Filosoferen tijdens de Nationale Voorleesdagen

Prentenboeken en voorleesverhalen vormen een prachtig uitgangspunt voor onderzoekende gesprekken met jonge kinderen. Daarmee oefenen zij de vaardigheden die horen bij het filosoferen: zelfstandig nadenken over vragen, begrijpend luisteren, sociale interactie, respect en waardering opbrengen voor andere meningen.

Is het lastig voor kleuters om zo’n gesprek te voeren? Kun je dan al echt spreken van filosoferen? Kunnen jonge kinderen dat überhaupt, filosoferen? Daarover schrijf ik  in mijn volgende blogpost.

Vandaag, vanwege de start van de Nationale Voorleesdagen, een paar vragen om over na te denken na het lezen van het Prentenboek van het jaar: ‘Ssst! De tijger slaapt’ van Britta Teckentrup.

 

 

De tijger is in diepe slaap, maar ze ligt wel heel erg in de weg. Hoe kunnen de andere dieren erlangs, zonder dat ze de tijger wakker maken? Dat wordt spannend!

Het verhaal

Hoe kunnen de ooievaar, de vos, de kikker, de schildpad en de muis langs de slapende tijger komen? Ze hebben haast en ook heel veel ballonnen bij zich. Daarmee bedenken ze creatieve manieren om de tijger te omzeilen. Gelukkig kan de lezer van het verhaal de dieren helpen om de tijger in slaap te houden: door over zijn neus te aaien of een slaapliedje te zingen. Uiteindelijk wordt de tijger toch wakker. We verwachten dat de dieren bang zijn en daarom zo voorzichtig deden. Maar dan blijkt dat ze een verrassingsfeestje hebben georganiseerd.

Filosoferen over voorzichtig zijn

Alle jonge kinderen hebben wel ervaring met situaties waarin je voorzichtig wilt of moet zijn. Soms omdat je ouders  of leerkracht dat belangrijk vinden. Soms omdat je zelf iets gevaarlijk of spannend vindt. Wanneer voorzichtigheid geboden is, daarover kun je van mening verschillen. En voor de één lijkt het ook veel lastiger om voorzichtig te zijn dan voor de ander. Hoe komt dat? Daarover kun je filosoferen aan de hand van de volgende vragen:

  • Wat betekent voorzichtig zijn? Hoe doe je dat, voorzichtig zijn? Hoe ziet dat eruit?
  • Waarbij moet je voorzichtig zijn? Of: Wanneer moet je voorzichtig zijn?
  • Wie vertelt je dat je voorzichtig moet zijn? Of bepaal je dat zelf?
  • Is het moeilijk of makkelijk om voorzichtig te zijn? Waarom?
  • Ben je wel eens onvoorzichtig? Wat gebeurt er dan?
  • Is het soms ook goed om onvoorzichtig te zijn? Waarom denk je dat?
  • Heb je moed nodig om onvoorzichtig te zijn? Op welke manier? Of: waarom niet?
Verantwoording en link

Titel: Ssst! De tijger slaapt
Auteur: Britta Teckentrup
Uitgeverij: Gottmer, Haarlem 2016

 

 

DIY: gedichten schrijven in de klas

Zoals beloofd in de vorige post geeft Annelies Goedhart een handige hand-out om zelf gedichten te schrijven in de klas. Dat past mooi bij de Poëzieweek die start op 25 januari, maar kan natuurlijk ook op elk ander moment. Het stappenplan van Annelies geeft bovendien inzicht in hoe je zelf een les poëzieschrijven zou kunnen voorbereiden.
Dichten maar!

Een gedicht over deel en geheel

Het onderstaande gedicht ‘Genoeg’ van Hans en Monique Hagen is een beeldende tekst over deel en geheel, over jezelf en de wereld om je heen. De vorm en inhoud geven inspiratie voor het schrijven van een zogenoemd imitatio-gedicht, aan de hand van de 3 stappen die hieronder zijn beschreven. Tot slot is een korte suggestie gegeven voor een groepsgedicht.

Genoeg

duizend bomen is een bos
duizend druppels is de regen
duizend sprietjes is het gras
maar

hoeveel woorden heb ik
hoeveel belletjes van spuug
hoeveel tranen, hoeveel lach
hoeveel poep en hoeveel plas
hoeveel kusjes voor de nacht
zal ik nog krijgen en nog geven

genoeg
voor heel mijn leven

Hans en Monique Hagen (uit: Jij bent de liefste, Querido, 2000)

Stap 1: Het gedicht lezen en bespreken

Lees het gedicht in de groep een paar keer door en voor –
eerst de leerkracht, daarna enkele kinderen. Vraag je samen af:

  • Waar gaat de eerste helft van het gedicht over?
  • Waar gaat de tweede helft van het gedicht over?
  • Wat valt je op aan hoe het gedicht is geschreven, aan de vorm en aan de woorden?
Stap 2: creatief denken

Voor je een gedicht gaat schrijven helpt het om eerst creatief te denken over wat je wilt vertellen, over woorden en over zinnen. Dat kun je doen aan de hand van de volgende vragen.

Vragen bij de eerste helft van het gedicht:

  • één boom is een boom en ‘duizend bomen is een bos’
    Wat kunnen duizend bomen nog meer zijn? Waar zie je duizend bomen bij elkaar?
    Duizend bomen is . . . . . . . . .
  • één druppel is een druppel en ‘duizend druppels is de regen’
    Wat kunnen duizend druppels nog meer zijn?
    Duizend druppels is . . . . . . . . .
  • Kun je zelf een zin bedenken over de natuur? Denk aan stenen, blaadjes, sterren, vissen, vogels, koeien, wolven, mensen.
    Duizend . . . . . . . . . . . . is . . . . . . . . . . . . .

Vragen bij de tweede helft van het gedicht:

  • Kijk naar je lichaam. Uit welke delen bestaat je lichaam? Wat zit er allemaal in je lichaam?
  • Kun je zelf een nieuwe zin bedenken zoals in de tweede helft van het gedicht?
    Hoeveel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . heb ik?

Vragen voor de afronding van het gedicht:

  • Wat kan je krijgen van iemand en geven aan iemand?
  • Wat vind je zelf leuk om te krijgen?
    Bedenk een pakkende laatste zin voor je gedicht.
Stap 3: schrijven en voordragen

Schrijf nu, met behulp van alles wat je bij stap 2 hebt bedacht, je gedicht.
Gebruik eventueel dit werkblad.
Draag tenslotte de gedichten aan elkaar voor. Maak daarbij gebruik van de volgende drie tips:

  1. Sta stevig met je voeten op de vloer en haal rustig adem;
  2. Houd je tekst met twee handen vast voor je buik. Zo kun je contact houden met het publiek en kan iedereen je goed horen;
  3. Speel bij het voordragen met je stemgeluid en gezichtsuitdrukking.
Suggestie: een groepsgedicht

Bespreek het inspiratiegedicht (zie stap 1) en bedenk, individueel en samen, eigen zinnen aan de hand van de vragen in stap 2. Schrijf de zinnen op strookjes papier.
Lees de zinnen aan elkaar voor. Kies een aantal zinnen uit en maak daaruit, door de strookjes onder elkaar te leggen, een groepsgedicht. Speel en puzzel met de zinnen tot je de meest krachtige volgorde hebt gevonden.

