Netwerk Cultuureducatie Hoeksche Waard

Blogserie: Vakgenoten

Zelfstandig, maar in goed gezelschap. Zo ervaar ik mijn werk als zzp’er in illustratie, cultuur en educatie. Ik werk graag alleen, maar geniet ook van samenwerken, sparren, onderzoeken en uitwisselen met vakgenoten. Voor deze blogserie schreef ik eerder een paar interviews.  Deze keer geen interview maar een verslag van hoe ik met mijn vakgenoten in de Hoeksche Waard op zoek ging naar vrijheid, zelfstandigheid en professionaliteit in samenwerking.

Netwerk Cultuureducatie Hoeksche Waard

Op 1 oktober was de first release van de website CultuureducatieHW.nl – een website die het gezamenlijk aanbod aan cultuureducatie in de Hoeksche Waard in beeld brengt, structureert en verantwoordt aan de hand van culturele competenties.

Een mijlpaal in een proces van onderzoeken en ontwikkelen.
Waarom was dat nodig? Omdat de Hoeksche Waard een rijkdom heeft aan cultuureducatieaanbieders die samen scholen kunnen inspireren tot en faciliteren in cultuuronderwijs vanuit het lokale aanbod. Als netwerk staan de lokale aanbieders sterker ten opzichte van de grotere regionale cultuurinstellingen, kunnen ze elkaar aanvullen en samen het belang van cultuureducatie in beeld brengen. En het begin was er al, dankzij CmK.

Cultuureducatie met Kwaliteit

Sinds 2013 investeert het Fonds voor Cultuurparticipatie samen met lokale en regionale overheden in het cultuuronderwijs op scholen. Dat doen zij via de regeling Cultuureducatie met Kwaliteit. Ook in de Hoeksche Waard is die regeling al een paar jaar van kracht en zet Helma Wagemakers zich vanuit de Bibliotheek in om scholen en aanbieders van cultuureducatie met elkaar te verbinden. De regeling loopt nog tot 2020. In de lopende periode is het doel vooral scholen te ondersteunen bij het maken van cultuurplannen en  leerkrachten bij te scholen op het gebied van kunst en cultuur. Daarnaast is het belangrijk dat de verbindingen die CmK heeft gelegd tussen scholen en cultuuraanbieders na 2020 een zelfstandig vervolg krijgen, zodat er een lokale voorziening van cultuuronderwijs op scholen bestaat.

Maar hoe realiseer je dat? En hoe waarborg je zo’n vervolg? Het professionele veld van cultuureducatieaanbieders bestaat uit kunstenaars, kunstvakdocenten, culturele ondernemers en culturele organisaties zoals het museum, de bibliotheek en muziekverenigingen. Niet alleen in discipline en aanbod divers, maar ook in organisatievorm: eenpitters, zzp’ers, kleine ondernemingen, openbare organisaties, verenigingen, stichtingen. Als snel bleek dat het streven niet moest zijn om één organisatie te vormen, maar dat we op zoek moesten naar een concept dat ruimte biedt voor die diversiteit. Een concept dat bovendien helderheid biedt over het gezamenlijke aanbod en hoe scholen daarmee invulling kunnen geven aan volwaardig cultuuronderwijs.

Een werkgroep bestaande uit Dionne Frijns (Theaterbureau Frijns), Frieda de Rhoter (Rho Toneel), Dennis Happé (beeldend kunstenaar, Denns Werk), Helma Wagemakers (CmK) en ikzelf ging aan de slag met het brainstormen over leerlijnen, promotie, fondswerving en organisatievormen. Er kwam een concept in beeld waarin de lokale aanbieders in alle vrijheid een netwerk vormen. Het aanbod presenteren zij op een gezamenlijke website die een leerlijnenkader biedt voor scholen. Via een aanpalende stichting kunnen nieuwe initiatieven en gezamenlijke projecten gefinancierd worden. Voor de cultuureducatieaanbieders werkt dat op deze manier:

Leerlijnenkader en culturele competenties

De aanbieders wilden meer dan samenwerken in een netwerk of website. Om een professionele impuls te geven aan het cultuuronderwijs op scholen wilden we inzichtelijk maken hoe het gezamenlijk aanbod bijdraagt aan de ontwikkeling van kinderen en hoe scholen vanuit dat aanbod hun cultuuronderwijs kunnen vormgeven. Maar liever niet door het aanbod te forceren in prescriptieve, theoretische leerlijnen. Door een ander perspectief te kiezen ontstond er ruimte om te denken vanuit culturele competenties. Cultuureducatie gaat immers verder dan lekker knutselen, een instrument leren bespelen of een voorstelling bezoeken. Op basis van literatuur- en bronnenonderzoek zijn we tot de beschrijving van negen culturele competenties gekomen: beleven,  creatief denken, kind als kunstenaar, sociale en emotionele vaardigheden, zelfstandig werken, ambacht en instrument, presenteren, reflecteren en context.

