Boekenclub in de kleuterklas (deel 1)

In oktober 2018 gaf ik een aantal workshops tijdens Landelijke studiedag kleuterleerkrachten van de Vrije Scholen. De vraag vanuit de organisatie was een praktische, inspirerende workshop met creatieve werkvormen voor de kleuter met een ontwikkelingsvoorsprong. De vrije scholen hebben in de kleutergroepen de focus op spel, sociale interactie en motorische ontwikkeling, terwijl de cognitieve ontwikkeling steeds meer gestimuleerd wordt vanaf groep 3 (klas 1). Waar op andere scholen de snelle kleuter misschien al met taal en rekenen aan de slag gaat, willen de meeste vrije scholen dit liever niet. En daar is iets voor te zeggen, want waar je het één voorrang geeft, komt het ander onherroepelijk in het gedrang. Anders gezegd: liever maak je van het slimme kind geen wandelend hoofd.

Een leuke uitdaging! Ik ken de vrije school goed genoeg om in de opzet rekening houden met wat van waarde is voor deze vorm van onderwijs en ondertussen hier en daar ook wat grenzen op te zoeken. Zo bedacht ik de workshop ‘boekenclub in de klas’, een speel- en maakhoek waar kinderen zelf boeken kunnen maken en presenteren.

Spelen met boeken

In deze opzet van een ‘boekenclub in de klas’ gaat het om het boek als uitingsvorm en inspiratiebron van verhalen, beelden en communicatie. Meestal gebruiken we boeken op school om voor te lezen, om zelf te lezen of om uit te leren. Zelf boeken maken betekent dat anderen jouw verhalen kunnen lezen, jouw beelden kunnen bekijken en van jou kunnen leren.

Een boek maken omvat ideeontwikkeling, creatief schrijven, vormgeven en inbinden. Een veelzijdig proces waarmee je kinderen vanaf groep 4 kunt verleiden tot expressie in taal en beeld, maar ook vaardigheden leert als projectorganisatie, ontwerpen en ambachtelijk werken.
Voor de kleutergroepen en groep 3/klas 1 kun je dit proces omdraaien en dan ontstaat er ineens een andere ruimte voor spel, creativiteit en verbeeldingskracht.

Spelen met boeken is iets anders dan het boek als project, als resultaat. Daarom begint het boeken maken bij de kleuters niet bij het bedenken van verhalen of de voorstelling van het resultaat (zoals we in hogere klassen zouden doen), maar bij het spelen met de vorm en inhoud. Door te vouwen en te naaien, door te tekenen, te stempelen, te kleuren, te plakken en eventueel te schrijven. Tot slot spelen we het verhaal – spelen de kinderen dat zij (voor)lezen of vragen ze de leerkracht om dat te doen.

                    

Ruimte voor ontwikkelingsverschillen

Veel  activiteiten in het onderwijs, ook in de creatieve vakken, zijn planmatig en resultaatgericht: gekoppeld aan een thema of seizoen, een motorisch ontwikkelingsgebied, specifiek materiaal of stappenplan.
Wanneer het resultaat echter niet voorop staat en je je vooral richt op de voorwaarden voor vrij denken en doen, is er wat mij betreft pas daadwerkelijk sprake van creativiteit – in het authentiek bedenken, maken en uitdrukken. Binnen die vrije ruimte kunnen kinderen zelf hun niveau bepalen – indien de leerkracht daarin een oordeelvrije houding durft aan te nemen en samen met de kinderen kan onderzoeken, ontdekken en grenzen verleggen. Daarin lijkt het begeleiden van een creatief proces overigens veel op het begeleiden van een filosofisch gesprek.

            

En nu concreet…

Wat kun je daar nu concreet mee in de kleuterklas? Mijn opdracht was een praktische workshop voor de kleuterleerkrachten en nadat ik het bovenstaande idee uit de doeken had gedaan zijn we vooral aan de slag gegaan met papier, lijm, naald en draad, potlood, inkt en verf. In vier stappen hebben we geoefend met wat je de kinderen zou kunnen bieden:

  1. het eenvoudig inrichten van een plek voor de boekenclub in de klas
    (zie onder);
  2. het maken van kleine boekjes (A6-formaat) aan de hand van verschillende vouw- en bindtechnieken (ambachtelijk werken);
  3. het creatief, beeldend vormgeven met verschillende illustratieve technieken zoals schilderen, tekenen, collage en stempelen (en voor wie de grenzen wil verleggen kunnen dat ook letterstempels zijn);
  4. het ‘voorlezen’ van de zelfgemaakte boeken in de kring – improviserend vertellen aan de hand van het werk van de kinderen.

In de navolgende blogs vertel ik je hoe je die boekjes maakt, welke beeldtechnieken we gebruikten en hoe je vanaf groep 4 een vervolgstap maakt met je boekenclub. De onderstaande info-illu laat zien hoe je met een kaartenrek van Neerlands bekendste warenhuis een boekenhoek inricht waar de kleuters hun handgemaakte boeken kunnen bewaren en presenteren, maar ook kunnen uitlenen (bibliotheekspel) of verkopen (boekwinkeltje). Samen met de voorleesboeken van de klas en het favoriete dinosauriërs- of planentenboek van Slimme Wim is je boekenhoek compleet.

 

Gedichten in de klas: Poëzieweek 2019

Op 31 januari is het Gedichtendag: de start van de Poëzieweek. Tijdens de Poëzieweek worden onder andere de Herman de Coninckprijs en de VSB Poëzieprijs uitgereikt en vinden de Nederlandse Kampioenschappen Poetry Slam plaats. Bovendien organiseren poëzieliefhebbers op eigen initiatief op vele plekken in Nederland en Vlaanderen honderden poëzieactiviteiten.

Annelies Goedhart en ik zijn twee van die poëzieliefhebbers en hebben speciaal bij het thema ‘Vrijheid’ van deze Poëzieweek een lessuggestie geschreven voor poëtische creativiteit in taal en beeld. Bedoeld voor kinderen vanaf de middenbouw. Liever deze les als workshop in de klas? Neem dan even contact op over de mogelijkheden.