 

Meer poëzie in de klas?

Wil je een workshop van Annelies in de klas? Kijk dan op www.drukjeuit.nl.

Meer mooie gedichten van Hans en Monique Hagen:

 

 

Poëzie in de klas: Annelies Goedhart

Blogserie: Vakgenoten

Zelfstandig maar in goed gezelschap. Zo ervaar ik mijn werk als zzp’er in illustratie, cultuur en educatie. Ik werk graag alleen en geniet ook van samenwerken, sparren, onderzoeken en uitwisselen met vakgenoten. Op mijn blog deel ik mijn ideeën en ervaringen. In een serie interviews nodig ik mijn vakgenoten uit om dat eveneens te doen en vraag ik ze op de mens af wat hen motiveert, hoe ze werken en wat ze ons vanuit hun ervaring in het vak kunnen leren.

Deel 1: Annelies Goedhart

Op 25 januari start de Landelijke Poëzieweek. Annelies Goedhart kent de ins-and-outs van het schrijven van poëzie met basisschoolleerlingen als geen ander. Ze geeft sinds 2006 les op het gebied van creatief schrijven (waaronder poëzie), taalvorming en taaldrukken. Haar aanbod en werkwijze vind je op Drukjeuit.nl.
In dit eerste deel van de blogserie Vakgenoten vertelt Annelies over de betekenis van poëzie en creatief schrijven voor leerlingen in het basisonderwijs. In de hiernavolgende blogpost geeft Annelies inspiratie om zelf aan de slag te gaan met het lezen en schrijven van gedichten tijdens de Poëzieweek.

 

“Al mijn werkzaamheden via ‘Druk je uit’ dienen een duidelijk doel. Ik wil dat mijn deelnemers hun stem vinden, hun woorden vinden en vertrouwen krijgen in het verhaal dat ze vertellen. Ik wil kinderen creatief laten spelen met taal en ze duidelijk maken dat er niet één manier is om dat te doen. Samen gaan we op zoek naar een vorm en stijl die bij hen past.”

Ik maak gebruik van verschillende werkwijzen en werkvormen, maar de basis ligt in taalvorming en taaldrukken. Een bestaand concept waarmee ik leerde werken bij de Taaldrukwerkplaats in Rotterdam. Taalvorming werkt vanuit een taalronde, waarin alle taalvaardigheden geïntegreerd aan bod komen: spreektaal, schrijftaal, beeldtaal, lichaamstaal. We starten met een gesprek over een onderwerp waar iedereen ervaring mee heeft. Alle kinderen kunnen meedoen. Ze voelen zich door het onderwerp aangesproken om iets met elkaar te delen, zijn enthousiast om te vertellen wat hun ervaring is. Doordat we er samen over praten is het schrijven vervolgens makkelijker.
Taalvorming heeft een duidelijk stappenplan. Je begint met spreektaal, vervolgens ga je naar de schrijftaal. Kinderen die denken dat ze niets kunnen bedenken om te schrijven hebben een opstapje: ze schrijven gewoon op wat ze net in de kring hebben verteld. Vervolgens ga je met die geschreven tekst aan de gang. Eerst herschrijven, om de tekst begrijpelijker en sterker te maken. Daarna maken we de tekst nog krachtiger met een illustratie. De beeldtaal versterkt de schrijftaal.
Dan is het proces van Taalvorming afgerond en start het Taaldrukken. We verwerken de teksten en beelden tot een boek of tot een poster. Verschillende druktechnieken maken het mogelijk om in oplage te werken. In een klas van 30 kinderen heeft dan uiteindelijk iedereen zijn tekst geschreven en geïllustreerd, bijvoorbeeld in sjabloontechniek, die we vervolgens in een oplage van 30 in de klas afdrukken. We vermenigvuldigen en verspreiden het werk van de kinderen en zo ervaren zij dat hun tekst van waarde is. De posters hangen in de school, de boekjes gaan mee naar huis. Er is een publiek voor hun werk. (Groot)ouders, docenten en andere kinderen lezen het. Dat is magisch! En dat geldt ook als ze hun werk voordragen. Dat is spannend, of zelfs eng voor velen. Maar het geeft voldoening. En zelfvertrouwen, wanneer ze het gedaan hebben. De complimenten die ze krijgen en elkaar geven doet ze goed.”

“Gebaseerd op de taallessen op school hebben kinderen een idee en verwachting van werken met taal. Als ik in de klas kom, neem ik een andere ingang: creatieve taal en presentatie. Daardoor kunnen de kinderen naast de noodzakelijke reguliere taallessen op een andere, creatieve wijze met taal bezig zijn en taalplezier beleven. Want als je poëzie schrijft, hoeft je tekst niet te voldoen aan strikte regels. Je kunt je meer vrijheden veroorloven. Je mag er in een gedicht voor kiezen om geen hoofdletters of punten te gebruiken. Je mag in gedichten woorden combineren die je normaal niet samen gebruikt. Je mag zeggen dat ‘zonnestralen dansen’. Je kunt je eigen woorden bedenken, je kan spelen met woorden.
Toch benoem ik meestal niet letterlijk dat we poëzie gaan schrijven, tenzij we werken met een vast dichtvorm zoals een rondeel of haiku. Want wat is de definitie van een gedicht? Er is veel meer vrijheid als ik kinderen vraag om ‘3 tot 5 korte regels te schrijven’. Zo zijn ze niet belemmerd door hun idee van wat een gedicht moet zijn. Op het juiste moment bespreken we samen wat een gedicht allemaal kàn zijn.

Leerkrachten zijn vaak verrast over wat er in de lessen gebeurt. Zowel over de werkwijze als over het resultaat. Omdat ik het schrijven stap-voor-stap begeleid, doen ook de kinderen mee van wie zij het niet verwachten, de kinderen die moeite hebben om zich te uiten of moeite hebben met taal. Om ook de ‘pluskinderen’ voldoende uit te dagen benoem ik wel bepaalde aspecten van poëzie, zoals alliteratie en assonantie. Je ziet dan dat zij dat direct toepassen in hun gedichten. Maar aan het einde van de les hebben alle kinderen een tekst, een gedicht geschreven. Dat vind ik belangrijk: schrijven en taal zijn voor iedereen.”

“Niet slechts enkele mensen zijn schrijvers. Iedereen heeft zijn eigen woorden, zijn eigen verhaal. Dat wil ik kinderen meegeven. Iedereen kan schrijven.”

“Bestaande poëzie van Nederlandse dichters vormt meestal het startpunt van mijn lessen, de inspiratiebron. Aanvankelijk werkte ik veel met korte verhalen, bijvoorbeeld van Toon Tellegen. Dan ging het vervolgens om het duiden van het verhaal, voordat we over de eigen ervaringen spraken. Tegenwoordig werk ik vooral met gedichten. Dat is ten eerste omdat ik ervan geniet en het mij inspireert. Ik kan het vol passie doorgeven aan de kinderen. Ten tweede is een gedicht kort en krachtig. Heel functioneel, want veel kinderen hebben nu eenmaal een korte spanningsboog. Ook laat het ze zien dat een tekst die ze zelf schrijven kort en bondig mag zijn, het hoeft niet zo uitgebreid.
Een gedicht heeft bovendien meerdere lagen en betekenissen. Kinderen kunnen hun eigen betekenis eraan geven en daar met elkaar over in gesprek gaan. Ze leren dat iedereen anders kijkt en luistert.