Iedere kunstenaar, kunstvakdocent of cultureel ondernemer ontwikkelt zelf activiteiten binnen zijn of haar expertise. Bij elk project, programma, workshop of training geeft hij of zij aan welke culturele competenties van toepassing zijn. De competenties gelden vervolgens als de bouwstenen om leerlijnen te ontwikkelen. Willen scholen met hun cultuuronderwijs kinderen zoveel mogelijk verschillende culturele competenties meegeven? Dan bouwen zij in de breedte. Willen ze verdiepen en specifieke vaardigheden vanuit verschillende activiteiten en disciplines versterken? Dan stapel ze de bouwstenen op elkaar.
De ‘Culturele Kieswijzer’ op de website geeft scholen de mogelijkheid aanbod te zoeken op basis van doelgroep, discipline en competentie. Zo geven school zelf invulling aan hun leerlijnen cultuuronderwijs.
Een handige hand-out voor scholen geeft weer hoe dat werkt:

Meer weten?

Het netwerk- en leerlijnenconcept van de Hoeksche Waard is volgens mij eenvoudig toe te passen in andere (kleine) regio’s. Wil je zelf ook samenwerken met andere cultuuraanbieders om zo tot meer lokaal, professioneel cultuuronderwijs te komen? Laat je vooral inspireren door onze website of neem contact op bij vragen: werkgroep@cultuureducatiehw.nl of judith@ateliervandeverbeelding.nl.

NB. Weet je niet zeker of het iets voor je is? De afwegingen vind je in het onderstaande stroomschema:

 

 

 

 

Dreamteam Kauffman en Deijmann

Blogserie: Vakgenoten

Zelfstandig, maar in goed gezelschap. Zo ervaar ik mijn werk als zzp’er in illustratie, cultuur en educatie. Ik werk graag alleen, maar geniet ook van samenwerken, sparren, onderzoeken en uitwisselen met vakgenoten. Op mijn blog deel ik mijn ideeën en ervaringen, en graag nodig ik mijn vakgenoten uit om dat eveneens te doen. In een serie interviews vraag ik ze op de mens af wat hen motiveert, hoe ze werken en wat ze ons vanuit hun ervaring in het vak kunnen leren.

Ilse/Michiel

Ilse Kauffman en Michiel Deijmann leerde ik kennen via Stichting Kunst in de Klas (K!K) in Rotterdam. K!K organiseerde en faciliteerde vanaf 2004 tien jaar lang omvangrijke kunstprojecten op scholen, waarbij steeds twee kunstenaars samen een lesplan ontwikkelden en uitvoerden in de klas. Een buitenkans voor scholen en kunstenaars, die zowel binnen kaders als grensoverschrijdend te werk gingen. Ilse en Michiel waren van begin tot eind betrokken bij K!K als rotsvast duo, maar bleven ook daarna samenwerken in de kunsteducatie. En dat is best bijzonder in een tijd waarin scholen moeite hebben om de middelen te vinden om kunst en cultuur te financieren. In dit tweede deel van de blogserie Vakgenoten vertellen ze hoe zij hun aanpak en werkwijze onderbouwen en wat hen drijft en inspireert in hun werk en gezamenlijke projecten.

Ilse en Michiel bij een werk van Krištof Kintera in de Kunsthal (2015).

Kunstenaar/docent

Michiel: Ik ben opgeleid tot kunstenaar en in de praktijk docent geworden. Dat is niet iets wat ik zelf zou hebben gekozen, ik had een rampzalig beeld van onderwijs overgehouden aan de lagere en middelbare school. Maar ooit werd ik gevraagd om popmuziekworkshops te geven op het Johan de Witt-college in Den Haag. Voor iets anders had ik het nooit gedaan, maar voor popmuziek konden ze me vragen. En zo ontdekte ik dat ik het leuk vond om anderen iets te leren – mijn vak en mijn enthousiasme daarvoor over te dragen tenminste. Als ik wiskunde had moeten geven, was het niks geworden.
De ervaring leerde dat ik het ook kon, de interactie met de leerlingen. Dus na de popmuziek volgde workshops in flash-animatie en vervolgens coördineerde ik het workshopaanbod. Ik ging steeds meer nadenken over wat ik de deelnemers wilde leren en hoe ik dat met de andere docenten kon aanpakken. De positieve feedback van opdrachtgevers en leerlingen zorgde ervoor dat ik mezelf langzaam maar zeker ook als docent ging zien. Maar in de kern gaat het mij om de kunsten en de muziek, dat komt op de eerste plaats.