Een gedicht over vasthouden of vrijlaten

Knolletjes sokken

Gek dat mensen
sokken gevangenhouden
in het donker van hun kasten.
Tot pijnlijk strakke knolletjes gedraaid
in een achterwaartse salto
flikflak met dubbele knopen
alsof iedereen bang is
dat ze weg willen lopen.

Maar sokken
hoef je niet te mishandelen,
want zonder voeten
houden ze niet van wandelen.

Gedicht: J. Robben
Uit: ‘Zullen we een bos beginnen?’
Uitgeverij De Geus, Breda 2008

Stap 1: Het gedicht lezen en bespreken

 Lees het gedicht in de groep een paar keer door en voor –
eerst de leerkracht, daarna enkele kinderen. Vraag je samen af:

  • Zitten sokken gevangen in onze klerenkast?
  • Zijn sokken vrij als ze aan je voeten zitten en met je meelopen?
  • Wat betekent vrijheid?
  • Wanneer voel jij je vrij? En wanneer niet?
  • Kunnen spullen/dingen vrij of gevangen zijn?

alsof iedereen bang is
dat ze weg willen lopen

  •  Heb jij iets (een voorwerp, een bezitting) waar je zuinig op bent en wat veel waarde heeft voor jou? Wat is dat?
  • Ben jij wel eens bang geweest om dit kwijt te raken of te verliezen?
Stap 2: schrijven en voordragen

Iedere leerling maakt een lijstje op een oefenpapier:
beschrijf drie voorwerpen/bezittingen op die voor jou waardevol zijn en waar je zuinig op bent.

Bijvoorbeeld:

  1. het fotolijstje dat ik ooit van mijn oma heb gekregen
  2. de bijzondere schelp die ik heb gevonden op het strand
  3. de droomvanger die mijn vriend voor mij heeft gemaakt

Iedere leerling kiest vervolgens één van de voorwerpen van haar/zijn lijstje uit en schrijft hier één of meerdere zin(nen) bij.

Maak de zin af :

(het voorwerp) is mij dierbaar omdat . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Bijvoorbeeld:

de bijzondere schelp  is mij dierbaar
omdat ik het zelf heb gevonden
omdat hij glimt
omdat hij van kleur verandert in het zonlicht
omdat hij zowel ruw als glad is
omdat hij vreemd van vorm is
omdat hij is aangespoeld uit de oceaan
omdat hij het huis van een dier was
omdat hij me doet denken aan mijn reis

Schrijf je mooiste zinnen onder elkaar als een kort gedicht.

Tenslotte dragen de leerlingen hun zinnen of gedichten aan elkaar voor.

Stap 3: Beeldende uitwerking

Benodigdheden:

  • één luciferdoosje per leerling
  • 160 grams papier gesneden in stroken ter hoogte van een luciferdoosje
  • 160 grams papier gesneden op formaat van de buitenkant van een luciferdoosje
  • fineliners of andere fijne schrijfpennen
  • kleurpotloden
  • stempels / verf / of ander materiaal om het doosje mee te versieren
  • lijm

  1. Vouw een leporello-boekje van je strookje papier zodat het precies past in je luciferdoosje.
  2. Schrijf je zin (of de mooiste/belangrijkste zin uit je gedicht) op het strookje (in je leporello-boekje).
    Laat de laatste bladzijde leeg voor je tekening.

  1. Teken op de laatste bladzijde van je boekje jouw dierbare voorwerp.
  2. Plak het boekje vast in je luciferdoosje. Lijm de achterkant van je eerste bladzijde aan de binnenkant van je doosje.
  3. Versier de buitenkant van het luciferdoosje zodat je kan zien hoe waardevol het is voor jou.
  4. Maak een miniatuur-tentoonstelling in de klas zodat iedereen elkaars waardevolle doosje kan lezen, bekijken en bewonderen.

DIY: gedichten schrijven in de klas

Zoals beloofd in de vorige post geeft Annelies Goedhart een handige hand-out om zelf gedichten te schrijven in de klas. Dat past mooi bij de Poëzieweek die start op 25 januari, maar kan natuurlijk ook op elk ander moment. Het stappenplan van Annelies geeft bovendien inzicht in hoe je zelf een les poëzieschrijven zou kunnen voorbereiden.
Dichten maar!

Een gedicht over deel en geheel

Het onderstaande gedicht ‘Genoeg’ van Hans en Monique Hagen is een beeldende tekst over deel en geheel, over jezelf en de wereld om je heen. De vorm en inhoud geven inspiratie voor het schrijven van een zogenoemd imitatio-gedicht, aan de hand van de 3 stappen die hieronder zijn beschreven. Tot slot is een korte suggestie gegeven voor een groepsgedicht.

Genoeg

duizend bomen is een bos
duizend druppels is de regen
duizend sprietjes is het gras
maar

hoeveel woorden heb ik
hoeveel belletjes van spuug
hoeveel tranen, hoeveel lach
hoeveel poep en hoeveel plas
hoeveel kusjes voor de nacht
zal ik nog krijgen en nog geven

genoeg
voor heel mijn leven

Hans en Monique Hagen (uit: Jij bent de liefste, Querido, 2000)

Stap 1: Het gedicht lezen en bespreken

Lees het gedicht in de groep een paar keer door en voor –
eerst de leerkracht, daarna enkele kinderen. Vraag je samen af:

  • Waar gaat de eerste helft van het gedicht over?
  • Waar gaat de tweede helft van het gedicht over?
  • Wat valt je op aan hoe het gedicht is geschreven, aan de vorm en aan de woorden?
Stap 2: creatief denken

Voor je een gedicht gaat schrijven helpt het om eerst creatief te denken over wat je wilt vertellen, over woorden en over zinnen. Dat kun je doen aan de hand van de volgende vragen.

Vragen bij de eerste helft van het gedicht:

  • één boom is een boom en ‘duizend bomen is een bos’
    Wat kunnen duizend bomen nog meer zijn? Waar zie je duizend bomen bij elkaar?
    Duizend bomen is . . . . . . . . .
  • één druppel is een druppel en ‘duizend druppels is de regen’
    Wat kunnen duizend druppels nog meer zijn?
    Duizend druppels is . . . . . . . . .
  • Kun je zelf een zin bedenken over de natuur? Denk aan stenen, blaadjes, sterren, vissen, vogels, koeien, wolven, mensen.
    Duizend . . . . . . . . . . . . is . . . . . . . . . . . . .

