Geheimtaal

Vriendschap, daarover gaat de Kinderboekenweek die aanstaande woensdag begint. Eén van de boeken op zowel de lijst van CPNB als op mijn lijst voor het lesmateriaal FILOSOFEREN OP SCHOOL is ‘Het zakmes’ van Sjoerd Kuyper. De hoofdpersoon Mees Grobben heeft daarin een geheimtaal met zijn vriend Tim: de taal van de kippen.
Een geheimtaal is volgens mij een ultiem teken van vriendschap, van een verbond. En daarmee kun je creatief aan de slag in de klas. Daarom in deze post een paar ideeën voor het bedenken en maken van een geheimtaal.

De taal van de kippen

Mees en Tim uit ‘Het Zakmes’ spreken samen de taal van de kippen, oftewel: do tol von do koppen. Tok tok!
Alle klinkers zijn vervangen door een ‘o’. Zo zijn er natuurlijk nog veel meer andere talen te bedenken.  Wat dacht je van de taal van de koeien, de paarden, of de mieren? Hoe klinkt de taal van de honden? Vraag de kinderen in tweetallen om een spreektaal te verzinnen, zoals de taal van de kippen. Zijn er nog andere manieren om een geheime spreektaal te bedenken? En zouden de dieren ook echt hun eigen taal hebben, waarin ze net als wij met elkaar praten?

Geheime tekens

Het alfabet bestaat uit 26 tekens die voor de meesten van ons, boven de zes jaar althans, niet geheim zijn. Voor jonge kinderen en voor mensen die veel moeite hebben met lezen en schrijven zijn ze dat natuurlijk wel. Dat is ook het mysterieuze aan taal. Op school wijden we elkaar in in het geheim van het alfabet, op zichzelf betekenen die kriebels niets. Sterker nog, je kunt zelf allerlei tekens bedenken en ze een alfabet noemen. Om ermee te kunnen communiceren moet je dan wel iemand uitleggen hoe het zit. Je beste vriend bijvoorbeeld.

Een eigen taal van geheime tekens maken is een leerzame opdracht waar je diverse leerdoelen aan kunt verbinden. De kinderen denken na over de betekenis van taal, over semiotiek: de manier waar betekenis en betekenisdragers met elkaar verbonden zijn.
Het zelf bedenken van tekens vereist creativiteit. maar doet ook een beroep op logisch, wiskundig denken: hoeveel variaties zijn er mogelijk bij een combinatie van vormen?

Maak je bij je geheimtaal een draaischijf, dan komt daar ook nog meetkunde aan te pas. De draaischijf bestaat uit twee kartonnen cirkels van verschillende grootte, die met een splitpen op elkaar zitten. Op de binnenste cirkel staan de letters van het alfabet en voor het gemak twee extra tekens zoals ! en ?.  Op de buitenste ring komen 28 geheime symbolen. Bij elke geheime boodschap geef je weer welk symbool bij de A. hoort. De ontvanger draait de schijf in de juiste positie en vervolgens is de  boodschap te ontcijferen aan de hand van de schrijf. Zo kun je steeds variëren en is de code lastig te kraken.

Gebarentaal

In de brugklas hadden mijn vriendin en ik een gebarentaal bedacht, die we na enig oefenen razendsnel konden toepassen. Elk gebaar hoorde bij een letter van het alfabet. Vraag je kinderen samen een gebarentaal te bedenken, dan doe je een beroep op zelfstandigheid, nauwkeurige communicatie en het maken van goede afspraken. De kinderen hebben een creatieve oplossing nodig het vastleggen en onthouden van wat zij samen hebben bedacht. Alles bij elkaar een uitdagende sociale opdracht, die ongetwijfeld veel plezier oplevert.

Waar blijft de tijd?

Voorbije tijd verdwijnt in zwarte gaten.
Zo gaat het en zo zal het altijd gaan.
Vandaag verdwijnt. Je doet er weinig aan.
Die gaten zijn oneindig hol
en nog bij lange na niet vol.
Je moet voorbije tijd toch ergens laten?

Bette Westera

Februari is verdwenen in een van de zwarte gaten en zo is het ineens maart. Wat is dat met de winter? Korte dagen, lange uren, veel te doen. Gelukkig was er in alle drukte wel tijd om het grappige, filosofische boek ‘Was de aarde vroeger plat?’ van Bette Westera te lezen en te genieten van de illustraties van Sylvia Weve.

Het boek stelt 36 onderzoekende vragen, weergegeven in een inhoudsopgave. Opvallend is dat veel van de vragen over tijd en ruimte gaan, over het mysterie daarvan: ‘Hoe weet je dat de tijd bestaat?’, ‘Houdt de ruimte ergens op?’, ‘Hoe lang duurt de toekomst?’ en ‘Kan de tijd verdwijnen?’
In andere filosofische vragenbundels voor kinderen, zoals die van Oscar Brenifier, is de leefwereld van het kind meer het vertrekpunt. In dit boek is er slechts één vraag waar ‘ik’ in voorkomt: ‘Waarom ben ik mijn broertje niet?’. De overige vragen zijn opvallend abstract: ‘Wanneer begint iets?’of ‘Waar blijft de tijd’?

Westera geeft antwoord op de vragen in gedichten, en Weve verrijkt die antwoorden met haar beelden. Want volgens de makers is dat de soms beste manier:

Er zijn vragen
die om een antwoord vragen
Er zijn ook vragen
die vragen
om een versje
een gedicht
een schilderij
Vragen die vragen
om iets
wat dartel om ze heen kan draaien
zoals de aarde
eeuwig om zijn as

Daarmee is dit boek een mooi voorbeeld van de verschillende manieren waarop je filosofische vragen kunt beantwoorden. In gesproken taal, in dialoog, maar zeker ook in literatuur, poëzie, theater en beeld.
Toevallig las ik gisteren in dagblad Trouw een recensie van het boek ‘Er zit iets achter. Over filosofie en kunst’ door Arthur d’Ansembourg.  D’Ansembourg gaat ervan uit dat beeldende kunst een ‘impliciete filosofie’ bevat en op intuïtieve wijze en met visuele middelen antwoord geeft op dezelfde soort vragen als filosofen stellen. Hetzelfde uitgangspunt gaat schuil achter mijn werkwijze van het Atelier van de Verbeelding, waar kinderen vanuit het filosofisch gesprek hun ideeën in taal en beeld vormgeven. Niet letterlijk, maar in hun expressie gevoed door de filosofisch vragen die we onderzoeken.

Het mooie boek van Westera en Weve is inspirerend materiaal om alsnog zèlf op zoek te gaan naar antwoorden op de gestelde vragen, bijvoorbeeld in een filosofische dialoog in de klas. Maar ook om kinderen die geoefend zijn in het filosoferen in dialoog juist uit te dagen om hun antwoorden vorm te geven in creatieve taal en beeld. Niet slechts als verwerking van het gesprek, maar als kunstopdracht.
Kortom, voor leerkrachten, kunsteducatiedocenten en ouders van onderzoekende kinderen een echte aanrader!