Ik merk vaak dat kinderen niet erg bekend zijn met poëzie. Er zijn weinig gelegenheden waarbij ze in aanraking komen met poëzie. Toch houden ze er wel van. Als ik aan het einde van een workshop of gastles vraag wat ze hebben geleerd, zeggen ze dat ‘gedichten schrijven eigenlijk heel leuk is’ en dat ze ‘nu begrijpen wat een gedicht is’. Op een school waar ik al een aantal jaren werk, de Oscar Romeroschool in Rotterdam, is inmiddels een vaste groep kinderen die er na schooltijd voor kiest om bij mij te komen schrijven. Dat zijn kinderen die echt houden van het schrijven van poëzie. Eén van hen, een jongen uit groep 8, is dol op het schrijven van haiku’s. Vaak schrijft hij behalve de gegeven opdracht ook een paar haiku’s over het onderwerp. Dat is geweldig om te zien. De haiku is zijn vorm. Daar geniet hij van. Hij schrijft krachtige teksten.

Ik heb in mijn werk op Rotterdamse scholen regelmatig te maken met kinderen die thuis een andere taal spreken dan op school, die tweetalig zijn of het Nederlands als tweede taal hebben. Kinderen die moeite hebben met taal, met grammatica en spelling, met spreek- of schrijfvaardigheid. Ze beginnen vaak al met een achterstand, moeten een inhaalslag maken op school. Ik kan me in hen verplaatsen omdat ik zelf tweetalig ben opgegroeid. Aanvankelijk spraken we vooral Engels thuis, eenmaal op school struikelde ik over het Nederlands. Hierin ligt een deel van mijn motivatie: ik wil voor deze kinderen de drempel verlagen om zich in taal uit te drukken, ze succeservaringen laten beleven zodat ze er meer vertrouwen in krijgen. Dat doe ik door lessen in creatief schrijven, maar bijvoorbeeld ook met lessen Schrijfdans die tot doel hebben fysiek ontspannen te leren schrijven.
De opbouw van mijn lessen dienen hetzelfde doel. Drukke kinderen, kinderen die moeite hebben zich te concentreren of te organiseren, zijn vaak opvallend creatieve kinderen. Maar je moet ze wel begeleiden in het zetten van de juiste stappen om tot schrijven te komen. Dan blijkt pas dat ze het kunnen. Ik heb gezien dat structuur en veiligheid belangrijke voorwaarden voor kinderen zijn om te kunnen schrijven. En het stellen van de juiste vragen. Als je specifieke vragen stelt, krijg je ook specifieke antwoorden. Als een schrijfopdracht luidt: ‘Schrijf maar iets leuks over jezelf’ kan niemand daar iets mee. Kinderen al helemaal niet. Ik vraag door, vraag kinderen om zo precies mogelijk te vertellen. Wat hoor je, wat zie je? Hoe klinkt dat precies, hoe ziet er eruit? Geef aandacht aan details. En ik heb leren luisteren. Wat wordt er nou echt gezegd? Wat bedoelen ze daarmee? Ik vraag door totdat ik de kinderen begrijp en zijzelf begrijpen dat details ertoe doen. Dan pas worden teksten boeiend om te lezen.

Natuurlijk zijn er kinderen die talent hebben voor taal en voor schrijven. Maar in mijn werk valt me op dat als het taal betreft, kinderen heel uiteenlopende talenten kunnen hebben. Sommigen zijn vlotte sprekers, anderen gemakkelijke schrijvers, weer anderen kunnen zich bijzonder krachtig uitdrukken in beeldtaal of lichaamstaal. Als je kinderen diverse mogelijkheden biedt om zich uit te drukken, zal ieder kind een vorm ontdekken waarin hij of zij talent heeft. De andere werkvormen zijn dan vaardigheden die je kunt oefenen. Maar je uitdrukken in taal is zo essentieel menselijk – ik geloof dat iedereen dat kan, op zijn manier.”

“De mens heeft een basale behoefte tot communiceren, tot zich verbinden met anderen. Iedereen wil met anderen zijn verhaal delen en zich uitdrukken. Taal, gesproken of geschreven, beeldtaal of lichaamstaal, is de manier waarop we dat doen.”

 

Annelies Goedhart is vakdocent Taalvorming en Taaldrukken, Tamalpa Practitioner en grafisch vormgever.  Ze woont en werkt in Rotterdam.

 

Tekenen in het Rijksmuseum van Oudheden

Ingegeven door de spreekbeurt van mijn oudste zoon gingen we in de kerstvakantie naar het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Een prachtig museum met een geweldige collectie. De spreekbeurt gaat over Egypte en daarvan is een vaste expositie te bekijken van ruim 1400 voorwerpen. In de centrale hal van het museum staat een Egyptische tempel en vanwege het 200-jarig jubileum van het museum wordt daarop een indrukwekkende lichtshow geprojecteerd.

Natuurlijk waren ook de andere exposities, over Nineveh, de Nederlandse Romeinse tijd, de Klassieke wereld en de Archeologie van Nederland, zonder meer boeiend. Maar de kers op de taart was wat mij betreft Studio RMO, een tentoonstelling èn tekenatelier. Daar troffen we gipsen replica’s van de beroemde beelden uit de Griekse oudheid, zoals Kouros van Tenea, Laocoön en zijn zoons, de Discuswerper, Venus van Arles, Apollo Belvédère, de Wagenmenner van Delphi en Venus van Milo. Tekenmateriaal lag klaar, dus gingen we direct aan de slag.

Ik deed een gooi naar de Venus van Milo.

Mijn jongste zoon tekende de Wagenmenner van Delphi, met al zijn plooien en zonder arm. En mijn oudste zette zomaar de discuswerper op papier. Je ziet ‘m haast wegvliegen, met discus en al.

Studio RMO is nog te bezoeken tot 2 september 2018. Er zijn lesprogramma’s, kinderactiviteiten en de mogelijkheid tot het zelf organiseren van tekencursussen. Zie voor meer informatie Studio RMO.

 

 

Ik wens je een omhelzing

De laatste blogpost van 2017.  Dan zit mijn eerste blogjaar erop. In de voorgaande jaren was veel aandacht uitgegaan naar het filosoferen op school, maar daarnaast wilde ik weer meer schrijven en verbeelden. Een blog leek me een goede manier om dat te doen, met als doel te inspireren, te onderzoeken, en ideeën, illustraties en materialen te delen. Het bevalt me, dus in 2018 ga ik gestaag door met mijn schrijfsels en illustraties. Voor wie het leest. Om met Mwah te spreken: Die is te gek.