Vragen bij de tweede helft van het gedicht:

  • Kijk naar je lichaam. Uit welke delen bestaat je lichaam? Wat zit er allemaal in je lichaam?
  • Kun je zelf een nieuwe zin bedenken zoals in de tweede helft van het gedicht?
    Hoeveel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . heb ik?

Vragen voor de afronding van het gedicht:

  • Wat kan je krijgen van iemand en geven aan iemand?
  • Wat vind je zelf leuk om te krijgen?
    Bedenk een pakkende laatste zin voor je gedicht.
Stap 3: schrijven en voordragen

Schrijf nu, met behulp van alles wat je bij stap 2 hebt bedacht, je gedicht.
Gebruik eventueel dit werkblad.
Draag tenslotte de gedichten aan elkaar voor. Maak daarbij gebruik van de volgende drie tips:

  1. Sta stevig met je voeten op de vloer en haal rustig adem;
  2. Houd je tekst met twee handen vast voor je buik. Zo kun je contact houden met het publiek en kan iedereen je goed horen;
  3. Speel bij het voordragen met je stemgeluid en gezichtsuitdrukking.
Suggestie: een groepsgedicht

Bespreek het inspiratiegedicht (zie stap 1) en bedenk, individueel en samen, eigen zinnen aan de hand van de vragen in stap 2. Schrijf de zinnen op strookjes papier.
Lees de zinnen aan elkaar voor. Kies een aantal zinnen uit en maak daaruit, door de strookjes onder elkaar te leggen, een groepsgedicht. Speel en puzzel met de zinnen tot je de meest krachtige volgorde hebt gevonden.

 

Meer poëzie in de klas?

Wil je een workshop van Annelies in de klas? Kijk dan op www.drukjeuit.nl.

Meer mooie gedichten van Hans en Monique Hagen:

 

 

Poëzie in de klas: Annelies Goedhart

Blogserie: Vakgenoten

Zelfstandig maar in goed gezelschap. Zo ervaar ik mijn werk als zzp’er in illustratie, cultuur en educatie. Ik werk graag alleen en geniet ook van samenwerken, sparren, onderzoeken en uitwisselen met vakgenoten. Op mijn blog deel ik mijn ideeën en ervaringen. In een serie interviews nodig ik mijn vakgenoten uit om dat eveneens te doen en vraag ik ze op de mens af wat hen motiveert, hoe ze werken en wat ze ons vanuit hun ervaring in het vak kunnen leren.

Deel 1: Annelies Goedhart

Op 25 januari start de Landelijke Poëzieweek. Annelies Goedhart kent de ins-and-outs van het schrijven van poëzie met basisschoolleerlingen als geen ander. Ze geeft sinds 2006 les op het gebied van creatief schrijven (waaronder poëzie), taalvorming en taaldrukken. Haar aanbod en werkwijze vind je op Drukjeuit.nl.
In dit eerste deel van de blogserie Vakgenoten vertelt Annelies over de betekenis van poëzie en creatief schrijven voor leerlingen in het basisonderwijs. In de hiernavolgende blogpost geeft Annelies inspiratie om zelf aan de slag te gaan met het lezen en schrijven van gedichten tijdens de Poëzieweek.

 

“Al mijn werkzaamheden via ‘Druk je uit’ dienen een duidelijk doel. Ik wil dat mijn deelnemers hun stem vinden, hun woorden vinden en vertrouwen krijgen in het verhaal dat ze vertellen. Ik wil kinderen creatief laten spelen met taal en ze duidelijk maken dat er niet één manier is om dat te doen. Samen gaan we op zoek naar een vorm en stijl die bij hen past.”

Ik maak gebruik van verschillende werkwijzen en werkvormen, maar de basis ligt in taalvorming en taaldrukken. Een bestaand concept waarmee ik leerde werken bij de Taaldrukwerkplaats in Rotterdam. Taalvorming werkt vanuit een taalronde, waarin alle taalvaardigheden geïntegreerd aan bod komen: spreektaal, schrijftaal, beeldtaal, lichaamstaal. We starten met een gesprek over een onderwerp waar iedereen ervaring mee heeft. Alle kinderen kunnen meedoen. Ze voelen zich door het onderwerp aangesproken om iets met elkaar te delen, zijn enthousiast om te vertellen wat hun ervaring is. Doordat we er samen over praten is het schrijven vervolgens makkelijker.
Taalvorming heeft een duidelijk stappenplan. Je begint met spreektaal, vervolgens ga je naar de schrijftaal. Kinderen die denken dat ze niets kunnen bedenken om te schrijven hebben een opstapje: ze schrijven gewoon op wat ze net in de kring hebben verteld. Vervolgens ga je met die geschreven tekst aan de gang. Eerst herschrijven, om de tekst begrijpelijker en sterker te maken. Daarna maken we de tekst nog krachtiger met een illustratie. De beeldtaal versterkt de schrijftaal.
Dan is het proces van Taalvorming afgerond en start het Taaldrukken. We verwerken de teksten en beelden tot een boek of tot een poster. Verschillende druktechnieken maken het mogelijk om in oplage te werken. In een klas van 30 kinderen heeft dan uiteindelijk iedereen zijn tekst geschreven en geïllustreerd, bijvoorbeeld in sjabloontechniek, die we vervolgens in een oplage van 30 in de klas afdrukken. We vermenigvuldigen en verspreiden het werk van de kinderen en zo ervaren zij dat hun tekst van waarde is. De posters hangen in de school, de boekjes gaan mee naar huis. Er is een publiek voor hun werk. (Groot)ouders, docenten en andere kinderen lezen het. Dat is magisch! En dat geldt ook als ze hun werk voordragen. Dat is spannend, of zelfs eng voor velen. Maar het geeft voldoening. En zelfvertrouwen, wanneer ze het gedaan hebben. De complimenten die ze krijgen en elkaar geven doet ze goed.”