 

 

Kunnen kleuters filosoferen?

In mijn vorige post gaf ik tips voor het filosoferen tijdens de Nationale Voorleesdagen, bedoeld voor de groepen 1 tot en met 4. En ik stelde daarbij direct de vraag of dat kan, een filosofisch gesprek met jonge kinderen. Is het niet te lastig voor kleuters om zo’n gesprek te voeren? Kun je dan al echt spreken van filosoferen? Kunnen jonge kinderen dat überhaupt, filosoferen? Vandaag ga ik daar graag op in, want het zijn vragen die ook mij en scholen waarop ik werk bezighouden.

Filosoferen met jonge kinderen, kan dat wel?

Er is bij scholen de laatste jaren steeds meer belangstelling voor het filosoferen met kleuters. Dat is opvallend te noemen, omdat de vaardigheden die horen bij het filosoferen bij jonge kinderen over het algemeen nog beperkt zijn. De aard, mogelijkheden en opbrengst van een filosofisch gesprek zijn afhankelijk van de leeftijds- cq. ontwikkelingsfasen waarin de leerlingen zich bevinden. Immers, aspecten als taalvaardigheid, de ontwikkeling van het abstract denken en van moraliteit en rechtvaardigheidsgevoel zijn van belangrijke invloed op het gesprek.

De taalontwikkeling en sociale vaardigheden van kleuters zijn nog volop in ontwikkeling en het abstract denken, onmisbaar in het daadwerkelijk filosoferen, is vaak pas aanwezig rond het achtste jaar. Doorgaans verandert het denken van kinderen sterk na de kleutertijd – er vindt een ontwikkeling plaats van associatief denken naar het herkennen van denkbeelden en er is een begin van moreel bewustzijn. Rond het achtste levensjaar zijn de meeste kinderen in staat om in abstracties te denken en dieper betekenis te geven aan begrippen. Daarmee verwerven zij de belangrijkste voorwaarden om te kunnen filosoferen. Uiteraard is het mogelijk dat meer begaafde kleuters deze denk- en taalvaardigheden sneller ontwikkelen.

Het niveau van het filosofisch gesprek

Niet alleen bij kleuters of kinderen in het algemeen, maar voor elke (filosofische) dialoog met elke willekeurige groep geldt dat het niveau van het gesprek samenhangt met het gezamenlijk niveau van de groep op dat moment. Die niveauverschillen betreffen de volgende domeinen: het algemeen kennisniveau, levenservaring, denkvaardigheden, taalvaardigheden en gespreksvaardigheden. Elk filosofisch gesprek is daardoor anders van kwaliteit, zelfs wanneer je steeds met dezelfde groep zou filosoferen. Door de snelle ontwikkeling die kinderen doormaken, loopt het gespreksniveau sterk uiteen op verschillende leeftijden. Voor meer inzicht licht ik de verschillende domeinen nader toe.

Kennisniveau en levenservaring
Wanneer de leerlingen gezamenlijk een onderwerp onderzoeken, brengen zij kennis en voorbeelden (levenservaring) in. Hoe meer kennis en ervaring er over een bepaald onderwerp of thema is opgedaan, hoe meer invalshoeken er mogelijk zijn voor onderzoek.

Denkvaardigheden
De mate waarin de deelnemers in staat zijn om in het gesprek de overgang te maken van particuliere voorbeelden naar algemene wetmatigheden, of van concrete uitspraken naar abstracte ideeën, bepalen de verdieping in het gesprek. De filosofische kwaliteit van het gesprek hangt hiermee samen.
Het abstract denkvermogen van kinderen ontwikkelt zich gemiddeld vanaf het achtste jaar. De mate waarin filosofisch denkvaardigheden zich ontwikkelen heeft meer te maken met belangstelling voor filosoferen en zeker ‘filosofisch talent’ dan met de intelligentie van het kind (Rondhuis, 2005). Vanzelfsprekend nemen de denkvaardigheden toe wanneer de leerlingen vaker filosoferen.

Taalvaardigheden
Taal is het middel waarmee we filosoferen. Kinderen met een beperkte (Nederlandse) taalvaardigheid of woordenschat zullen meer moeite hebben hun gedachten onder woorden te brengen, de vragen goed te begrijpen of om de inbreng van anderen te volgen. Verschillen in taalvaardigheid bepalen het gespreksniveau in bijvoorbeeld groepen met een grote culturele diversiteit of met duidelijke (mentale) leeftijdsverschillen, zoals bij kleutergroepen 1/2. De dialoog is een speelse en natuurlijke werkvorm om de taalvaardigheid te bevorderen.

Gespreksvaardigheden
Hoe beter een groep qua gespreksvaardigheden op elkaar is ingespeeld, des te meer mogelijkheden er zijn tot gezamenlijk onderzoek. De gespreksvaardigheden van de kinderen bepalen of het gesprek soepel verloopt en of iedereen gelijke kansen krijgt in het gesprek. Van jonge kinderen verwachten we vaak te snel dat zij begrijpen wat het gesprekskader is en wat de sociale codes van gespreksvoering zijn. Bij kinderen tot 8 jaar is dat echter niet realistisch (M. Delfos, 2014). Als gespreksleider zal je steeds de kaders en codes moeten toelichten en oefenen, en de inspanning die jonge kinderen leveren om een gesprek te voeren op waarde moeten schatten. Het voeren van de dialoog is een goede manier om gespreksvaardigheden te oefenen.
Ook wanneer kinderen ouder worden en meer zicht hebben op de sociale codes en kaders van een gesprek zullen zij de benodigde vaardigheden voor gesprekken opdoen door te oefenen. De sociale kwaliteiten van de kinderen zijn medebepalend voor de mate waarin zij zich in een gesprek kunnen inleven en aanpassen aan anderen.

Voorbereidend filosoferen

Toch is het zeker leuk en zinvol om met jonge kinderen filosofische gesprekken te voeren! Ten eerste omdat juist jonge kinderen zich kunnen verbazen en verwonderen over de wereld om hen heen. Ze stellen zich steeds de vraag waarom de dingen zijn zoals ze zijn. En ze hebben heel eigen, authentieke verklaringen voor wat ze zien, horen en ervaren. Bovendien oefenen de leerlingen diverse vaardigheden in de filosofische dialoog: zelfstandig nadenken over vragen, begrijpend luisteren, sociale interactie, respect en waardering opbrengen voor andere meningen. Ze leren hun gedachten, gevoelens en ideeën onder woorden te brengen. Door deze vaardigheden te oefenen en het plezier in de dialoog op te bouwen, leg je een basis voor het verdiepend filosoferen in de volgende schooljaren. Je zou in die zin kunnen spreken van voorbereidend filosoferen.