Op de valreep wil ik nog een boekje onder de aandacht brengen dat past bij deze tijd. Zowel bij het einde van het jaar, waarin we elkaar opzoeken om samen te vieren, maar ook bij deze tijd van individualisme en autonomie. Het heet ‘De omhelzing’ en is geschreven door David Grossman. De gevierde Israelische schrijver Grossman (1954) leerde ik kennen via mijn leesclub. Daar lazen we de roman ‘Komt een paard de kroeg binnen’ (2015).

Deze roman beschrijft een optreden van stand-up comedian Dov Grinstein, die zijn voorstelling begint met het maken van grappen, maar steeds meer de behoefte voelt om zijn levensverhaal te vertellen. Het publiek haakt af, maar voor Grinstein is het de enige manier om in zijn laatste voorstelling afscheid te nemen van het toneel. ‘Komt een paard de kroeg binnen’ is een intelligent, schrijnend boek over eenzaamheid. Over humor als wapen, maar ook als vorm van contact, van communicatie. Het lukt Dov Grinstein niet om zijn eenzaamheid te bestrijden met zijn humor, hij staat alleen op het podium en neemt in eenzaamheid afscheid.

Grossman schrijft behalve romans ook essays, kinderboeken en een enkel toneelstuk. Zijn ontroerende prentenboekje ‘De omhelzing’ gaat eveneens over eenzaamheid, of misschien juist over tweezaamheid.

De kleine Ben maakt een wandeling met zijn moeder en zij vertelt hem hoeveel ze van hem houdt. Omdat hij uniek en speciaal is. Er is er maar één zoals hij. Ben voelt zich daardoor niet op een voetstuk gezet, maar juist eenzaam:

‘Waarom is er niemand op de hele wereld zoals ik? (…) Ik wil niet de enige zoals ik op de hele wereld zijn. Dan ben ik helemaal alleen.’

Bens moeder legt uit dat iedereen alleen en uniek is, maar dat daarom de omhelzing is uitgevonden:

‘Jij bent de enige zoals jij,’ zei zijn moeder, ‘en ik ben de enige zoals ik, maar als ik jou nu een knuffel geef, dan ben je niet alleen en ben ik ook niet alleen.’

‘De omhelzing’ brengt eenzaamheid in beeld die enerzijds zo menselijk en onontkoombaar is en anderzijds versterkt lijkt in de huidige tijd waarin we onze individualiteit willen benadrukken. Als we allemaal uniek en speciaal zijn, zijn we dan niet juist allemaal eenzaam? Willen we gezien worden in onze bijzonderheid, of liever opgaan in een groter geheel? Is het moeilijk  om te erkennen dat je slechts een schakel bent binnen je gezin, je familie, de samenleving, of geeft dat geborgenheid en zin aan het leven?
Vragen waar we allemaal vroeg of laat met te maken hebben, door het werk dat we doen, de manier waarop we leven en de zorg en betrokkenheid die anderen van ons nodig hebben. Vragen ook die ons kunnen helpen om plannen te maken voor het nieuwe jaar. Waar wil je je tijd en aandacht aan besteden in 2018?

Ik ga in ieder geval door met bloggen. Dat laat zich goed combineren met het werk dat ik doe en de zorg die ik wil geven. Ik bedank jullie voor het lezen (te gek!) en Kelly Deriemaeker van wie ik tijdens de vorige kerstvakantie het Blogboek vond in de bibliotheek. Dat gaf me het zetje om te beginnen. Inmiddels heb ik de nieuwe, herziene versie van het boek. Een plezierig te lezen aanrader voor wie ook overweegt te gaan bloggen.

Tot slot wens ik iedereen fijne feestdagen, een gezond en voorspoedig 2018 en heel veel omhelzingen.

 

De Uitvindersclub (2): 6 lesideeën

Deze week 6 ideeën voor de Uitvindersclub: activiteiten om creatief te denken, oplossingen te zoeken, robots te ontwerpen, anders te kijken, een beeld te vormen van de toekomst.

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

1. Toekomstbouwers

De uitvinders denken na over het leven in de toekomst, aan de hand van één van de volgende invalshoeken.

Spelen
De Uitvindersclub ontwerpt samen een superspeeltuin en vraagt zich af:  Welke speeltoestellen bestaan nog niet, maar zou je wel graag willen zien? Hoe kun je speelplaatsproblemen oplossen, zoals op elkaar moeten wachten, je bezeren, dingen die kapot gaan? Hoe zien de speeltoestellen van de toekomst eruit? Hoe kan het nog leuker, gekker, gevaarlijker, spannender?

Wonen
De Uitvindersclub denkt na over wonen van de toekomst: Hoe zien de huizen
eruit (van binnen en van buiten), wat is er te doen in de buurt, welke oplossingen zijn er voor bijvoorbeeld vuil op straat of burenruzie? Welke plekken zijn er voor kinderen, maar ook voor jongeren, oude mensen en huisdieren?

Vervoer
De Uitvindersclub bedenkt nieuwe voertuigen en denkt na over de volgende vragen. Wat weet je van vervoer, van uitvindingen die met vervoer te maken hebben? Welke vervoersmiddelen van vroeger gebruiken we niet meer? Waarom niet? Hoe zouden de voertuigen van de toekomst eruit zien? Waar denk je aan bij het ontwerpen: hoe ver je wilt reizen, hoe snel, samen of alleen reizen, files en wachttijden, aandacht voor het milieu?

De uitvinders maken een mindmap of woordweb rondom het gekozen onderwerp en maken schetsen van hun ideeën. Het beste idee werken ze uit in een 3d-model. Gebruik doeken, gekleurd papier of een speelkleed met plattegrond om een maquette in te richten. Vraag de uitvinders om hun uitvinding een passende naam te geven. Bekijk samen de uitvindingen en licht ze toe. Laat ieder een foto maken van zijn of haar model in de maquette.

2. Robot collage

Het prentenboek ‘Dag supergrote robot’ van Marlies Visser kan een goede introductie of inspiratiebron zijn voor het bedenken en maken van robotcollages.

Vervolgens denkt de Uitvindersclub samen na over vragen als:
Wat is een robot? Welke robotten bestaan er? Lijken robotten op mensen? Wat kunnen robotten wel en niet? Kunnen robotten slimmer worden dan mensen? Kan een robot goed of slecht zijn? Kan een robot je vriend zijn? Kan een robot de baas zijn?

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Vervolgens maken de uitvinders een robot in collagevorm. Ze gebruiken daarvoor papier, karton en scrap-materiaal. Belangrijk is dat ze eerst bedenken wat hun robot kan en doet: waar is hij voor gemaakt, waar is hij goed in? Ook helpt het om eerst een schets te maken.

3. Een vriendendienst

Een introductie en inspiratiebron voor deze activiteit kan het prentenboek ‘Ik ben Kaat! Uitvinder’ van Tim Gladdines zijn (via de bibliotheek verkrijgbaar). Kaat is een meisje dat uitvinder is. Ze bedenkt en maakt van alles. Dan besluit ze voor haar moeder als verrassing een volautomatische rommelopruimer uit te vinden. Het wordt een prachtige machine, maar als ze hem aan haar moeder geeft, ontploft hij en is de troep niet te overzien.