“Gebaseerd op de taallessen op school hebben kinderen een idee en verwachting van werken met taal. Als ik in de klas kom, neem ik een andere ingang: creatieve taal en presentatie. Daardoor kunnen de kinderen naast de noodzakelijke reguliere taallessen op een andere, creatieve wijze met taal bezig zijn en taalplezier beleven. Want als je poëzie schrijft, hoeft je tekst niet te voldoen aan strikte regels. Je kunt je meer vrijheden veroorloven. Je mag er in een gedicht voor kiezen om geen hoofdletters of punten te gebruiken. Je mag in gedichten woorden combineren die je normaal niet samen gebruikt. Je mag zeggen dat ‘zonnestralen dansen’. Je kunt je eigen woorden bedenken, je kan spelen met woorden.
Toch benoem ik meestal niet letterlijk dat we poëzie gaan schrijven, tenzij we werken met een vast dichtvorm zoals een rondeel of haiku. Want wat is de definitie van een gedicht? Er is veel meer vrijheid als ik kinderen vraag om ‘3 tot 5 korte regels te schrijven’. Zo zijn ze niet belemmerd door hun idee van wat een gedicht moet zijn. Op het juiste moment bespreken we samen wat een gedicht allemaal kàn zijn.

Leerkrachten zijn vaak verrast over wat er in de lessen gebeurt. Zowel over de werkwijze als over het resultaat. Omdat ik het schrijven stap-voor-stap begeleid, doen ook de kinderen mee van wie zij het niet verwachten, de kinderen die moeite hebben om zich te uiten of moeite hebben met taal. Om ook de ‘pluskinderen’ voldoende uit te dagen benoem ik wel bepaalde aspecten van poëzie, zoals alliteratie en assonantie. Je ziet dan dat zij dat direct toepassen in hun gedichten. Maar aan het einde van de les hebben alle kinderen een tekst, een gedicht geschreven. Dat vind ik belangrijk: schrijven en taal zijn voor iedereen.”

“Niet slechts enkele mensen zijn schrijvers. Iedereen heeft zijn eigen woorden, zijn eigen verhaal. Dat wil ik kinderen meegeven. Iedereen kan schrijven.”

“Bestaande poëzie van Nederlandse dichters vormt meestal het startpunt van mijn lessen, de inspiratiebron. Aanvankelijk werkte ik veel met korte verhalen, bijvoorbeeld van Toon Tellegen. Dan ging het vervolgens om het duiden van het verhaal, voordat we over de eigen ervaringen spraken. Tegenwoordig werk ik vooral met gedichten. Dat is ten eerste omdat ik ervan geniet en het mij inspireert. Ik kan het vol passie doorgeven aan de kinderen. Ten tweede is een gedicht kort en krachtig. Heel functioneel, want veel kinderen hebben nu eenmaal een korte spanningsboog. Ook laat het ze zien dat een tekst die ze zelf schrijven kort en bondig mag zijn, het hoeft niet zo uitgebreid.
Een gedicht heeft bovendien meerdere lagen en betekenissen. Kinderen kunnen hun eigen betekenis eraan geven en daar met elkaar over in gesprek gaan. Ze leren dat iedereen anders kijkt en luistert.

Ik merk vaak dat kinderen niet erg bekend zijn met poëzie. Er zijn weinig gelegenheden waarbij ze in aanraking komen met poëzie. Toch houden ze er wel van. Als ik aan het einde van een workshop of gastles vraag wat ze hebben geleerd, zeggen ze dat ‘gedichten schrijven eigenlijk heel leuk is’ en dat ze ‘nu begrijpen wat een gedicht is’. Op een school waar ik al een aantal jaren werk, de Oscar Romeroschool in Rotterdam, is inmiddels een vaste groep kinderen die er na schooltijd voor kiest om bij mij te komen schrijven. Dat zijn kinderen die echt houden van het schrijven van poëzie. Eén van hen, een jongen uit groep 8, is dol op het schrijven van haiku’s. Vaak schrijft hij behalve de gegeven opdracht ook een paar haiku’s over het onderwerp. Dat is geweldig om te zien. De haiku is zijn vorm. Daar geniet hij van. Hij schrijft krachtige teksten.

Ik heb in mijn werk op Rotterdamse scholen regelmatig te maken met kinderen die thuis een andere taal spreken dan op school, die tweetalig zijn of het Nederlands als tweede taal hebben. Kinderen die moeite hebben met taal, met grammatica en spelling, met spreek- of schrijfvaardigheid. Ze beginnen vaak al met een achterstand, moeten een inhaalslag maken op school. Ik kan me in hen verplaatsen omdat ik zelf tweetalig ben opgegroeid. Aanvankelijk spraken we vooral Engels thuis, eenmaal op school struikelde ik over het Nederlands. Hierin ligt een deel van mijn motivatie: ik wil voor deze kinderen de drempel verlagen om zich in taal uit te drukken, ze succeservaringen laten beleven zodat ze er meer vertrouwen in krijgen. Dat doe ik door lessen in creatief schrijven, maar bijvoorbeeld ook met lessen Schrijfdans die tot doel hebben fysiek ontspannen te leren schrijven.
De opbouw van mijn lessen dienen hetzelfde doel. Drukke kinderen, kinderen die moeite hebben zich te concentreren of te organiseren, zijn vaak opvallend creatieve kinderen. Maar je moet ze wel begeleiden in het zetten van de juiste stappen om tot schrijven te komen. Dan blijkt pas dat ze het kunnen. Ik heb gezien dat structuur en veiligheid belangrijke voorwaarden voor kinderen zijn om te kunnen schrijven. En het stellen van de juiste vragen. Als je specifieke vragen stelt, krijg je ook specifieke antwoorden. Als een schrijfopdracht luidt: ‘Schrijf maar iets leuks over jezelf’ kan niemand daar iets mee. Kinderen al helemaal niet. Ik vraag door, vraag kinderen om zo precies mogelijk te vertellen. Wat hoor je, wat zie je? Hoe klinkt dat precies, hoe ziet er eruit? Geef aandacht aan details. En ik heb leren luisteren. Wat wordt er nou echt gezegd? Wat bedoelen ze daarmee? Ik vraag door totdat ik de kinderen begrijp en zijzelf begrijpen dat details ertoe doen. Dan pas worden teksten boeiend om te lezen.