Aansluiten

Hoe sluit je, vanuit dit uitgangspunt, met je materialen, doelen en verwachtingen van het filosoferen goed aan bij de ontwikkelingsfase van het jonge kind?

Zoals genoemd is het abstract denken, onmisbaar in het daadwerkelijk filosoferen,bij kleuters bovendien nog niet ontwikkeld. In die zin kan er dus nog geen sprake zijn van filosoferen. Het is daarom belangrijk dat je realistisch bent in je verwachtingen ten aanzien van het gesprek en de denkvaardigheden van kleuters. Neem in die zin genoegen met het uitwisselen van ervaringen rondom het onderwerp en verwacht nog weinig verbinding tussen of verdieping in de inbreng van de kinderen.

De taalontwikkeling van kleuters is in volle gang en kan tussen kinderen in deze fase sterk uiteenlopen. Kleuters kunnen de meeste woorden uitspreken en grammaticaal juiste zinnen maken, maar dat wil niet zeggen dat ze de betekenis kennen van alle woorden die ze gebruiken. Ook kunnen ze veel van wat ze denken en voelen juist nog niet duidelijk onder woorden brengen. Voor het filosoferen betekent dat, dat er niet teveel waarde gehecht moet worden aan wat de kinderen letterlijk zeggen, maar meer aan wat zij aan ideeën of ervaringen willen inbrengen. De dialoog is een oefenplaats om deze vaardigheden te verwerven.

Kinderen ontwikkelen zich in de kleutertijd sterk in fysiek en sociaal opzicht en in taalvaardigheid. Het is de bloeitijd van de fantasie en creativiteit. Kleuters laten hun binnenwereld zien door een grote productie van tekeningen, bouwwerken, woordvindingen en fantasiespel. Ze beschouwen de wereld als een magische plek, waarin alles van leven bezield is. Behalve creatief en vindingrijk zijn kleuters ook conservatief. Ze hebben een sterke behoefte aan gewoontes, vaste rituelen en structuur. Het filosoferen kun je daarom goed inzetten als een ritueel, met vaste gewoonten en duidelijke regels. Vervolgens is het van belang om in het denken en in de dialoog voldoende ruimte te laten voor spel, fantasie en beweging. Verhalen, versjes en (interactieve) prentenboeken vormen om die reden een goed uitgangspunt voor het gesprek.

Meer leren?

Meer leren over het filosofisch gesprek en het filosoferen in de klas?
Doe de online cursus FILOSOFEREN OP SCHOOL of boek een training of studiedag. Materialen voor het filosoferen, ook met jonge kinderen, vind je in de online database van FILOSOFEREN OP SCHOOL. Daarin is onder meer een ruime en actuele verzameling prentenboeken en gedichten met gespreksmateriaal te vinden voor deze doelgroep.

 

DIY: gedichten schrijven in de klas

Zoals beloofd in de vorige post geeft Annelies Goedhart een handige hand-out om zelf gedichten te schrijven in de klas. Dat past mooi bij de Poëzieweek die start op 25 januari, maar kan natuurlijk ook op elk ander moment. Het stappenplan van Annelies geeft bovendien inzicht in hoe je zelf een les poëzieschrijven zou kunnen voorbereiden.
Dichten maar!

Een gedicht over deel en geheel

Het onderstaande gedicht ‘Genoeg’ van Hans en Monique Hagen is een beeldende tekst over deel en geheel, over jezelf en de wereld om je heen. De vorm en inhoud geven inspiratie voor het schrijven van een zogenoemd imitatio-gedicht, aan de hand van de 3 stappen die hieronder zijn beschreven. Tot slot is een korte suggestie gegeven voor een groepsgedicht.

Genoeg

duizend bomen is een bos
duizend druppels is de regen
duizend sprietjes is het gras
maar

hoeveel woorden heb ik
hoeveel belletjes van spuug
hoeveel tranen, hoeveel lach
hoeveel poep en hoeveel plas
hoeveel kusjes voor de nacht
zal ik nog krijgen en nog geven

genoeg
voor heel mijn leven

Hans en Monique Hagen (uit: Jij bent de liefste, Querido, 2000)

Stap 1: Het gedicht lezen en bespreken

Lees het gedicht in de groep een paar keer door en voor –
eerst de leerkracht, daarna enkele kinderen. Vraag je samen af:

  • Waar gaat de eerste helft van het gedicht over?
  • Waar gaat de tweede helft van het gedicht over?
  • Wat valt je op aan hoe het gedicht is geschreven, aan de vorm en aan de woorden?
Stap 2: creatief denken

Voor je een gedicht gaat schrijven helpt het om eerst creatief te denken over wat je wilt vertellen, over woorden en over zinnen. Dat kun je doen aan de hand van de volgende vragen.

Vragen bij de eerste helft van het gedicht:

  • één boom is een boom en ‘duizend bomen is een bos’
    Wat kunnen duizend bomen nog meer zijn? Waar zie je duizend bomen bij elkaar?
    Duizend bomen is . . . . . . . . .
  • één druppel is een druppel en ‘duizend druppels is de regen’
    Wat kunnen duizend druppels nog meer zijn?
    Duizend druppels is . . . . . . . . .
  • Kun je zelf een zin bedenken over de natuur? Denk aan stenen, blaadjes, sterren, vissen, vogels, koeien, wolven, mensen.
    Duizend . . . . . . . . . . . . is . . . . . . . . . . . . .

Vragen bij de tweede helft van het gedicht:

  • Kijk naar je lichaam. Uit welke delen bestaat je lichaam? Wat zit er allemaal in je lichaam?
  • Kun je zelf een nieuwe zin bedenken zoals in de tweede helft van het gedicht?
    Hoeveel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . heb ik?

Vragen voor de afronding van het gedicht:

  • Wat kan je krijgen van iemand en geven aan iemand?
  • Wat vind je zelf leuk om te krijgen?
    Bedenk een pakkende laatste zin voor je gedicht.
Stap 3: schrijven en voordragen

Schrijf nu, met behulp van alles wat je bij stap 2 hebt bedacht, je gedicht.
Gebruik eventueel dit werkblad.
Draag tenslotte de gedichten aan elkaar voor. Maak daarbij gebruik van de volgende drie tips:

  1. Sta stevig met je voeten op de vloer en haal rustig adem;
  2. Houd je tekst met twee handen vast voor je buik. Zo kun je contact houden met het publiek en kan iedereen je goed horen;
  3. Speel bij het voordragen met je stemgeluid en gezichtsuitdrukking.
Suggestie: een groepsgedicht

Bespreek het inspiratiegedicht (zie stap 1) en bedenk, individueel en samen, eigen zinnen aan de hand van de vragen in stap 2. Schrijf de zinnen op strookjes papier.
Lees de zinnen aan elkaar voor. Kies een aantal zinnen uit en maak daaruit, door de strookjes onder elkaar te leggen, een groepsgedicht. Speel en puzzel met de zinnen tot je de meest krachtige volgorde hebt gevonden.