De Uitvindersclub denkt na over vragen als: Wat zou jij uitvinden voor je vader of moeder? Waar kun je jouw vader of moeder een plezier mee doen? Of
wat vind je vader of moeder moeilijk of lastig en kan jij met jouw uitvinding oplossen? Zijn er andere mensen, vrienden of familie, waarvoor je een goede uitvinding kunt bedenken?

De uitvinders maken een ontwerp en gebruiken het scrap- en constructiemateriaal om er een model van te maken. Ze schrijven een handleiding bij de uitvinding zodat de ontvanger goed weet waar hij voor bestemd is.

4. De waanzinnige machine

De waanzinnige machine is een tekenopdracht waarbij je nou eens niet zoveel hoeft na te denken, maar vooral je fantasie en verbeeldingskracht gebruikt. Het is een tekenoefening gebaseerd op de werkwijze Zinvol Tekenen van Marijke Sluijter.

De uitvinders starten met een leeg A3-papier en gaan daarop willekeurig hoekige lijnen maken. De hoekige lijnen blijven ca. 2 cm binnen de rand van het papier. Dat ziet er ongeveer zo uit:

Vervolgens tekenen de uitvinders een goed stel wielen of rupsbanden onderaan de tekening. Dat is handig om de machine te verplaatsen. Daarna komt het erop aan om in de machine zoveel mogelijk mogelijkheden te zien, gadgets te plaatsen, knoppen, tandwielen, kettingen, knoppen en meters te tekenen. Zodat het een ongelooflijk waanzinnige machine wordt:

5. Het uitvindingenmuseum

In het uitvindingenmuseum laten de uitvinders oude uitvindingen
zien, maar ook welke oplossing we tegenwoordig gebruiken en wat we ervan verwachten in de toekomst. Om te starten bekijkt de Uitvindersclub een aantal (foto’s van) voorwerpen waarvoor in de loop der tijd heel andere oplossingen zijn gevonden: bijvoorbeeld een lp, een koets met paarden, een portemonnee met geld, een telefooncel etc.

Vervolgens kan de Uitvindersclub nadenken over de volgende vragen:
Is een uitvinding altijd iets nieuws? Of bestaan er ook ‘oude’ uitvindingen?Waarom worden er telkens nieuwe uitvindingen bedacht en gemaakt? Zal elke uitvinding verouderen en uit de tijd raken, of bestaan er ook uitvindingen die bruikbaar en waardevol blijven?
Ken je zelf nog meer voorbeelden van oude en nieuwe uitvindingen? Kun je ook bedenken wat er (in de toekomst) aan deze uitvindingen 
verbeterd zou kunnen worden?

In de uitwerking kiest iedere uitvinder één voorwerp of onderwerp en vraagt zich af: Wat mist er nog aan dit voorwerp? Wat kan er beter, sneller of mooier? De uitvinders maken drie illustraties voor het uitvindingenmuseum van het voorwerp zoals het vroeger was, zoals het nu is en van de toekomstversie. Na afloop bekijken ze elkaars werk en lichten ze hun eigen werk toe.

 6. Een sportieve uitvinding

Uitvinders zijn geen nerds, welnee! Er zitten hele sportieve types tussen. Want sporten is leuk. Maar soms best moeilijk. Zelfs als je er goed in bent, moet je veel oefenen en je conditie trainen. Uitvindingen zouden ervoor kunnen zorgen dat het sporten gemakkelijker gaat. Zodat
je sneller kun winnen. Of is dat juist niet de bedoeling?

De Uitvindersclub denkt samen na:  over de sporten waar zij van houden, en welke ze niet leuk vinden. Ze vragen zich af of het goed en eerlijk is om uitvindingen te bedenken die het sporten leuker of gemakkelijker maken. Wanneer mag dat wel? En wanneer liever niet?

De uitvinders maken een mindmap met ideeën die het sporten leuker maken, of die sommige niet-leuke onderdelen van het sporten kunnen verbeteren (zoals omkleden, honger en dorst tijdens
het sporten, spierpijn, blessures). Sommige mensen willen graag een sport doen, maar kunnen niet meedoen omdat ze een handicap hebben.
Welke uitvindingen kunnen de uitvinders bedenken om hier iets aan te veranderen?

De uitvinders werken hun beste idee uit in een getekend ontwerp en maken een stripverhaaltje waarin je kunt zien hoe sporters de uitvinding gebruiken en wat daarvan de consequenties zijn.

NB. De illustraties bij deze post maakte ik naar aanleiding van de grappige robotcollages van kinderen van één van de Uitvindersclubs in Rotterdam.

 

 

De Uitvindersclub (1)

Zoals ik in mijn (op een na) vorige blogpost schreef had ik in Rotterdam enige tijd een Uitvindersclub – als één van de activiteiten die ik aanbood in mijn werkplaats Atelier van de Verbeelding.
Graag deel ik met jullie een paar ideeën voor het initiëren van je eigen Uitvindersclub, op school, in de brede school of bso, of thuis. Doel van de Uitvindersclub is om samen na te denken over, grote en kleine, concrete kwesties die voor de kinderen belangrijk en interessant zijn. Dat kan over van alles gaan: over spelen, over school, over thuis of de buurt, de stad of de wereld. Door creatief te denken en te fantaseren over deze onderwerpen ontstaan ideeën voor grote en kleine uitvindingen die het leven en de wereld mooier, beter en leuker maken.

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Wat heb je nodig?

De opzet is eenvoudig. De belangrijkste voorwaarde is een open, onbevooroordeelde houding van de leerkracht, vakkracht of begeleider en ruimte voor experiment. Creativiteit vergt moed – om grenzen te verleggen, om te ontdekken. Want soms maak je iets wat niet uit verf komt. Af en toe is het idee beter dan de uitvoering. Of juist andersom. Het oefenen van creativiteit behelst vooral ervaring opdoen in proberen en opnieuw beginnen. En goede startvragen om het denken en verbeelden op gang te brengen, die aansluiten bij de belevingswereld van de doelgroep. In dit geval zijn dat kinderen van 6 tot 8 à 9 jaar.

Benodigde materialen:

  • Tekenpapier, schrijfpapier, schetsboeken
  • Schetspotlood, kleurpotlood, stiften
  • Lijm(stift), plakband, tie-wraps, splitpennen, rivets (kunststof klinknagels voor golfkartonconstructies), touw, chenille
  • Dik en dun karton, gekleurd papier
  • Diverse rest- en afvalmaterialen (zelf verzamelen of via Stichting Scrap

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Wat zijn uitvindingen?

Bij de start van je Uitvindersclub is het goed en handig om na te denken over wat uitvindingen zijn. Dat kan door een onderzoekend gesprek te voeren aan de hand van de volgende vragen:

  • Wat is een uitvinder?
  • Wat is een uitvinding?
  • Wat heb je nodig om een uitvinding te doen?
  • Kan iedereen een uitvinder zijn?
  • Kan je voor van alles iets uitvinden?
  • Bestaan er goede en slechte uitvindingen?
  • Hebben we uitvinders nodig? Waarom (niet)?