Natuurlijk zijn er kinderen die talent hebben voor taal en voor schrijven. Maar in mijn werk valt me op dat als het taal betreft, kinderen heel uiteenlopende talenten kunnen hebben. Sommigen zijn vlotte sprekers, anderen gemakkelijke schrijvers, weer anderen kunnen zich bijzonder krachtig uitdrukken in beeldtaal of lichaamstaal. Als je kinderen diverse mogelijkheden biedt om zich uit te drukken, zal ieder kind een vorm ontdekken waarin hij of zij talent heeft. De andere werkvormen zijn dan vaardigheden die je kunt oefenen. Maar je uitdrukken in taal is zo essentieel menselijk – ik geloof dat iedereen dat kan, op zijn manier.”

“De mens heeft een basale behoefte tot communiceren, tot zich verbinden met anderen. Iedereen wil met anderen zijn verhaal delen en zich uitdrukken. Taal, gesproken of geschreven, beeldtaal of lichaamstaal, is de manier waarop we dat doen.”

 

Annelies Goedhart is vakdocent Taalvorming en Taaldrukken, Tamalpa Practitioner en grafisch vormgever.  Ze woont en werkt in Rotterdam.

 

Taalcafé in dialoog

Het is de Week van de Dialoog (3 tot en met 12 november) en daarom besteed ik op www.filosoferenopschool.nl aandacht aan wat er komt kijken bij het faciliteren van een dialoog als basis voor het filosofisch gesprek. Een gelukkig toeval was dat ik in deze Week van de Dialoog ook een workshop over de dialoog gaf voor de vrijwilligers van de Taalcafés in Rotterdam.

Taalcafé

Het Taalcafé is een goed bezocht initiatief ter bevordering van de Nederlandse spreekvaardigheid van nieuwkomers. Het vormt een aanvulling op de diverse taal- en inburgeringscursussen en heeft vooral tot doel dat de deelnemers elkaar ontmoeten en met elkaar in gesprek gaan. Op die manier bouwen ze plezier en vertrouwen op in het Nederlands spreken, ook als het (nog) niet vloeiend gaat. De vrijwilligers bereiden de bijeenkomsten voor en leiden de gesprekken.

Spanningsveld

Vanwege de inburgeringsplicht – en zeker ook de motivatie van de vrijwilligers om hun deelnemers wegwijs te maken in de Nederlandse samenleving en cultuur – is er sprake van een spanningsveld in de opzet van het Taalcafé. Een dialoog is namelijk in principe niet de plek voor kennisoverdracht en kennisoverdracht vindt doorgaans niet plaats in een dialoog . (Een belangrijke uitzondering hierop is het pedagogisch concept van ‘dialogisch onderwijs’ van R. Alexander, maar deze vergt dan ook een specifieke aanpak).

Als je daadwerkelijk een dialoog wilt faciliteren als gespreksleider, maak je ruimte voor je deelnemers om te spreken en van gedachten te wisselen en ervaringen te delen. Een bijeenkomst rondom een voor de deelnemers onbekend onderwerp of perspectief zou ertoe leiden dat vooral de gespreksleider zelf aan het woord is: om uit te leggen, toe te lichten en kennis over te dragen. Daar leren de deelnemers zeker van, maar niet op het gebied van spreekvaardigheid.
Aldus de vraag aan mij om in een workshop met de vrijwilligers de dialoog nader te onderzoeken en inspiratie te geven voor invulling van de bijeenkomsten.

Voorwaarden voor de dialoog

In de workshop hebben we – in dialoog – nagedacht over wat kenmerken zijn van een goed gesprek: een ontmoeting met diepgang, elkaar beter leren kennen, wijzer worden van elkaar, ervaringen en inzichten delen en je gehoord voelen werden daarbij genoemd. Het Taalcafé heeft daarmee in de opzet alle voorwaarden voor een goed gesprek te pakken. Voor de gespreksleider is het vervolgens van belang dat gesprek tot stand te brengen. Wat is daarvoor nodig?

  • Gemotiveerde deelnemers
  • Tijd en ruimte voor een goed gesprek
  • Een ronde tafel of kringopstelling
  • Vertragen van de communicatie
  • Oefening in luisteren, begrip tonen, vragen stellen
  • Loslaten van resultaten en opbrengsten

Tips voor de gespreksleider

Een heldere opzet in het gesprek is vaak heel behulpzaam voor zowel de gespreksleider als de deelnemers. Begin bijvoorbeeld met een anekdote of een nieuwsbericht als introductie. Er is dan ook nog gelegenheid om iets toe te lichten of uit te leggen.
Vervolgens vraagt de dialoog om open, uitnodigende vragen rondom een universeel, waardenvrij thema. Een thema dat aansluit op de introductie en waarover iedereen – ongeacht achtergrond en taalvaardigheid -kan meepraten. Bijvoorbeeld: vriendschap, werk, liefde, natuur, vakantie, school, hobby’s, talent, sport,  gezondheid, generaties, etc.

Wanneer de gespreksleider zich tot slot bewust is van zijn rol en houding staat niets een goed gesprek meer in de weg. De vijf belangrijkste tips voor de gespreksleider zijn daarbij:

  1. Geef en stimuleer respect en vertrouwen
  2. Wees nieuwsgierig naar je deelnemers
  3. Stel vragen, luister aandachtig naar de antwoorden en vraag door
  4. Voeg geen kennis of informatie toe en wees bescheiden in het geven van je mening
  5. Breng structuur aan in het gesprek, schep kaders

Chapeau

Ik heb een groep heel betrokken en gemotiveerde mensen ontmoet, die met veel zorgvuldigheid vorm willen geven aan hun vrijwilligerswerk en daarmee de kansen van nieuwkomers op deelname aan onze samenleving vergroten. Ook was het bijzonder om te horen hoeveel plezier en voldoening het de vrijwilligers zelf gaf om dit werk te doen. Met veel waardering voor hun inzet neem mijn spreekwoordelijke Franse hoed af voor alle Taalcafé-vrijwilligers. Chapeau!

 

 

 

Snotmonsters en spoken

Over een week begint de Kinderboekenweek 2017. Wie wil filosoferen in de Kinderboekenweek vindt ruimschoots gespreksmateriaal op www.filosoferenopschool.nl. Wil je nog gebruik maken van de tijdelijke, gratis login voor het materiaal van de Kinderboekenweek? Stuur dan even een mailtje.

