebijeenkomst heb ik uitgewerkt in de onderstaande sketchnotes.

Meer lezen

Een paar links voor wie meer wil weten en lezen van en over Covey:

 

Snotmonsters en spoken

Over een week begint de Kinderboekenweek 2017. Wie wil filosoferen in de Kinderboekenweek vindt ruimschoots gespreksmateriaal op www.filosoferenopschool.nl. Wil je nog gebruik maken van de tijdelijke, gratis login voor het materiaal van de Kinderboekenweek? Stuur dan even een mailtje.

Behalve tot lezen en filosoferen geeft het thema van deze Kinderboekenweek 2017 – Gruwelijk eng! – ook inspiratie tot griezelig tekenen, schrijven en verhalen vertellen. In deze post vijf ideeën.

1. Snotmonsters

Voor een paar goeie snotmonsters maak je eerst een paar groene kledders op papier, liefst met ecoline, maar waterverf kan ook.

Vervolgens gebruik je een zwarte fineliner om er griezelige snotmonsters van te maken.

2. Bloederige griezels

Dit is min of meer hetzelfde recept als dat van de snotmonsters. Maak met rode ecoline een paar flinke bloedspetters. (Echt bloed kan natuurlijk ook.)

Om er griezels van te maken heb ik nu in plaats van fineliner kleurpotlood gebruikt.

3. Zoek de spoken

Voor deze tekenopdracht heb je papier nodig (bij voorkeur zwart, maar elke andere kleur volstaat ook prima) en kleurpotlood of krijt. Start met het maken van vloeiende ronde vormen in één doorgaande lijn. Je kunt er een zacht, spookachtig geluid bij maken. Zoek vervolgens in de vormen naar spoken en teken ze erin. Wie weet vind je ook nog een paar vleermuizen.

4. Botjesalfabet

Spelen met letters en vormgeving. Wanneer je botjes tekent, werkt dat goed op zwart papier met een wit krijt of kleurpotlood. Letters van spinnenwebben kan ook, of van bloedsporen van ecoline.

Een paar letters voor wie net begint met schrijven (je eigen naam bijvoorbeeld) of een heel alfabet voor de gevorderde.

5. Enge verhalen vertelspel

Het verhalenvertelspel heb ik eerder beschreven, maar leent zich goed voor de Kinderboekenweek. Maak daarvoor een woordweb rondom griezelverhalen. Wees niet bang om hier en daar wat te begrenzen qua griezeligheid en zorg ervoor dat ook woorden als ‘moed’, ‘dapper’, ‘nieuwsgierig’, ‘veilig’, ‘droom’ en ‘fantasie’ aan bod komen. Zo is er altijd een uitgang uit het verhaal als het te gortig wordt. Schrijf de woorden op kaartjes (zie de beschrijving in de eerder blogpost) en maak er illustraties bij.

Je kunt het spel spelen in de kring en samen een verhaal bedenken, maar bijvoorbeeld ook drie kaartjes en een schrijfopdracht geven.

 

Natuurkundeposters

Voor het College Groevenbeek in Ermelo maakte ik zes natuurkundeposters. Doel van de posters is om de stappen in beeld te brengen die de leerlingen doorlopen bij het oplossen van een natuurkundig vraagstuk. Door de posters in het klaslokaal te hangen zijn de stappen goed zichtbaar en kunnen de leerlingen het proces in de loop der tijd internaliseren. Wanneer er getoetst wordt, dekt de docent één of meerdere posters af om ook het stappenplan te kunnen toetsen.

Kinderboekenweek 2017

Een grote stapel boeken had ik deze zomer te lezen ter voorbereiding op de Kinderboekenweek. Het thema dit jaar luidt Gruwelijk eng! en daar horen griezelige boeken bij. Kan je daarmee filosoferen – meer dan alleen over bang zijn en angst? En zijn die boeken überhaupt leuk om te lezen? Niet het genre dat ik zelf zou kiezen. Maar dat maakt ‘verplicht’ lezen juist ook leuk: zo leer je andere schrijvers, stijlen en onderwerpen kennen. Uiteindelijk heb ik met veel plezier de hele zwik gelezen, en bleken er een paar echte parels tussen te zitten.

Lampje – Annet Schaap

Eén van de mooiste boeken uit deze stapel vond ik Lampje van Annet Schaap. Het boek is het debuut van Schaap, die al een indrukwekkende loopbaan als illustrator op haar naam heeft staan. Lampje is een ontroerend verhaal over buitenbeentjes, over mensen die door eenzaamheid, domme pech of hun eigenaardigheden buiten de samenleving vallen. Sommigen leggen zich daarbij neer, begraven zich in hun lot, anderen geven niet op en proberen zich vrijheid en bestaansrecht te veroveren.

Filosoferen met Lampje

Lampje bood, net als een aantal andere boeken, een onverwachte invalshoek voor het filosoferen bij het thema griezelen. Allerlei ‘griezels’ passeren in het boek de revue: zeemeerminnen, een vrouw met een baard, een Siamese tweeling, een dwerg, een verstandelijk beperkte jongen. Het boek laat je nadenken over de menselijkheid van deze buitenbeentjes. Kun je hun tekortkomingen of afwijkingen accepteren? Er zelfs van houden? En als dat zo is, wat valt er dan nog te griezelen?

Poster

Bijna 30 boeken voor de Kinderboekenweek heb ik uitgewerkt in gespreksvragen. Die zijn te vinden in de database met lesmateriaal op filosoferenopschool.nl. Bij Lampje ben ik vervolgens ook nog aan het tekenen geslagen, omdat het me leuk leek om een ‘filosofeerposter’ te maken.
Wat dat precies is, weet ik zelf ook nog niet. Wordt wellicht vervolgd.