Voorbeelden

Daarnaast is het leuk om voorbeelden te zoeken van belangrijke uitvinders en uitvindingen. Bijvoorbeeld:

Mijn absolute favoriet zijn de catalogi van Jacques Carelman. De flaptekst zegt genoeg: “De geniale unieke Jacques Carelman, uitvinder en ontdekker, Fransman par excellence, schepper van bijna mogelijke en welhaast onmogelijke verbazingwekkende voorwerpen en vernuftige vindingen, zal de wereld een ander aanzien geven. Voor degenen die meer willen weten over de siamese schaar, het vertaalcarbon, de radiatorstoel, de cactushandschoen of de TV-wasmachine, om maar enige niet-bestaande voorwerpen te noemen, die niettemin onmisbaar zijn, is dit boek een inspirerende raadgever.”

               

Soms zijn ze nog tweedehands verkrijgbaar:

Eenvoudige creatieve denkstrategieën

In mijn vorige post over creativiteit benoemde ik de basisvaardigheden die worden onderwezen bij de 21e vaardigheid ‘creatief denken’: creatief waarnemen, flexibel associëren, uitstellen van oordeel, divergeren en verbeelden. Ik licht ze kort toe (bron: I. Byttebier, 2002), met daarbij de belangrijkste vragen of opdrachten die je kunt stellen om kinderen deze vaardigheden te laten beoefenen.

1.  Creatief waarnemen

Bij creatief waarnemen gaat het om het besef dat je de dingen op verschillende manieren kunt zien (of horen, ruiken, proeven, voelen, ervaren). Niet de objectieve werkelijkheid bepaalt wat je ziet, maar jouw waarneming. Je brein vult aan en vult in. Daardoor zien we niet allemaal hetzelfde. Kinderen kunnen dat ervaren door samen naar een onbekend geluid te luisteren of naar een onbekend voorwerp te kijken. Wat horen ze? Wat zien ze? Als je je waarneming met elkaar deelt, kun je dan op verschillende manieren horen en zien? Zie je wat de ander ziet?

In het creatieve proces helpt de volgende vraag: Kun je het ook anders zien?
Dat geldt vooral ook voor de beschrijving van het probleem waarvoor je een oplossing zoekt. Kun je het probleem, de vraag, ook anders interpreteren? Wat is er nu eigenlijk aan de hand? Of zou er nog iets anders aan de hand kunnen zijn?

2. Flexibel associeren

Bij associëren gaat het erom alles wat bij je opkomt in relatie tot een woord, probleem of idee te noteren. Als je flexibel associeert maak je daarbij ook ruimte voor niet voor de hand liggende relaties. Je maakt ‘uitstapjes’ naar ideeën buiten het domein van je onderwerp (disociatie; patroondoorbreking) of je ziet een  verband met een heel ander onderwerp (resociatie; terugkoppeling).

Kinderen kun je leren associëren aan de hand van een woordweb of mindmap, om hun associaties direct voor ogen te hebben en te ordenen. De vragen die je daarbij stelt zijn: Wat is het belangrijkste onderwerp in deze vraag of in dit probleem? Waar denk je allemaal aan bij dit woord? Welke gedachten, geuren, smaken, kleuren, vormen, voorwerpen en gebeurtenissen komen er bij je op?  Door samen te werken aan een woordweb of mindmap komen er nog meer associaties boven.

3. Divergeren

Divergeren wil zeggen dat je voorbij de eerste ideeën denkt. Je neemt geen genoegen met met voor de hand liggende oplossingen, hoewel die misschien het meest logisch lijken. Divergeren doet aanspraak op het doorzettingsvermogen. Je wacht niet alleen op wat spontaan opkomt, maar gaat actief verder denken.

De vraag die je daarbij aan kinderen kunt stellen is: Bedenk zoveel mogelijk oplossingen voor dit probleem. Maar liever nog maak je concreet hoeveel oplossingen je (ten minste) wilt zien: Bedenk 10 (15, 20) oplossingen voor dit probleem. Wordt het steeds moeilijker om nog iets te bedenken? Vraag je af hoe een minister dit probleem zou oplossen. Of een superheld. Of een olifant. Hoe zou je met dit probleem omgaan als je kon toveren?
Vervolgens gaat het erom een selectie te maken uit deze oplossingen.

4. Verbeelden

Een goed idee, of een goede oplossing, moet je voor je kunnen zien. Bij het verbeelden gaat het erom dat je de oplossing, je uitvinding, voor je kunt zien. En niet alleen zien, maar ook voelen, ruiken, proeven of horen. Het gaat niet alleen om ver-beelden, maar ook om in-beelden. En om anderen te betrekken zou je je idee ook moeten uit-beelden. Dat kan in woord en beweging, in tekeningen, in verhalen. Voor volwassenen soms een hele toer, maar voor kinderen die nog rijk zijn aan fantasie en verbeeldingskracht is dit geen opgave.

De vraag die je kunt stellen bij deze stap is: Hoe ziet jouw oplossing of uitvinding eruit? Of: Vertel hoe een dag in de toekomst eruit ziet, als jouw uitvinding wordt gebruikt. Of: Doe eens voor – speel eens uit – hoe we jouw uitvinding kunnen gebruiken.

En ook: uitstellen van oordeel

Een belangrijke vaardigheid tot slot is het uitstellen van oordelen. Ik heb ‘m al genoemd bij de houding van de begeleider of leerkracht. Het is ook een vaardigheid die de groep waarmee je werkt in haar samenspel zou moeten oefenen. Creatief werken en denken lukt pas als je ervaart dat alle ideeën, associaties en mogelijke oplossingen mee mogen doen, zonder dat ze door jezelf of anderen op voorhand worden afgeschoten. Pas bij de selectie en uitvoering van je definitieve plan kun je kritischer gaan kijken: klopt het, werkt het, is het daadwerkelijk een oplossing?

Je moedigt kinderen aan om onbevooroordeeld te zijn door steeds te benadrukken dat erin het creatief denken geen goede of foute ideeën bestaan. Door samen te kunnen lachen, bewonderen, verbazen en gruwelen van de verschillen oplossingen die  zich aandienen. En door verbaal en non-verbaal de inzet en inbreng van de kinderen te waarderen, in plaats van de opbrengst.

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Uitvinden maar

Met de bovenstaande voorbereiding kun je je Uitvindersclub starten. Je weet welke rol je als leerkracht, vakkracht of begeleider kunt vervullen en welke vragen je stelt tijdens het werkproces van de kinderen. Je hebt de materialen verzameld die bij elke bijeenkomst nodig zijn om te kunnen brainstormen, schetsen, tekenen, uitwerken, knutselen en bouwen. Dan rest nog de vraag: Wat gaan we uitvinden? Daarover lees volgende week. Dan reik ik je een aantal concrete invalshoeken en lesideeën aan om mee aan de slag te gaan.

NB. De illustraties bij deze post maakte ik naar aanleiding van de grappige robotcollages van kinderen van één van de Uitvindersclubs in Rotterdam. 