 

Meer poëzie in de klas?

Wil je een workshop van Annelies in de klas? Kijk dan op www.drukjeuit.nl.

Meer mooie gedichten van Hans en Monique Hagen:

 

 

Poëzie in de klas: Annelies Goedhart

Blogserie: Vakgenoten

Zelfstandig maar in goed gezelschap. Zo ervaar ik mijn werk als zzp’er in illustratie, cultuur en educatie. Ik werk graag alleen en geniet ook van samenwerken, sparren, onderzoeken en uitwisselen met vakgenoten. Op mijn blog deel ik mijn ideeën en ervaringen. In een serie interviews nodig ik mijn vakgenoten uit om dat eveneens te doen en vraag ik ze op de mens af wat hen motiveert, hoe ze werken en wat ze ons vanuit hun ervaring in het vak kunnen leren.

Deel 1: Annelies Goedhart

Op 25 januari start de Landelijke Poëzieweek. Annelies Goedhart kent de ins-and-outs van het schrijven van poëzie met basisschoolleerlingen als geen ander. Ze geeft sinds 2006 les op het gebied van creatief schrijven (waaronder poëzie), taalvorming en taaldrukken. Haar aanbod en werkwijze vind je op Drukjeuit.nl.
In dit eerste deel van de blogserie Vakgenoten vertelt Annelies over de betekenis van poëzie en creatief schrijven voor leerlingen in het basisonderwijs. In de hiernavolgende blogpost geeft Annelies inspiratie om zelf aan de slag te gaan met het lezen en schrijven van gedichten tijdens de Poëzieweek.

 

“Al mijn werkzaamheden via ‘Druk je uit’ dienen een duidelijk doel. Ik wil dat mijn deelnemers hun stem vinden, hun woorden vinden en vertrouwen krijgen in het verhaal dat ze vertellen. Ik wil kinderen creatief laten spelen met taal en ze duidelijk maken dat er niet één manier is om dat te doen. Samen gaan we op zoek naar een vorm en stijl die bij hen past.”

Ik maak gebruik van verschillende werkwijzen en werkvormen, maar de basis ligt in taalvorming en taaldrukken. Een bestaand concept waarmee ik leerde werken bij de Taaldrukwerkplaats in Rotterdam. Taalvorming werkt vanuit een taalronde, waarin alle taalvaardigheden geïntegreerd aan bod komen: spreektaal, schrijftaal, beeldtaal, lichaamstaal. We starten met een gesprek over een onderwerp waar iedereen ervaring mee heeft. Alle kinderen kunnen meedoen. Ze voelen zich door het onderwerp aangesproken om iets met elkaar te delen, zijn enthousiast om te vertellen wat hun ervaring is. Doordat we er samen over praten is het schrijven vervolgens makkelijker.
Taalvorming heeft een duidelijk stappenplan. Je begint met spreektaal, vervolgens ga je naar de schrijftaal. Kinderen die denken dat ze niets kunnen bedenken om te schrijven hebben een opstapje: ze schrijven gewoon op wat ze net in de kring hebben verteld. Vervolgens ga je met die geschreven tekst aan de gang. Eerst herschrijven, om de tekst begrijpelijker en sterker te maken. Daarna maken we de tekst nog krachtiger met een illustratie. De beeldtaal versterkt de schrijftaal.
Dan is het proces van Taalvorming afgerond en start het Taaldrukken. We verwerken de teksten en beelden tot een boek of tot een poster. Verschillende druktechnieken maken het mogelijk om in oplage te werken. In een klas van 30 kinderen heeft dan uiteindelijk iedereen zijn tekst geschreven en geïllustreerd, bijvoorbeeld in sjabloontechniek, die we vervolgens in een oplage van 30 in de klas afdrukken. We vermenigvuldigen en verspreiden het werk van de kinderen en zo ervaren zij dat hun tekst van waarde is. De posters hangen in de school, de boekjes gaan mee naar huis. Er is een publiek voor hun werk. (Groot)ouders, docenten en andere kinderen lezen het. Dat is magisch! En dat geldt ook als ze hun werk voordragen. Dat is spannend, of zelfs eng voor velen. Maar het geeft voldoening. En zelfvertrouwen, wanneer ze het gedaan hebben. De complimenten die ze krijgen en elkaar geven doet ze goed.”

“Gebaseerd op de taallessen op school hebben kinderen een idee en verwachting van werken met taal. Als ik in de klas kom, neem ik een andere ingang: creatieve taal en presentatie. Daardoor kunnen de kinderen naast de noodzakelijke reguliere taallessen op een andere, creatieve wijze met taal bezig zijn en taalplezier beleven. Want als je poëzie schrijft, hoeft je tekst niet te voldoen aan strikte regels. Je kunt je meer vrijheden veroorloven. Je mag er in een gedicht voor kiezen om geen hoofdletters of punten te gebruiken. Je mag in gedichten woorden combineren die je normaal niet samen gebruikt. Je mag zeggen dat ‘zonnestralen dansen’. Je kunt je eigen woorden bedenken, je kan spelen met woorden.
Toch benoem ik meestal niet letterlijk dat we poëzie gaan schrijven, tenzij we werken met een vast dichtvorm zoals een rondeel of haiku. Want wat is de definitie van een gedicht? Er is veel meer vrijheid als ik kinderen vraag om ‘3 tot 5 korte regels te schrijven’. Zo zijn ze niet belemmerd door hun idee van wat een gedicht moet zijn. Op het juiste moment bespreken we samen wat een gedicht allemaal kàn zijn.

Leerkrachten zijn vaak verrast over wat er in de lessen gebeurt. Zowel over de werkwijze als over het resultaat. Omdat ik het schrijven stap-voor-stap begeleid, doen ook de kinderen mee van wie zij het niet verwachten, de kinderen die moeite hebben om zich te uiten of moeite hebben met taal. Om ook de ‘pluskinderen’ voldoende uit te dagen benoem ik wel bepaalde aspecten van poëzie, zoals alliteratie en assonantie. Je ziet dan dat zij dat direct toepassen in hun gedichten. Maar aan het einde van de les hebben alle kinderen een tekst, een gedicht geschreven. Dat vind ik belangrijk: schrijven en taal zijn voor iedereen.”

“Niet slechts enkele mensen zijn schrijvers. Iedereen heeft zijn eigen woorden, zijn eigen verhaal. Dat wil ik kinderen meegeven. Iedereen kan schrijven.”