Ilse: Na mijn opleiding aan de kunstacademie kwam ik terecht op het Haags Kinderatelier, aanvankelijk als vrijwilliger. Zo raakte ik vertrouwd met het lesgeven aan kinderen, in kleine groepjes. Dat vond ik heel leuk om te doen. Ik geloof dat je een kind met kunsteducatie echt iets kunt geven. Net zoals je een kind iets kunt afnemen als je zijn creativiteit niet waardeert. Ik herinner me een voorval op de basisschool, waar ik in de handwerkles eigen borduursteken had bedacht. De euforie die ik voelde toen ik zelf iets nieuws maakte en ontdekte, te gek! De juf liet mijn werk voor de klas zien met de woorden: ‘Dit is dus hoe het niet moet’. Als kind accepteer je dat, maar het is me altijd bijgebleven.

Alles wat je met kinderen kunt doen, wat te maken heeft met verzinnen, met ontdekken, met een andere laag aanspreken in het kind – dat drijft me.

Ik heb met autistisch kinderen gewerkt, met allerlei bijzondere kinderen, op Rotterdamse scholen met kinderen ‘van de straat’. Ik ben niet toevallig gaan lesgeven naast het kunstenaarschap, maar intrinsiek gemotiveerd. Ik weet hoe het voor mezelf werkt en dat wil ik graag met anderen, met kinderen, delen. Je creëert je eigen tekeningen, je eigen wereld. Dat levert mij veel op. De kunst is een fijn eiland.

Alleen/samen

Michiel: Ilse en ik kenden elkaar als ateliergenoten, dat zijn we inmiddels 23 jaar. Voor het eerste project van K!K in 2004 zijn we op uitnodiging gaan samenwerken, min of meer bij toeval. Dat beviel eigenlijk meteen goed. Door de ervaring bij K!K gingen we ook voor andere opdrachtgevers samenwerken. In de kunsteducatie kun je gewoon beter met z’n tweeën voor de klas staan – vooral als je beeldend werkt. Daar komen veel vaardigheden, gereedschappen en materialen bij kijken. En kinderen kunnen sterk verschillen in hun vaardigheden of in de begeleiding die ze nodig hebben om op gang te komen in een creatief proces. Er is veel aandacht nodig en met z’n tweeën kun je die aandacht geven.

Ilse: Wij werken doorgaans wel op pittige scholen, met kinderen die nauwelijks met kunst en creativiteit worden opgevoed.

Michiel: Maar eigenlijk geldt het voor alle scholen, ook als we met leerlingen van een gymnasium werken. Die zijn slim en kunnen goed nadenken over elkaar en over de wereld. Maar ze willen in zo’n creatief proces meteen alles goed doen of hebben moeite met samenwerken. Dan ben je blij als je om de beurt een groepje kunt aansporen en dat ook allebei op je eigen manier doet.

Ilse: Als je alleen werkt, ga je lessen verzinnen waarmee je het praktisch in de hand kunt houden. Dan haal je niet zo snel een boormachine of decoupeerzaag tevoorschijn. Dan geef je jonge kinderen geen stanleymes. Dat gaat ten koste van het experiment, van de individuele aandacht die nodig is om een kind te helpen dat vastloopt. Het is geen luxe om echt contact te kunnen maken met een kind. Als je organisatorisch èn inhoudelijk kwaliteit wilt, is samenwerken als duo een enorm voordeel. Wij zijn daar zo van overtuigd dat het vanzelfsprekend is geworden dat je ons samen inhuurt. En dat is ook wel weer uniek.