Behalve tot lezen en filosoferen geeft het thema van deze Kinderboekenweek 2017 – Gruwelijk eng! – ook inspiratie tot griezelig tekenen, schrijven en verhalen vertellen. In deze post vijf ideeën.

1. Snotmonsters

Voor een paar goeie snotmonsters maak je eerst een paar groene kledders op papier, liefst met ecoline, maar waterverf kan ook.

Vervolgens gebruik je een zwarte fineliner om er griezelige snotmonsters van te maken.

2. Bloederige griezels

Dit is min of meer hetzelfde recept als dat van de snotmonsters. Maak met rode ecoline een paar flinke bloedspetters. (Echt bloed kan natuurlijk ook.)

Om er griezels van te maken heb ik nu in plaats van fineliner kleurpotlood gebruikt.

3. Zoek de spoken

Voor deze tekenopdracht heb je papier nodig (bij voorkeur zwart, maar elke andere kleur volstaat ook prima) en kleurpotlood of krijt. Start met het maken van vloeiende ronde vormen in één doorgaande lijn. Je kunt er een zacht, spookachtig geluid bij maken. Zoek vervolgens in de vormen naar spoken en teken ze erin. Wie weet vind je ook nog een paar vleermuizen.

4. Botjesalfabet

Spelen met letters en vormgeving. Wanneer je botjes tekent, werkt dat goed op zwart papier met een wit krijt of kleurpotlood. Letters van spinnenwebben kan ook, of van bloedsporen van ecoline.

Een paar letters voor wie net begint met schrijven (je eigen naam bijvoorbeeld) of een heel alfabet voor de gevorderde.

5. Enge verhalen vertelspel

Het verhalenvertelspel heb ik eerder beschreven, maar leent zich goed voor de Kinderboekenweek. Maak daarvoor een woordweb rondom griezelverhalen. Wees niet bang om hier en daar wat te begrenzen qua griezeligheid en zorg ervoor dat ook woorden als ‘moed’, ‘dapper’, ‘nieuwsgierig’, ‘veilig’, ‘droom’ en ‘fantasie’ aan bod komen. Zo is er altijd een uitgang uit het verhaal als het te gortig wordt. Schrijf de woorden op kaartjes (zie de beschrijving in de eerder blogpost) en maak er illustraties bij.

Je kunt het spel spelen in de kring en samen een verhaal bedenken, maar bijvoorbeeld ook drie kaartjes en een schrijfopdracht geven.

 

24 Taalspelletjes (deel 4)

Woordslang

Dit spelletje kan individueel of in groepen gespeeld worden. De werkwijze is eenvoudig: bedenk steeds een woord met als beginletter de laatste letter van het voorgaande woord. Bijvoorbeeld: slang – garage – eekhoorn – neus et cetera. Eventueel kies je een categorie woorden, zoals dierennamen of meisjesnamen: Sofie – Elvira – Annelies – Selma …

In een groepsspel krijgen de deelnemers een aantal minuten waarin zij proberen de woordslag zo lang mogelijk te maken. De deelnemer met de meeste woorden wint het spel.

Galgje

Een gouwe ouwe die het goed doet in de klas. De spelleider of één van de deelnemers bedenkt een woord en laat de andere deelnemers om de beurt een letter raden. Een verkeerde letter levert steeds een deel van de galg op. De deelnemers gaan door totdat zij weten om welk woord het gaat. Raden zij het woord voordat de galg klaar is, dan winnen ze het spel. Lukt het niet het woord te raden, dan heeft de bedenker het spel gewonnen.

Woordenboekspel

Verdeel de klas in (tafel)groepen van ca. zes leerlingen. Alle leerlingen hebben pen en papier nodig. In de eerste ronde kiest de leerkracht of spelleider uit het woordenboek een moeilijk woord, waarvan de (meeste) leerlingen de betekenis niet kennen. De leerlingen van één tafelgroep bedenken nu ieder een betekenis voor het woord en schrijven die op hun blaadje. Ze leveren de blaadjes in bij de leerkracht. De leerkracht leest de betekenissen voor of schrijft ze op het schoolbord, inclusief de ware betekenis van het woord. De overige groepen mogen nu per groep raden wat de betekenis van het woord is. Vervolgens is er een puntentelling:
Is de goede betekenis gekozen: 1 punt voor de betreffende groep.
Is er een andere betekenis gekozen: 1 punt voor de groep bedenkers.
Heeft niemand de juiste betekenis gekozen: 1 punt voor de spelleider.
Speel het spel zoveel rondes als er groepen zijn.

Estafettesprookje

Iedere deelnemer heeft pen en papier nodig. De leerkracht of spelleider geeft alle deelnemers vier minuten de tijd om een alinea te schrijven die begint met ‘Er was eens… ‘. Als de vier minuten om zijn geven de schrijvers hun papier door aan de deelnemers links van hen. Ze krijgen even de tijd om de tekst te lezen en vervolgens weer vier minuten om een alinea te schrijven. Het schrijven gaat op deze manier door in zo’n zes tot acht rondes. De leerkracht geeft in de laatste twee rondes duidelijk aan dat het tekst (bijna) afgerond moet worden. Alle sprookjes eindigen met ‘en ze/hij leefde(n) nog lang en gelukkig’.
Na het schrijven kunnen de deelnemers de leukste verhalen voordragen voor de groep.

Onelinerspel

Dit spel kan in groepjes  van vier á vijf deelnemers gespeeld worden. De leerkracht of spelleider schrijft een korte startzin op het bord, bijvoorbeeld: ‘uitvinder verkoopt groene vis’. De eerste speler van elk groepje schrijft de startzin over en vult deze aan met details, bijzinnen en bijzonderheden. deelnemers schrijven de startzin over. Iedere speler vult in zijn/haar beurt de zin aan met steeds meer details of korte bijzinnen. Per beurt mogen maximaal 5 woorden toevoegen. De zin moet wel kloppend blijven. De groep die uiteindelijk de langste oneliner maakt (met de meeste woorden) wint het spel.

En dan als laatste…

… het verhalenvertelspel in de klas. En hoe je dat maakt en speelt lees je hier.