“Bestaande poëzie van Nederlandse dichters vormt meestal het startpunt van mijn lessen, de inspiratiebron. Aanvankelijk werkte ik veel met korte verhalen, bijvoorbeeld van Toon Tellegen. Dan ging het vervolgens om het duiden van het verhaal, voordat we over de eigen ervaringen spraken. Tegenwoordig werk ik vooral met gedichten. Dat is ten eerste omdat ik ervan geniet en het mij inspireert. Ik kan het vol passie doorgeven aan de kinderen. Ten tweede is een gedicht kort en krachtig. Heel functioneel, want veel kinderen hebben nu eenmaal een korte spanningsboog. Ook laat het ze zien dat een tekst die ze zelf schrijven kort en bondig mag zijn, het hoeft niet zo uitgebreid.
Een gedicht heeft bovendien meerdere lagen en betekenissen. Kinderen kunnen hun eigen betekenis eraan geven en daar met elkaar over in gesprek gaan. Ze leren dat iedereen anders kijkt en luistert.

Ik merk vaak dat kinderen niet erg bekend zijn met poëzie. Er zijn weinig gelegenheden waarbij ze in aanraking komen met poëzie. Toch houden ze er wel van. Als ik aan het einde van een workshop of gastles vraag wat ze hebben geleerd, zeggen ze dat ‘gedichten schrijven eigenlijk heel leuk is’ en dat ze ‘nu begrijpen wat een gedicht is’. Op een school waar ik al een aantal jaren werk, de Oscar Romeroschool in Rotterdam, is inmiddels een vaste groep kinderen die er na schooltijd voor kiest om bij mij te komen schrijven. Dat zijn kinderen die echt houden van het schrijven van poëzie. Eén van hen, een jongen uit groep 8, is dol op het schrijven van haiku’s. Vaak schrijft hij behalve de gegeven opdracht ook een paar haiku’s over het onderwerp. Dat is geweldig om te zien. De haiku is zijn vorm. Daar geniet hij van. Hij schrijft krachtige teksten.

Ik heb in mijn werk op Rotterdamse scholen regelmatig te maken met kinderen die thuis een andere taal spreken dan op school, die tweetalig zijn of het Nederlands als tweede taal hebben. Kinderen die moeite hebben met taal, met grammatica en spelling, met spreek- of schrijfvaardigheid. Ze beginnen vaak al met een achterstand, moeten een inhaalslag maken op school. Ik kan me in hen verplaatsen omdat ik zelf tweetalig ben opgegroeid. Aanvankelijk spraken we vooral Engels thuis, eenmaal op school struikelde ik over het Nederlands. Hierin ligt een deel van mijn motivatie: ik wil voor deze kinderen de drempel verlagen om zich in taal uit te drukken, ze succeservaringen laten beleven zodat ze er meer vertrouwen in krijgen. Dat doe ik door lessen in creatief schrijven, maar bijvoorbeeld ook met lessen Schrijfdans die tot doel hebben fysiek ontspannen te leren schrijven.
De opbouw van mijn lessen dienen hetzelfde doel. Drukke kinderen, kinderen die moeite hebben zich te concentreren of te organiseren, zijn vaak opvallend creatieve kinderen. Maar je moet ze wel begeleiden in het zetten van de juiste stappen om tot schrijven te komen. Dan blijkt pas dat ze het kunnen. Ik heb gezien dat structuur en veiligheid belangrijke voorwaarden voor kinderen zijn om te kunnen schrijven. En het stellen van de juiste vragen. Als je specifieke vragen stelt, krijg je ook specifieke antwoorden. Als een schrijfopdracht luidt: ‘Schrijf maar iets leuks over jezelf’ kan niemand daar iets mee. Kinderen al helemaal niet. Ik vraag door, vraag kinderen om zo precies mogelijk te vertellen. Wat hoor je, wat zie je? Hoe klinkt dat precies, hoe ziet er eruit? Geef aandacht aan details. En ik heb leren luisteren. Wat wordt er nou echt gezegd? Wat bedoelen ze daarmee? Ik vraag door totdat ik de kinderen begrijp en zijzelf begrijpen dat details ertoe doen. Dan pas worden teksten boeiend om te lezen.

Natuurlijk zijn er kinderen die talent hebben voor taal en voor schrijven. Maar in mijn werk valt me op dat als het taal betreft, kinderen heel uiteenlopende talenten kunnen hebben. Sommigen zijn vlotte sprekers, anderen gemakkelijke schrijvers, weer anderen kunnen zich bijzonder krachtig uitdrukken in beeldtaal of lichaamstaal. Als je kinderen diverse mogelijkheden biedt om zich uit te drukken, zal ieder kind een vorm ontdekken waarin hij of zij talent heeft. De andere werkvormen zijn dan vaardigheden die je kunt oefenen. Maar je uitdrukken in taal is zo essentieel menselijk – ik geloof dat iedereen dat kan, op zijn manier.”

“De mens heeft een basale behoefte tot communiceren, tot zich verbinden met anderen. Iedereen wil met anderen zijn verhaal delen en zich uitdrukken. Taal, gesproken of geschreven, beeldtaal of lichaamstaal, is de manier waarop we dat doen.”

 

Annelies Goedhart is vakdocent Taalvorming en Taaldrukken, Tamalpa Practitioner en grafisch vormgever.  Ze woont en werkt in Rotterdam.

 

De Uitvindersclub (2): 6 lesideeën

Deze week 6 ideeën voor de Uitvindersclub: activiteiten om creatief te denken, oplossingen te zoeken, robots te ontwerpen, anders te kijken, een beeld te vormen van de toekomst.

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

1. Toekomstbouwers

De uitvinders denken na over het leven in de toekomst, aan de hand van één van de volgende invalshoeken.

Spelen
De Uitvindersclub ontwerpt samen een superspeeltuin en vraagt zich af:  Welke speeltoestellen bestaan nog niet, maar zou je wel graag willen zien? Hoe kun je speelplaatsproblemen oplossen, zoals op elkaar moeten wachten, je bezeren, dingen die kapot gaan? Hoe zien de speeltoestellen van de toekomst eruit? Hoe kan het nog leuker, gekker, gevaarlijker, spannender?

Wonen
De Uitvindersclub denkt na over wonen van de toekomst: Hoe zien de huizen
eruit (van binnen en van buiten), wat is er te doen in de buurt, welke oplossingen zijn er voor bijvoorbeeld vuil op straat of burenruzie? Welke plekken zijn er voor kinderen, maar ook voor jongeren, oude mensen en huisdieren?

Vervoer
De Uitvindersclub bedenkt nieuwe voertuigen en denkt na over de volgende vragen. Wat weet je van vervoer, van uitvindingen die met vervoer te maken hebben? Welke vervoersmiddelen van vroeger gebruiken we niet meer? Waarom niet? Hoe zouden de voertuigen van de toekomst eruit zien? Waar denk je aan bij het ontwerpen: hoe ver je wilt reizen, hoe snel, samen of alleen reizen, files en wachttijden, aandacht voor het milieu?