Cognitie/creativiteit

Michiel: Er is iets fundamenteel geks aan het onderwijs, iets wat niet klopt met hoe wij als mensen in elkaar zitten. Er is teveel van het één en te weinig van het ander. Teveel van het cognitieve, resultaatgerichte, en te weinig van het creatieve. Bovendien ligt de nadruk op de verschillen tussen deze twee, er wordt niet gezocht naar een symbiose. Kunst en muziek zijn niet zaligmakend, wel bieden ze andere manieren van denken en met de wereld omgaan. Een manier die te waardevol is om te laten liggen. Maar dat doen we structureel wel door hoe het onderwijs is ingericht. Kinderen krijgen daardoor weinig ruimte voor hun eigen manier van denken en doen. Dat gaat ten koste van hun motivatie tot ontwikkeling. Ik heb me vaak afgevraagd waarom ik zo’n hekel had aan school. Het enige dat ik fijn vond was tekenen en verder met rust gelaten te worden tot ik weer naar buiten kon. Er werd gezegd dat ik niet kon knutselen, ik hield me niet aan de voorgeschreven opdracht. Net als Ilse bij het borduren.

Ilse: Ik kan me ineens voorstellen dat je een kunstenaar met atelierfunctie in de school hebt, net als een conciërge of een logopedist. Waar leerlingen terecht kunnen met hun creativiteit, voor respons op hun ideeën en kunstzinnige werk. Iemand die er voor dit soort kinderen is, om ze verder te helpen in hun talenten en interesses. Continuïteit. Dat zou wèl luxe zijn.

Ilse tijdens een les in de Kunsthal bij een expositie van Keith Haring (2015/2016).

Kunstproject/cultuuronderwijs

Ilse: Intensief werken met de kinderen geeft je de kans een band met ze op te bouwen. Dat is het voordeel van een aaneengesloten kunstproject met lessen van bijvoorbeeld 1,5 uur. Dan kun je op de pittige scholen ook meer doen. De kinderen moeten vertrouwen in je hebben, vertrouwen dat het samen lukt. Cultuuronderwijs zou in het reguliere curriculum opgenomen moeten zijn, maar ook in periodes van intensieve projecten. Elke week een uurtje tekenen is heel goed en moet zeker ook gebeuren. Maar alle vluchtige uurtjes handvaardigheid kun je soms beter opsparen tot een module met langere lessen. Dan is het de moeite waard om al dat gereedschap uit de kast te pakken en er een troep van te maken. Het kost niks extra, maar je verdeelt je tijd anders. Scholen vinden dat vaak een goed idee, maar hebben geen idee hoe ze het moeten organiseren in het jaarplan.

Michiel: Het gaat er mij niet om als kunstenaar in de klas te zijn, meer om creativiteit in het onderwijs. Ik noem steeds kunsteducatie, maar bedoel vooral creativiteit. We komen niet in de klas om ons vak of talent als kunstenaar te laten zien. Sommige kunsteducatiedocenten doen dat misschien teveel: de kinderen laten meeliften op hun talent. In onze eerste projecten bij K!K ging het daar ook wel om. Maar inmiddels denk ik er anders over. Je bent beeldend kunstenaar, maar als je voor de klas staat ben je vooral docent. Dat kan heel goed samenvallen. Ik vind het een creatieve uitdaging om iets te bedenken, een project of een lesprogramma waarmee je iets wilt bereiken binnen die educatie. Maar dan wil ik vervolgens wel met eigen ogen zien of het werkt in de praktijk. Hoe het beter kan. Ik geloof in het zelf ervaren, in relatie tot de kinderen. Maar ook in het stellen van doelen, het van tevoren maken van een lesplan en brainstormen, liefst direct met de opdrachtgever.

Michiel tijdens een les over Keith Haring in de Kunsthal (2015/2016).

 Talent/vaardigheid

Michiel: Te vaak wordt gedacht: taal en rekenen dat kun je leren, creatief dat ben je. Dat is natuurlijk helemaal niet waar. Bovendien kun je op een creatieve manier met rekenen en taal omgaan. Kunst en creativiteit worden als talent weggezet, daardoor krijgen die domeinen de kans niet om deel te worden van het lesprogramma. Terwijl ze de mogelijkheid bieden om op een andere manier informatie te verwerken dan alleen met je hoofd.

Het gaat om de verbinding tussen verbeelding en feiten, tussen kennis en creativiteit.