24 Taalspelletjes (deel 3)

Woorden rijgen

Een woordspel met samengestelde woorden. De eerste speler noemt een samengesteld woord. De tweede speler noemt een samengesteld woord dat begint met het tweede deel van het eerste woord. Bijvoorbeeld: ‘spelcomputer’ – ‘computerbureau’. De derde speler noemt een woord dat begint met het tweede deel van het voorafgaande woord, bijvoorbeeld ‘bureaustoel’. Wie geen woord meer weet, valt af en speelt niet meer mee. Degene die het langst overblijft, wint het spel. Speel het spel eventueel in teams en spreek een speelduur af.

 

Stad, land, dier

Maak teams van de deelnemers. Per speelronde wordt er een letter gekozen of bij toeval bepaald (bijvoorbeeld door het openslaan van het woordenboek). De teams proberen met de gekozen letter, binnen een afgesproken tijd, zoveel mogelijk woorden te verzinnen in de onderstaande categorieën:

  • stad
  • land
  • dier
  • beroep
  • plant
  • sport
  • jongensnaam
  • meisjesnaam
  • huishoudelijk voorwerp
  • voedsel

Het team met de meeste unieke woorden wint de ronde.

Groeiwoorden

De eerste speler schrijft een woord van drie letters op het bord, bijvoorbeeld  ‘vis’. De volgende speler voegt er een letter aan toe en maakt er een woord van vier letters van, bijvoorbeeld ‘vies’. De volgende speler voegt weer een letter toe en maakt er een woord van vijf letters van, bijvoorbeeld ‘vlies’.
Het spel stopt wanneer de speler die aan de beurt is geen nieuw, langer woord meer kan maken. Daarna begint het spel opnieuw met een drieletterwoord.

Klinkende klinkers

De deelnemers proberen gezamenlijk een zin te maken met slechts één klinker. Van tevoren is afgesproken welke klinker dat is. Klinkers die door een apostrof vervangen kunnen worden (zoals in ‘t, d’r, z’n of m’n) mogen wel meedoen. Bijvoorbeeld: ‘Ook m’n oom koopt zo’n roos.’ Je kunt dit spel als groepsspel spelen, op het schoolbord, om samen een zo lang mogelijke zin te bedenken. Een alternatief is om de groep in teams te verdelen die binnen een vastgestelde tijd proberen de langste klinkerzin te maken.

 Schrijven en vertellen

Alle deelnemers krijgen een klein notitieblaadje. Ze schrijven daarop een zelfstandig naamwoord. De spelleider verzamelt alle woorden en geeft de deelnemers een schrijfpapier. De spelleider trekt ongezien één van de woorden uit stapel notitieblaadjes en lees dit voor. De deelnemers beginnen met het schrijven van een verhaal. Elke paar minuten leest de spelleider een woord voor dat de deelnemers moeten toevoegen aan hun verhaal. Na 15-20 minuten schrijven ronden de deelnemers hun verhaal af. Wie wil leest zijn verhaal voor aan de groep.

Advertentiespel

Alle deelnemers krijgen een strook papier (bijvoorbeeld een half A4, in de lengte gesneden). In de eerste ronde schrijft iedereen bovenaan het papier de aanhef van de advertentie: ‘Te koop, te huur, met spoed gevraagd, tweedehands aangeboden, wie heeft voor mij’, et cetera. Daarna vouwen zij een rand van het papier, met daarop hun tekst, om. Ze geven het papier door aan hun degene die naast hen zit.
Vervolgens beschrijven ze een voorwerp of dienstverlener: ‘een auto, een klusjesman, snelle schoonmaker, lieve goudvis’. Opnieuw vouwen ze hun tekst om en geven het papier door. In de derde rond beschrijven ze kenmerken: ‘in goede staat, met rode strepen, met veel ervaring, onbeschadigd…’. Opnieuw geven ze het papier, omgevouwen, door. Eventueel volgt er nog een ronde met kenmerken. In de laatste ronde schrijven de deelnemers iets over verhandeling of prijs: ‘voor slechts 100 euro, zelf af te halen, tegen verzendkosten…’.
Tot slot worden de advertenties uitgevouwen. De leukste worden voorgelezen.

 

24 Taalspelletjes (deel 2)

Bordscrabble: taal- en rekenspel

Schrijf op het bord een aantal letters en geef ze een waarde, zoals bij het bordspel Scrabble. Bijvoorbeeld:
a=1, b=2, e=1, u=5, m=5, o=1, t=4 en s=4.
Vraag de groep om met deze letters woorden te maken en de waarde van elk woord te berekenen, bijvoorbeeld: mees (11 punten) of  bemost (17 punten).
Wie maakt het woord met de hoogste waarde?
Wie kan de meeste woorden bedenken?
Moeilijkere opdrachten kunnen zijn:
Maak een woord van 15 punten. Of: Maak een som van woorden, bijvoorbeeld:
mat (10) – oom (7) = eb (3)

Gedicht in de knoop

Laat een paar deelnemers het spel voorbereiden. Geef ieder een bestaand gedicht en vraag ze om van elk woord de letters door elkaar te husselen en zo het gedicht opnieuw op te schrijven. Kopieer de teksten of schrijf ze op het bord. Vraag de groep nu om de gedichten te ontcijferen.
Wie heeft als eerste het gedicht weer uit de knoop?

Voorbeeld:
Nat (uit: ‘Superguppie’ vanE. van de Vendel):
Rihe tzi ki,
jib the butindbea.
Ath tspa inet,
ki tzi tsli.
Ik kned ana twa ki liw.
Ki ozu nva llase nkunne ijzn:
ene rikkke
fo nee egtjonej.
Nawt twa si the lshcervi?
Ed spolns,
teh gstpreoenj.

Spreekwoordenspel

Eén deelnemer bedenkt een spreekwoord, zoekt er een op in het spreekwoordenboek of kies ‘m uit het spreekwoordenspel van Kasper Boon. Door middel van gebaren en geluiden beeldt hij of zij het gekozen spreekwoord uit. De groep probeert te raden om welk spreekwoord het gaat. Bespreek na afloop de betekenis van het spreekwoord.