De uitvinders maken een mindmap of woordweb rondom het gekozen onderwerp en maken schetsen van hun ideeën. Het beste idee werken ze uit in een 3d-model. Gebruik doeken, gekleurd papier of een speelkleed met plattegrond om een maquette in te richten. Vraag de uitvinders om hun uitvinding een passende naam te geven. Bekijk samen de uitvindingen en licht ze toe. Laat ieder een foto maken van zijn of haar model in de maquette.

2. Robot collage

Het prentenboek ‘Dag supergrote robot’ van Marlies Visser kan een goede introductie of inspiratiebron zijn voor het bedenken en maken van robotcollages.

Vervolgens denkt de Uitvindersclub samen na over vragen als:
Wat is een robot? Welke robotten bestaan er? Lijken robotten op mensen? Wat kunnen robotten wel en niet? Kunnen robotten slimmer worden dan mensen? Kan een robot goed of slecht zijn? Kan een robot je vriend zijn? Kan een robot de baas zijn?

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Vervolgens maken de uitvinders een robot in collagevorm. Ze gebruiken daarvoor papier, karton en scrap-materiaal. Belangrijk is dat ze eerst bedenken wat hun robot kan en doet: waar is hij voor gemaakt, waar is hij goed in? Ook helpt het om eerst een schets te maken.

3. Een vriendendienst

Een introductie en inspiratiebron voor deze activiteit kan het prentenboek ‘Ik ben Kaat! Uitvinder’ van Tim Gladdines zijn (via de bibliotheek verkrijgbaar). Kaat is een meisje dat uitvinder is. Ze bedenkt en maakt van alles. Dan besluit ze voor haar moeder als verrassing een volautomatische rommelopruimer uit te vinden. Het wordt een prachtige machine, maar als ze hem aan haar moeder geeft, ontploft hij en is de troep niet te overzien.

De Uitvindersclub denkt na over vragen als: Wat zou jij uitvinden voor je vader of moeder? Waar kun je jouw vader of moeder een plezier mee doen? Of
wat vind je vader of moeder moeilijk of lastig en kan jij met jouw uitvinding oplossen? Zijn er andere mensen, vrienden of familie, waarvoor je een goede uitvinding kunt bedenken?

De uitvinders maken een ontwerp en gebruiken het scrap- en constructiemateriaal om er een model van te maken. Ze schrijven een handleiding bij de uitvinding zodat de ontvanger goed weet waar hij voor bestemd is.

4. De waanzinnige machine

De waanzinnige machine is een tekenopdracht waarbij je nou eens niet zoveel hoeft na te denken, maar vooral je fantasie en verbeeldingskracht gebruikt. Het is een tekenoefening gebaseerd op de werkwijze Zinvol Tekenen van Marijke Sluijter.

De uitvinders starten met een leeg A3-papier en gaan daarop willekeurig hoekige lijnen maken. De hoekige lijnen blijven ca. 2 cm binnen de rand van het papier. Dat ziet er ongeveer zo uit:

Vervolgens tekenen de uitvinders een goed stel wielen of rupsbanden onderaan de tekening. Dat is handig om de machine te verplaatsen. Daarna komt het erop aan om in de machine zoveel mogelijk mogelijkheden te zien, gadgets te plaatsen, knoppen, tandwielen, kettingen, knoppen en meters te tekenen. Zodat het een ongelooflijk waanzinnige machine wordt:

5. Het uitvindingenmuseum

In het uitvindingenmuseum laten de uitvinders oude uitvindingen
zien, maar ook welke oplossing we tegenwoordig gebruiken en wat we ervan verwachten in de toekomst. Om te starten bekijkt de Uitvindersclub een aantal (foto’s van) voorwerpen waarvoor in de loop der tijd heel andere oplossingen zijn gevonden: bijvoorbeeld een lp, een koets met paarden, een portemonnee met geld, een telefooncel etc.

Vervolgens kan de Uitvindersclub nadenken over de volgende vragen:
Is een uitvinding altijd iets nieuws? Of bestaan er ook ‘oude’ uitvindingen?Waarom worden er telkens nieuwe uitvindingen bedacht en gemaakt? Zal elke uitvinding verouderen en uit de tijd raken, of bestaan er ook uitvindingen die bruikbaar en waardevol blijven?
Ken je zelf nog meer voorbeelden van oude en nieuwe uitvindingen? Kun je ook bedenken wat er (in de toekomst) aan deze uitvindingen 
verbeterd zou kunnen worden?

In de uitwerking kiest iedere uitvinder één voorwerp of onderwerp en vraagt zich af: Wat mist er nog aan dit voorwerp? Wat kan er beter, sneller of mooier? De uitvinders maken drie illustraties voor het uitvindingenmuseum van het voorwerp zoals het vroeger was, zoals het nu is en van de toekomstversie. Na afloop bekijken ze elkaars werk en lichten ze hun eigen werk toe.

 6. Een sportieve uitvinding

Uitvinders zijn geen nerds, welnee! Er zitten hele sportieve types tussen. Want sporten is leuk. Maar soms best moeilijk. Zelfs als je er goed in bent, moet je veel oefenen en je conditie trainen. Uitvindingen zouden ervoor kunnen zorgen dat het sporten gemakkelijker gaat. Zodat
je sneller kun winnen. Of is dat juist niet de bedoeling?

De Uitvindersclub denkt samen na:  over de sporten waar zij van houden, en welke ze niet leuk vinden. Ze vragen zich af of het goed en eerlijk is om uitvindingen te bedenken die het sporten leuker of gemakkelijker maken. Wanneer mag dat wel? En wanneer liever niet?

De uitvinders maken een mindmap met ideeën die het sporten leuker maken, of die sommige niet-leuke onderdelen van het sporten kunnen verbeteren (zoals omkleden, honger en dorst tijdens
het sporten, spierpijn, blessures). Sommige mensen willen graag een sport doen, maar kunnen niet meedoen omdat ze een handicap hebben.
Welke uitvindingen kunnen de uitvinders bedenken om hier iets aan te veranderen?

De uitvinders werken hun beste idee uit in een getekend ontwerp en maken een stripverhaaltje waarin je kunt zien hoe sporters de uitvinding gebruiken en wat daarvan de consequenties zijn.

NB. De illustraties bij deze post maakte ik naar aanleiding van de grappige robotcollages van kinderen van één van de Uitvindersclubs in Rotterdam.

 

 

De Uitvindersclub (1)

Zoals ik in mijn (op een na) vorige blogpost schreef had ik in Rotterdam enige tijd een Uitvindersclub – als één van de activiteiten die ik aanbood in mijn werkplaats Atelier van de Verbeelding.
Graag deel ik met jullie een paar ideeën voor het initiëren van je eigen Uitvindersclub, op school, in de brede school of bso, of thuis. Doel van de Uitvindersclub is om samen na te denken over, grote en kleine, concrete kwesties die voor de kinderen belangrijk en interessant zijn. Dat kan over van alles gaan: over spelen, over school, over thuis of de buurt, de stad of de wereld. Door creatief te denken en te fantaseren over deze onderwerpen ontstaan ideeën voor grote en kleine uitvindingen die het leven en de wereld mooier, beter en leuker maken.