Ik had als kind niet af hoeven haken in het onderwijs als die verbinding was gemaakt. Dat is wat wij als kunstdocenten moeten laten zien. Daarom moeten we ook nadenken over de theoretische, onderwijskundige kant van onze lessen en projecten. We moeten een duizendpoot willen zijn en op een positieve manier een wig drijven in wat het onderwijs nu is. Om te laten zien dat dit niet de enige manier is. Er wordt beweerd dat kinderen zich niet meer kunnen focussen, dat ze niet langer dan 10 minuten aandacht voor je hebben. Dat is niet wat wij ervaren. In meer intensieve projecten, met een goed doordachte lesopbouw, is het heel goed mogelijk om met de kinderen een bepaalde flow of focus te bereiken. En zo laten we zien dan het anders kan, dat de kinderen anders kunnen.

Ilse: Goed gezegd Michiel!

Creativiteit voor een betere toekomst

In Museum Boijmans van Beuningen bezocht ik afgelopen vrijdag de tentoonstelling Change the System, waarin werk te zien is van vijftig ontwerpers met de ambitie de wereld te veranderen. Het museum richt daarmee de aandacht op de veranderkracht van creativiteit. De ontwerpers zijn geïnspireerd door maatschappelijke en mondiale thema’s en uitdagingen zoals vervuiling, conflicten en schaarste van grondstoffen.

De tentoonstelling is een uitnodiging aan het publiek om mee te denken. In verschillende Labs voeren ontwerpers experimenten uit waarbij ze het publiek betrekken. Ook kan het publiek via sociale media zelf een bijdrage leveren en reageren op projecten uit de tentoonstelling.

Maatschappelijke issues als bron van inspiratie voor kunst en design

Maatschappelijke vraagstukken zijn al langer een bron van inspiratie voor kunstenaars, bijvoorbeeld in de geëngageerde kunst. Daarbij gaat het er de kunstenaar om misstanden in beeld te brengen en het publiek bewust te maken. Het is kunst die vragen oproept over de wereld waarin we leven, maar niet noodzakelijk een antwoord of oplossing wil bieden. In theorie is design een discipline die wel naar antwoorden en oplossingen zoekt. Wellicht spreekt Boijmans daarom van ‘ontwerpers’ en niet van ‘kunstenaars’ in de tentoonstelling Change the system, hoewel de grens daartussen in sommige werken diffuus is.

Maar brengt het geven van creatieve oplossingen meer verandering teweeg dan het stellen van kritische vragen? Dat kun je je afvragen, zeker waar het gaat om unieke ideeën die vooral getuigen van de creativiteit van de ontwerper, maar niet direct navolging zullen of kunnen krijgen. Vaak is zo’n oplossing dan opnieuw een installatie of object dat vooral dient om het publiek aan het denken te zetten. Over de problematiek, of zoals in de tentoonstelling van Boijmans, over onze eigen oplossingen.

 

Foto: Change in context. Tijdlijn samengesteld in samenwerking met M. van Helvert op basis van haar boek ‘The responsible object: A History of Design Ideology for the Future’. Uit de tentoonstelling Change the System.

Creativiteit is een competentie

Dat huidige mondiale en maatschappelijke issues uitnodigen tot creativiteit staat buiten kijf. Dat heeft te maken met urgentie, met het geloof in maakbaarheid, met het menselijk streven naar vooruitgang. En problemen nodigen nu eenmaal uit tot het denken over oplossingen. De enorme creativiteit die ontwerpers tentoonspreiden ten aanzien van die mondiale problemen is hoopgevend. Die getuigt van vindingrijkheid, van innovatie, van de erkenning dat standaardoplossingen niet meer voldoen en nieuwe en ongebruikelijke ideeën nodig zijn. Het is daarom niet verwonderlijk dat creatief denken  binnen het onderwijs gezien wordt als een van de zogenoemde ‘vaardigheden van de 21e eeuw’. Daarbij is het uitgangspunt dat creativiteit geen talent is, maar een competentie die iedereen kan ontwikkelen. De verschillende modellen die daarvoor bestaan veronderstellen een aantal basisvaardigheden: creatief waarnemen, flexibel associëren, uitstellen van oordeel, divergeren en verbeelden.