 

 

Taalcafé in dialoog

Het is de Week van de Dialoog (3 tot en met 12 november) en daarom besteed ik op www.filosoferenopschool.nl aandacht aan wat er komt kijken bij het faciliteren van een dialoog als basis voor het filosofisch gesprek. Een gelukkig toeval was dat ik in deze Week van de Dialoog ook een workshop over de dialoog gaf voor de vrijwilligers van de Taalcafés in Rotterdam.

Taalcafé

Het Taalcafé is een goed bezocht initiatief ter bevordering van de Nederlandse spreekvaardigheid van nieuwkomers. Het vormt een aanvulling op de diverse taal- en inburgeringscursussen en heeft vooral tot doel dat de deelnemers elkaar ontmoeten en met elkaar in gesprek gaan. Op die manier bouwen ze plezier en vertrouwen op in het Nederlands spreken, ook als het (nog) niet vloeiend gaat. De vrijwilligers bereiden de bijeenkomsten voor en leiden de gesprekken.

Spanningsveld

Vanwege de inburgeringsplicht – en zeker ook de motivatie van de vrijwilligers om hun deelnemers wegwijs te maken in de Nederlandse samenleving en cultuur – is er sprake van een spanningsveld in de opzet van het Taalcafé. Een dialoog is namelijk in principe niet de plek voor kennisoverdracht en kennisoverdracht vindt doorgaans niet plaats in een dialoog . (Een belangrijke uitzondering hierop is het pedagogisch concept van ‘dialogisch onderwijs’ van R. Alexander, maar deze vergt dan ook een specifieke aanpak).

Als je daadwerkelijk een dialoog wilt faciliteren als gespreksleider, maak je ruimte voor je deelnemers om te spreken en van gedachten te wisselen en ervaringen te delen. Een bijeenkomst rondom een voor de deelnemers onbekend onderwerp of perspectief zou ertoe leiden dat vooral de gespreksleider zelf aan het woord is: om uit te leggen, toe te lichten en kennis over te dragen. Daar leren de deelnemers zeker van, maar niet op het gebied van spreekvaardigheid.
Aldus de vraag aan mij om in een workshop met de vrijwilligers de dialoog nader te onderzoeken en inspiratie te geven voor invulling van de bijeenkomsten.

Voorwaarden voor de dialoog

In de workshop hebben we – in dialoog – nagedacht over wat kenmerken zijn van een goed gesprek: een ontmoeting met diepgang, elkaar beter leren kennen, wijzer worden van elkaar, ervaringen en inzichten delen en je gehoord voelen werden daarbij genoemd. Het Taalcafé heeft daarmee in de opzet alle voorwaarden voor een goed gesprek te pakken. Voor de gespreksleider is het vervolgens van belang dat gesprek tot stand te brengen. Wat is daarvoor nodig?

  • Gemotiveerde deelnemers
  • Tijd en ruimte voor een goed gesprek
  • Een ronde tafel of kringopstelling
  • Vertragen van de communicatie
  • Oefening in luisteren, begrip tonen, vragen stellen
  • Loslaten van resultaten en opbrengsten

Tips voor de gespreksleider

Een heldere opzet in het gesprek is vaak heel behulpzaam voor zowel de gespreksleider als de deelnemers. Begin bijvoorbeeld met een anekdote of een nieuwsbericht als introductie. Er is dan ook nog gelegenheid om iets toe te lichten of uit te leggen.
Vervolgens vraagt de dialoog om open, uitnodigende vragen rondom een universeel, waardenvrij thema. Een thema dat aansluit op de introductie en waarover iedereen – ongeacht achtergrond en taalvaardigheid -kan meepraten. Bijvoorbeeld: vriendschap, werk, liefde, natuur, vakantie, school, hobby’s, talent, sport,  gezondheid, generaties, etc.

Wanneer de gespreksleider zich tot slot bewust is van zijn rol en houding staat niets een goed gesprek meer in de weg. De vijf belangrijkste tips voor de gespreksleider zijn daarbij:

  1. Geef en stimuleer respect en vertrouwen
  2. Wees nieuwsgierig naar je deelnemers
  3. Stel vragen, luister aandachtig naar de antwoorden en vraag door
  4. Voeg geen kennis of informatie toe en wees bescheiden in het geven van je mening
  5. Breng structuur aan in het gesprek, schep kaders

Chapeau

Ik heb een groep heel betrokken en gemotiveerde mensen ontmoet, die met veel zorgvuldigheid vorm willen geven aan hun vrijwilligerswerk en daarmee de kansen van nieuwkomers op deelname aan onze samenleving vergroten. Ook was het bijzonder om te horen hoeveel plezier en voldoening het de vrijwilligers zelf gaf om dit werk te doen. Met veel waardering voor hun inzet neem mijn spreekwoordelijke Franse hoed af voor alle Taalcafé-vrijwilligers. Chapeau!

 

 

 

Creativiteit voor een betere toekomst

In Museum Boijmans van Beuningen bezocht ik afgelopen vrijdag de tentoonstelling Change the System, waarin werk te zien is van vijftig ontwerpers met de ambitie de wereld te veranderen. Het museum richt daarmee de aandacht op de veranderkracht van creativiteit. De ontwerpers zijn geïnspireerd door maatschappelijke en mondiale thema’s en uitdagingen zoals vervuiling, conflicten en schaarste van grondstoffen.

De tentoonstelling is een uitnodiging aan het publiek om mee te denken. In verschillende Labs voeren ontwerpers experimenten uit waarbij ze het publiek betrekken. Ook kan het publiek via sociale media zelf een bijdrage leveren en reageren op projecten uit de tentoonstelling.

Maatschappelijke issues als bron van inspiratie voor kunst en design

Maatschappelijke vraagstukken zijn al langer een bron van inspiratie voor kunstenaars, bijvoorbeeld in de geëngageerde kunst. Daarbij gaat het er de kunstenaar om misstanden in beeld te brengen en het publiek bewust te maken. Het is kunst die vragen oproept over de wereld waarin we leven, maar niet noodzakelijk een antwoord of oplossing wil bieden. In theorie is design een discipline die wel naar antwoorden en oplossingen zoekt. Wellicht spreekt Boijmans daarom van ‘ontwerpers’ en niet van ‘kunstenaars’ in de tentoonstelling Change the system, hoewel de grens daartussen in sommige werken diffuus is.

Maar brengt het geven van creatieve oplossingen meer verandering teweeg dan het stellen van kritische vragen? Dat kun je je afvragen, zeker waar het gaat om unieke ideeën die vooral getuigen van de creativiteit van de ontwerper, maar niet direct navolging zullen of kunnen krijgen. Vaak is zo’n oplossing dan opnieuw een installatie of object dat vooral dient om het publiek aan het denken te zetten. Over de problematiek, of zoals in de tentoonstelling van Boijmans, over onze eigen oplossingen.

 

Foto: Change in context. Tijdlijn samengesteld in samenwerking met M. van Helvert op basis van haar boek ‘The responsible object: A History of Design Ideology for the Future’. Uit de tentoonstelling Change the System.