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Wat heb je nodig?

De opzet is eenvoudig. De belangrijkste voorwaarde is een open, onbevooroordeelde houding van de leerkracht, vakkracht of begeleider en ruimte voor experiment. Creativiteit vergt moed – om grenzen te verleggen, om te ontdekken. Want soms maak je iets wat niet uit verf komt. Af en toe is het idee beter dan de uitvoering. Of juist andersom. Het oefenen van creativiteit behelst vooral ervaring opdoen in proberen en opnieuw beginnen. En goede startvragen om het denken en verbeelden op gang te brengen, die aansluiten bij de belevingswereld van de doelgroep. In dit geval zijn dat kinderen van 6 tot 8 à 9 jaar.

Benodigde materialen:

  • Tekenpapier, schrijfpapier, schetsboeken
  • Schetspotlood, kleurpotlood, stiften
  • Lijm(stift), plakband, tie-wraps, splitpennen, rivets (kunststof klinknagels voor golfkartonconstructies), touw, chenille
  • Dik en dun karton, gekleurd papier
  • Diverse rest- en afvalmaterialen (zelf verzamelen of via Stichting Scrap

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Wat zijn uitvindingen?

Bij de start van je Uitvindersclub is het goed en handig om na te denken over wat uitvindingen zijn. Dat kan door een onderzoekend gesprek te voeren aan de hand van de volgende vragen:

  • Wat is een uitvinder?
  • Wat is een uitvinding?
  • Wat heb je nodig om een uitvinding te doen?
  • Kan iedereen een uitvinder zijn?
  • Kan je voor van alles iets uitvinden?
  • Bestaan er goede en slechte uitvindingen?
  • Hebben we uitvinders nodig? Waarom (niet)?

Voorbeelden

Daarnaast is het leuk om voorbeelden te zoeken van belangrijke uitvinders en uitvindingen. Bijvoorbeeld:

Mijn absolute favoriet zijn de catalogi van Jacques Carelman. De flaptekst zegt genoeg: “De geniale unieke Jacques Carelman, uitvinder en ontdekker, Fransman par excellence, schepper van bijna mogelijke en welhaast onmogelijke verbazingwekkende voorwerpen en vernuftige vindingen, zal de wereld een ander aanzien geven. Voor degenen die meer willen weten over de siamese schaar, het vertaalcarbon, de radiatorstoel, de cactushandschoen of de TV-wasmachine, om maar enige niet-bestaande voorwerpen te noemen, die niettemin onmisbaar zijn, is dit boek een inspirerende raadgever.”

               

Soms zijn ze nog tweedehands verkrijgbaar:

Eenvoudige creatieve denkstrategieën

In mijn vorige post over creativiteit benoemde ik de basisvaardigheden die worden onderwezen bij de 21e vaardigheid ‘creatief denken’: creatief waarnemen, flexibel associëren, uitstellen van oordeel, divergeren en verbeelden. Ik licht ze kort toe (bron: I. Byttebier, 2002), met daarbij de belangrijkste vragen of opdrachten die je kunt stellen om kinderen deze vaardigheden te laten beoefenen.

1.  Creatief waarnemen

Bij creatief waarnemen gaat het om het besef dat je de dingen op verschillende manieren kunt zien (of horen, ruiken, proeven, voelen, ervaren). Niet de objectieve werkelijkheid bepaalt wat je ziet, maar jouw waarneming. Je brein vult aan en vult in. Daardoor zien we niet allemaal hetzelfde. Kinderen kunnen dat ervaren door samen naar een onbekend geluid te luisteren of naar een onbekend voorwerp te kijken. Wat horen ze? Wat zien ze? Als je je waarneming met elkaar deelt, kun je dan op verschillende manieren horen en zien? Zie je wat de ander ziet?

In het creatieve proces helpt de volgende vraag: Kun je het ook anders zien?
Dat geldt vooral ook voor de beschrijving van het probleem waarvoor je een oplossing zoekt. Kun je het probleem, de vraag, ook anders interpreteren? Wat is er nu eigenlijk aan de hand? Of zou er nog iets anders aan de hand kunnen zijn?

2. Flexibel associeren

Bij associëren gaat het erom alles wat bij je opkomt in relatie tot een woord, probleem of idee te noteren. Als je flexibel associeert maak je daarbij ook ruimte voor niet voor de hand liggende relaties. Je maakt ‘uitstapjes’ naar ideeën buiten het domein van je onderwerp (disociatie; patroondoorbreking) of je ziet een  verband met een heel ander onderwerp (resociatie; terugkoppeling).

Kinderen kun je leren associëren aan de hand van een woordweb of mindmap, om hun associaties direct voor ogen te hebben en te ordenen. De vragen die je daarbij stelt zijn: Wat is het belangrijkste onderwerp in deze vraag of in dit probleem? Waar denk je allemaal aan bij dit woord? Welke gedachten, geuren, smaken, kleuren, vormen, voorwerpen en gebeurtenissen komen er bij je op?  Door samen te werken aan een woordweb of mindmap komen er nog meer associaties boven.

3. Divergeren

Divergeren wil zeggen dat je voorbij de eerste ideeën denkt. Je neemt geen genoegen met met voor de hand liggende oplossingen, hoewel die misschien het meest logisch lijken. Divergeren doet aanspraak op het doorzettingsvermogen. Je wacht niet alleen op wat spontaan opkomt, maar gaat actief verder denken.

De vraag die je daarbij aan kinderen kunt stellen is: Bedenk zoveel mogelijk oplossingen voor dit probleem. Maar liever nog maak je concreet hoeveel oplossingen je (ten minste) wilt zien: Bedenk 10 (15, 20) oplossingen voor dit probleem. Wordt het steeds moeilijker om nog iets te bedenken? Vraag je af hoe een minister dit probleem zou oplossen. Of een superheld. Of een olifant. Hoe zou je met dit probleem omgaan als je kon toveren?
Vervolgens gaat het erom een selectie te maken uit deze oplossingen.

4. Verbeelden

Een goed idee, of een goede oplossing, moet je voor je kunnen zien. Bij het verbeelden gaat het erom dat je de oplossing, je uitvinding, voor je kunt zien. En niet alleen zien, maar ook voelen, ruiken, proeven of horen. Het gaat niet alleen om ver-beelden, maar ook om in-beelden. En om anderen te betrekken zou je je idee ook moeten uit-beelden. Dat kan in woord en beweging, in tekeningen, in verhalen. Voor volwassenen soms een hele toer, maar voor kinderen die nog rijk zijn aan fantasie en verbeeldingskracht is dit geen opgave.