Creativiteit vergt moed

De vaardigheden voor creativiteit kun je leren, de modellen kun je toepassen. Nog mooier is het als er binnen dat leerproces van creatief denken ook ruimte is voor creatieve expressie. Niet alleen voor beredeneerd vormgeven en uitvoeren van een plan waarop naderhand gereflecteerd moet worden. Maar ook voor speelse ontdekkingen die volgen op het denkproces. Of daar nog deel vanuit maken. Juist bij jonge kinderen gaat het ontdekken van oplossingen hand in hand met het denken daarover. Om dat vermogen tot onderzoeken, tot nieuwsgierigheid vast te houden is ruimte nodig voor experiment, voor creëren, voor verbeelding. Want hoewel dat bij jonge kinderen vaak nog min of meer vanzelf gaat, is daar op den duur steeds meer moed voor nodig. Moed om nieuwe dingen te beginnen, om door te zetten, om het risico te nemen iets niet te begrijpen of niet begrepen te worden. Moed om het risico te nemen om niet gewaardeerd te worden, te falen, de controle over het eindresultaat te verliezen.

Uitvindersclub

Zo’n tien jaar lang had ik een lesatelier in Rotterdam van waaruit ik cursussen en activiteiten organiseerde in filosoferen, schrijven en verbeelden. Een van die activiteiten was de Uitvindersclub. De opzet was vrij eenvoudig: vanuit vraagstukken die dicht bij het jonge kind (groep 3 tot 5) lagen werden de deelnemers uitgenodigd om creatief te denken en te creeren. Om te spelen met oplossingen en die weer te geven in ontwerpen, maquettes en prototypes. In de praktijk kwam dat neer op heel veel tekeningen, onbegrijpelijke knutsels en vooral meters plakband. Daarbij hoorden uitgebreide verhalen, want wat het publiek misschien niet direct zag zat er wel degelijk in: een ingenieuze oplossing voor een alledaags probleem. En de kinderen konden dat over het algemeen goed en met veel enthousiasme toelichten. De tentoonstelling Change the system deed me terugdenken aan die jonge uitvinders, die met hun vindingen de wereld niet konden veranderen maar vooral vertrouwen lieten zien. In een positieve toekomst en in hun eindeloze creativiteit.

Wordt vervolgd

Wil je weten hoe je eenvoudig een paar ‘uitvinderslessen’ opzet? Je leest het in mijn volgende blog.

 

Verhalenvertelspel in de klas – DIY

Een verhalenvertelspel is een eenvoudig groepsspel dat zorgt voor taalplezier, creativiteit en verbinding. Er zijn diverse vertelspellen te koop, maar je kunt het ook heel goed zelf maken, thuis of in de klas. Een verhalenvertelspel bestaat uit een set kaarten die je gebruikt om een gezamenlijk verhaal te verzinnen en te vertellen. Op de basisschool is het spel geschikt voor kinderen van groep 3 t/m 8. Doordat de kinderen de woorden kiezen die ze op de kaarten schrijven en het verhaal vertellen, bepalen zij zelf het niveau van het spel.

Benodigdheden:

  • schoolbord
  • kleine kartonnen kaartjes (bijv. A7 formaat / 7,5x10cm)
  • schrijf- en tekengerei

Het spel maken

Maak gezamenlijk een woordweb rond een vertelthema, bijvoorbeeld sprookjes, fabels, avonturen, reisverhalen of schoolverhalen. Verzamel zoveel mogelijk woorden.

Verdeel de woorden over de kinderen. Elk kind schrijft zijn woorden op verschillende kleine kaarten en maakt er tekeningen bij. Maak van alle kaarten een dikke stapel.

Tip voor de bovenbouw: verdeel de kinderen in groepen en laat ze per groep een woordsoort voorbereiden, passend bij het thema. Bijvoorbeeld:

  • personen (de soldaat, de kapitein, de dame)
  • voorwerpen (de sleutel, het hek, de koffer)
  • dieren (de wolf, de vleermuis, de kat)
  • emoties (boos, verongelijkt, uitgelaten)
  • bijvoeglijk naamwoord of bijzonderheid (rood, glimmend, stekelig)
  • plaats (bij het meer, in het bos, onder een steen)
  • werkwoord (lopen, rennen, huilen, smeken, lachen)

Het spel spelen

De kinderen zitten in een kring en bedenken en vertellen gezamenlijk een verhaal aan de hand van de kaarten. Wie wil vertellen trekt een kaart uit de stapel. Het woord en de afbeelding op de kaart geven telkens aan waar het verhaal heen gaat. De verteller gebruikt zijn fantasie en vertelkracht om de kaart een plek te geven in het gezamenlijke verhaal.

Wanneer de verteller is uitverteld, gaat een volgende verder door opnieuw een kaart te trekken en aan te sluiten op het verhaal. Het verhaal is afgelopen wanneer er een logisch einde ontstaat, of wanneer de tijd op raakt.