Creativiteit is een competentie

Dat huidige mondiale en maatschappelijke issues uitnodigen tot creativiteit staat buiten kijf. Dat heeft te maken met urgentie, met het geloof in maakbaarheid, met het menselijk streven naar vooruitgang. En problemen nodigen nu eenmaal uit tot het denken over oplossingen. De enorme creativiteit die ontwerpers tentoonspreiden ten aanzien van die mondiale problemen is hoopgevend. Die getuigt van vindingrijkheid, van innovatie, van de erkenning dat standaardoplossingen niet meer voldoen en nieuwe en ongebruikelijke ideeën nodig zijn. Het is daarom niet verwonderlijk dat creatief denken  binnen het onderwijs gezien wordt als een van de zogenoemde ‘vaardigheden van de 21e eeuw’. Daarbij is het uitgangspunt dat creativiteit geen talent is, maar een competentie die iedereen kan ontwikkelen. De verschillende modellen die daarvoor bestaan veronderstellen een aantal basisvaardigheden: creatief waarnemen, flexibel associëren, uitstellen van oordeel, divergeren en verbeelden.

Creativiteit vergt moed

De vaardigheden voor creativiteit kun je leren, de modellen kun je toepassen. Nog mooier is het als er binnen dat leerproces van creatief denken ook ruimte is voor creatieve expressie. Niet alleen voor beredeneerd vormgeven en uitvoeren van een plan waarop naderhand gereflecteerd moet worden. Maar ook voor speelse ontdekkingen die volgen op het denkproces. Of daar nog deel vanuit maken. Juist bij jonge kinderen gaat het ontdekken van oplossingen hand in hand met het denken daarover. Om dat vermogen tot onderzoeken, tot nieuwsgierigheid vast te houden is ruimte nodig voor experiment, voor creëren, voor verbeelding. Want hoewel dat bij jonge kinderen vaak nog min of meer vanzelf gaat, is daar op den duur steeds meer moed voor nodig. Moed om nieuwe dingen te beginnen, om door te zetten, om het risico te nemen iets niet te begrijpen of niet begrepen te worden. Moed om het risico te nemen om niet gewaardeerd te worden, te falen, de controle over het eindresultaat te verliezen.

Uitvindersclub

Zo’n tien jaar lang had ik een lesatelier in Rotterdam van waaruit ik cursussen en activiteiten organiseerde in filosoferen, schrijven en verbeelden. Een van die activiteiten was de Uitvindersclub. De opzet was vrij eenvoudig: vanuit vraagstukken die dicht bij het jonge kind (groep 3 tot 5) lagen werden de deelnemers uitgenodigd om creatief te denken en te creeren. Om te spelen met oplossingen en die weer te geven in ontwerpen, maquettes en prototypes. In de praktijk kwam dat neer op heel veel tekeningen, onbegrijpelijke knutsels en vooral meters plakband. Daarbij hoorden uitgebreide verhalen, want wat het publiek misschien niet direct zag zat er wel degelijk in: een ingenieuze oplossing voor een alledaags probleem. En de kinderen konden dat over het algemeen goed en met veel enthousiasme toelichten. De tentoonstelling Change the system deed me terugdenken aan die jonge uitvinders, die met hun vindingen de wereld niet konden veranderen maar vooral vertrouwen lieten zien. In een positieve toekomst en in hun eindeloze creativiteit.

Wordt vervolgd

Wil je weten hoe je eenvoudig een paar ‘uitvinderslessen’ opzet? Je leest het in mijn volgende blog.

 

Modelhond

In het weekend had ik een hondje te logeren, de Kooiker Ciep. Het was leuk om te ervaren wat een hond teweeg brengt in je gezin, bij de kinderen en bij jezelf: de vele wandelingen, de kippennekken in onze (vegetarische) keuken, het knuffelen en stoeien. Daarbij zagen mijn jongste zoon en ik onze kans schoon om te tekenen naar model. En Ciep was een mooi en geduldig model.

Dieren tekenen naar model

Als kind volgde ik klassieke tekenlessen bij De Werkschuit in Gouda. Buiten tekenden we schapen en ooit hadden we een haan op tafel in het tekenlokaal. Spannend! In mijn academietijd in Rotterdam ging ik naar Blijdorp om dieren te tekenen. Ook met mijn kinderen ben ik eindeloos in Blijdorp geweest en namen we vaak onze dummy’s mee.

Het tekenen van dieren vraagt een specifieke concentratie en aandacht. Anders dan voorwerpen en de meeste menselijke modellen, zijn ze volstrekt onvoorspelbaar. Ze gaan hun eigen gang en kunnen elk moment van houding en plaats veranderen – of zelfs helemaal uit het zicht verdwijnen. Het is dus altijd maar de vraag of je de kans krijgt om je tekening te voltooien. Voor kinderen (en volwassenen) met een grote behoefte aan controle of faalangst is dit dus een prachtige speelse oefening om daarmee te leren omgaan.
Bij het tekenen van dieren komt het erop aan veel en vlot te schetsen om gaandeweg de anatomie van het dier steeds beter te begrijpen. Ook het ‘optisch verkort ‘komt daarbij bod: hoe kan het dat die lange rug veel korter lijkt als het hondje met zijn kop naar ons toe ligt?

Kijk naar het dier, niet naar het papier

Goed leren en durven kijken, veel meer naar het model dan naar je tekening, is dus belangrijk. Michelle Dujardin legt uit hoe dat werkt in haar Zen Tekenboek: door bewust waar te nemen en het resultaat los te laten wordt het tekenen een meditatieve oefening. De oog-handcoördinatie wordt sterk geoefend bij deze manier van tekenen en daardoor gaat het op den duur vanzelf steeds beter. En dat versterkt het plezier dat het tekenen op zichzelf al is.

Dieren tekenen in de klas

Het tekenen van dieren kan je, ook op school, vrij eenvoudig organiseren en levert dus veel op: verbetering van de fijne motoriek, van de oog-handcoördinatie, flexibiliteit, proces- in plaats van resultaatgerichtheid en meditatieve ontspanning.

Hoe pak je het aan? Koppel het tekenen aan een spreekbeurt en vraag een leerling om zijn huisdier mee te nemen in de klas. Of ga naar de kinderboerderij, de schapenwei, de eendenvijver of de hondenuitlaatplaats in de buurt. Maak van plankjes of stevig karton met wasknijpers een ondergrond voor het papier. Gebruik alleen een goed schetspotlood, gum is niet nodig. En geef voldoende papier om veel schetsen te kunnen maken of wanneer nodig opnieuw te beginnen. Accepteer ook als leerkracht of docent dat het gaat om het proces, het plezier in het tekenen en beoordeel de tekeningen liever niet.

Filosoferen tot slot

Nadat iedereen zo aandachtig naar de dieren heeft gekeken is het natuurlijk ook leuk en interessant om na afloop te filosoferen over dieren. Bijvoorbeeld aan de hand van de volgende vragen:

  • Kunnen dieren denken? Waarom denk je dat?
  • Waar denken dieren aan? Denken dieren aan andere dingen dan mensen?
  • Denken dieren op dezelfde manier als mensen? Waarom (niet)?
  • Kunnen dieren begrijpen?
  • Is begrijpen hetzelfde als denken? Waarom (niet)?