De keizer van China houdt van …

In dit spel gaat het erom een patroon te ontdekken. Eén van de deelnemers (of de leerkracht) bedenkt een patroon of regel, bijvoorbeeld ‘De keizer van China houdt alleen van woorden van vijf letters’ of ‘De keizer van China houdt alleen van woorden die beginnen met een klinker’. Deze deelnemer begint het spel door de groep een aanwijzing te geven, zoals: De keizer houdt van uien, maar niet van prei’. Door vragen te stellen moet de groep erachter komen wat het patroon of de regel is. De vragen mogen alleen met ‘ja’of ‘nee’ beantwoord worden. Voorbeeldvragen: ‘Houdt de keizer van sla?’ ‘Houdt de keizer van fietsen?’ ‘Of van autorijden?’
Een deelnemer mag maar één keer raden naar de juiste oplossing.
Wie fout raadt, doet niet meer mee.

Wie-wat-waar…

Verdeel de deelnemers in zes groepen en het bord in zes kolommen. Vraag elke groep zes woorden te bedenken voor één van de kolommen:
1. Personen (mijn vader, de buurman, de soldaat…);
2. Emoties (bang ,boos, blij);
3. Werkwoorden (werkt, fiets, schrijft);
4. Zelfstandig naamwoorden (boek, bord, appel);
5. Bijvoeglijk naamwoorden of bijzonderheden (geel, gestippeld, snel…);
6. Plaatsen (op straat, in de keuken, in Frankrijk…).
Schrijf de woorden in de verschillende kolommen en laat de deelnemers zinnen bedenken met steeds uit elke kolom een woord. Gebruik de zinnen vervolgens om bij te tekenen of een verhaal mee te verzinnen.

Acroniem: Wie ben ik?

Vraag de deelnemers hun naam verticaal op te schrijven, de letters onder elkaar. Vervolgens maken ze met elke letter een woord, zodat een acroniem (of ‘woudlopersnaam’) ontstaat. De woorden geven eigenschappen, voorkeuren, talenten of kenmerken van de deelnemer weer. De leerkracht of spelleider haalt de acroniemen op en schrijft per naam de woorden in willekeurige volgorde op het bord. De andere deelnemers mogen nu raden: wie is het?
Het spel kan ook met dierennamen gespeeld worden.

 

24 Taalspelletjes (deel 1)

In deze laatste paar weken voor de zomervakantie is er nog van alles te doen, of al van alles afgerond. Soms is het te warm om te leren of is de vaart er even uit. Om dan toch de ‘taalspieren’ wat op peil houden, of liefst nog wat sterker maken vind je hier de komende paar weken in totaal 24 taalspelletjes voor in de klas of groep. Niks spectaculairs of revolutionairs, gewoon lollige spelletjes omdat taalplezier werkt op de taalspieren. En als het meezit ook op de lachspieren.

Is het nodig om in de zomer de taalvaardigheden wat extra te oefenen, dan kun je ze ook heel goed thuis, aan het strand of op de camping spelen.

Langewoordenspel

Schrijf een lang woord op het bord, bijvoorbeeld ‘ruitenwisservloeistof’, kunstnijverheidstentoonstelling’ of ‘afvalwaterzuiveringsinstallatie’. Vraag de deelnemers om met de letters van dit woord nieuwe woorden te vormen, van minimaal drie letters. De letters hoeven niet aansluitend te zijn in het lange woord: uit ‘ruitenwisservloeistof’ kun je RUIT maken, maar TRUI is ook goed.

De deelnemers krijgen een paar minuten om te schrijven, daarna stopt de tijd. Een eerste deelnemer leest nu al zijn of haar woorden voor, de anderen strepen de woorden weg die zij ook gevonden hebben. Daarna volgen de deelnemers die nog nieuwe woorden hebben bedacht. Wie uiteindelijk de meeste unieke woorden heeft, wint het spel.

ABC-spel

Kies een onderwerp, bijvoorbeeld steden, je school, de vakantie of beroemdheden. Probeer vervolgens met de klas op het bord het hele alfabet vol te maken met woorden uit deze categorie, bijvoorbeeld Amsterdam, Beverwijk, Culemborg etc.
Variatie: laat de leerlingen eerst individueel het ABC-tje maken en maak het daarna op het bord.
Dit spelletje is (zonder de woorden op te schrijven) ook heel geschikt voor in de trein, tijdens de afwas, in de auto of in een lange wachtrij voor de kassa.

Woorden met de letter…

Verdeel de klas in groepjes. Kies een onderwerp zoals bijvoorbeeld landen, sporten, kledingstukken of etenswaren en schrijf dit op het bord. Schrijf er een letter bij, bijvoorbeeld A. De groepjes bedenken nu binnen het onderwerp zoveel mogelijk woorden met die letter: Australië, Algerije, Albanië, Aruba…. Het groepje dat de meeste woorden vindt, wint het spel.

Twintigvragenspel

Een deelnemer komt voor de klas en neemt een woord in gedachten, of krijgt een woord aangereikt van de leerkracht. De groep mag maximaal twintig vragen stellen om te weten te komen welk woord het is. Op de vragen mag uitsluitend met ‘ja’ of ‘nee’ geantwoord worden. De groep wint als zij het woord op tijd geraden heeft. Lukt dat niet, dan wint degene die het woord heeft bedacht.

To-ma-ten-soep

Een paar deelnemers gaan naar de gang. De klas bedenkt een woord met meerdere lettergrepen, bijvoorbeeld to-ma-ten-soep. Die lettergrepen worden verdeeld over de kinderen. De deelnemers van de gang komen weer binnen en op het teken van de leerkracht zeggen alle kinderen in de klas tegelijkertijd hun lettergreep. De deelnemers die van de gang komen moeten proberen te achterhalen welke lettergrepen zij horen en ze te verbinden tot het juiste woord. Ze mogen rondlopen en met elkaar overleggen, terwijl de klas de lettergrepen herhaalt.

Zinspelen

De deelnemers zitten in een kring. De eerste speler begint met een zin van twee woorden, bijvoorbeeld: ‘Sofie fietst’. De volgende speler maakt de zin met één woord langer, bijvoorbeeld: ‘Sofie fietst snel’. De derde speler vult weer met één woord aan: ‘Sofie fietst snel door’. Zo gaat het spel verder. Weet degene die aan de beurt is niet hoe hij verder moet, dan valt hij af. Degene die de laatste, langste zin heeft gemaakt, wint het spel.