De vraag die je kunt stellen bij deze stap is: Hoe ziet jouw oplossing of uitvinding eruit? Of: Vertel hoe een dag in de toekomst eruit ziet, als jouw uitvinding wordt gebruikt. Of: Doe eens voor – speel eens uit – hoe we jouw uitvinding kunnen gebruiken.

En ook: uitstellen van oordeel

Een belangrijke vaardigheid tot slot is het uitstellen van oordelen. Ik heb ‘m al genoemd bij de houding van de begeleider of leerkracht. Het is ook een vaardigheid die de groep waarmee je werkt in haar samenspel zou moeten oefenen. Creatief werken en denken lukt pas als je ervaart dat alle ideeën, associaties en mogelijke oplossingen mee mogen doen, zonder dat ze door jezelf of anderen op voorhand worden afgeschoten. Pas bij de selectie en uitvoering van je definitieve plan kun je kritischer gaan kijken: klopt het, werkt het, is het daadwerkelijk een oplossing?

Je moedigt kinderen aan om onbevooroordeeld te zijn door steeds te benadrukken dat erin het creatief denken geen goede of foute ideeën bestaan. Door samen te kunnen lachen, bewonderen, verbazen en gruwelen van de verschillen oplossingen die  zich aandienen. En door verbaal en non-verbaal de inzet en inbreng van de kinderen te waarderen, in plaats van de opbrengst.

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Uitvinden maar

Met de bovenstaande voorbereiding kun je je Uitvindersclub starten. Je weet welke rol je als leerkracht, vakkracht of begeleider kunt vervullen en welke vragen je stelt tijdens het werkproces van de kinderen. Je hebt de materialen verzameld die bij elke bijeenkomst nodig zijn om te kunnen brainstormen, schetsen, tekenen, uitwerken, knutselen en bouwen. Dan rest nog de vraag: Wat gaan we uitvinden? Daarover lees volgende week. Dan reik ik je een aantal concrete invalshoeken en lesideeën aan om mee aan de slag te gaan.

NB. De illustraties bij deze post maakte ik naar aanleiding van de grappige robotcollages van kinderen van één van de Uitvindersclubs in Rotterdam. 

 

 

Taalcafé in dialoog

Het is de Week van de Dialoog (3 tot en met 12 november) en daarom besteed ik op www.filosoferenopschool.nl aandacht aan wat er komt kijken bij het faciliteren van een dialoog als basis voor het filosofisch gesprek. Een gelukkig toeval was dat ik in deze Week van de Dialoog ook een workshop over de dialoog gaf voor de vrijwilligers van de Taalcafés in Rotterdam.

Taalcafé

Het Taalcafé is een goed bezocht initiatief ter bevordering van de Nederlandse spreekvaardigheid van nieuwkomers. Het vormt een aanvulling op de diverse taal- en inburgeringscursussen en heeft vooral tot doel dat de deelnemers elkaar ontmoeten en met elkaar in gesprek gaan. Op die manier bouwen ze plezier en vertrouwen op in het Nederlands spreken, ook als het (nog) niet vloeiend gaat. De vrijwilligers bereiden de bijeenkomsten voor en leiden de gesprekken.

Spanningsveld

Vanwege de inburgeringsplicht – en zeker ook de motivatie van de vrijwilligers om hun deelnemers wegwijs te maken in de Nederlandse samenleving en cultuur – is er sprake van een spanningsveld in de opzet van het Taalcafé. Een dialoog is namelijk in principe niet de plek voor kennisoverdracht en kennisoverdracht vindt doorgaans niet plaats in een dialoog . (Een belangrijke uitzondering hierop is het pedagogisch concept van ‘dialogisch onderwijs’ van R. Alexander, maar deze vergt dan ook een specifieke aanpak).

Als je daadwerkelijk een dialoog wilt faciliteren als gespreksleider, maak je ruimte voor je deelnemers om te spreken en van gedachten te wisselen en ervaringen te delen. Een bijeenkomst rondom een voor de deelnemers onbekend onderwerp of perspectief zou ertoe leiden dat vooral de gespreksleider zelf aan het woord is: om uit te leggen, toe te lichten en kennis over te dragen. Daar leren de deelnemers zeker van, maar niet op het gebied van spreekvaardigheid.
Aldus de vraag aan mij om in een workshop met de vrijwilligers de dialoog nader te onderzoeken en inspiratie te geven voor invulling van de bijeenkomsten.

Voorwaarden voor de dialoog

In de workshop hebben we – in dialoog – nagedacht over wat kenmerken zijn van een goed gesprek: een ontmoeting met diepgang, elkaar beter leren kennen, wijzer worden van elkaar, ervaringen en inzichten delen en je gehoord voelen werden daarbij genoemd. Het Taalcafé heeft daarmee in de opzet alle voorwaarden voor een goed gesprek te pakken. Voor de gespreksleider is het vervolgens van belang dat gesprek tot stand te brengen. Wat is daarvoor nodig?

  • Gemotiveerde deelnemers
  • Tijd en ruimte voor een goed gesprek
  • Een ronde tafel of kringopstelling
  • Vertragen van de communicatie
  • Oefening in luisteren, begrip tonen, vragen stellen
  • Loslaten van resultaten en opbrengsten

Tips voor de gespreksleider

Een heldere opzet in het gesprek is vaak heel behulpzaam voor zowel de gespreksleider als de deelnemers. Begin bijvoorbeeld met een anekdote of een nieuwsbericht als introductie. Er is dan ook nog gelegenheid om iets toe te lichten of uit te leggen.
Vervolgens vraagt de dialoog om open, uitnodigende vragen rondom een universeel, waardenvrij thema. Een thema dat aansluit op de introductie en waarover iedereen – ongeacht achtergrond en taalvaardigheid -kan meepraten. Bijvoorbeeld: vriendschap, werk, liefde, natuur, vakantie, school, hobby’s, talent, sport,  gezondheid, generaties, etc.

Wanneer de gespreksleider zich tot slot bewust is van zijn rol en houding staat niets een goed gesprek meer in de weg. De vijf belangrijkste tips voor de gespreksleider zijn daarbij:

  1. Geef en stimuleer respect en vertrouwen
  2. Wees nieuwsgierig naar je deelnemers
  3. Stel vragen, luister aandachtig naar de antwoorden en vraag door
  4. Voeg geen kennis of informatie toe en wees bescheiden in het geven van je mening
  5. Breng structuur aan in het gesprek, schep kaders

Chapeau

Ik heb een groep heel betrokken en gemotiveerde mensen ontmoet, die met veel zorgvuldigheid vorm willen geven aan hun vrijwilligerswerk en daarmee de kansen van nieuwkomers op deelname aan onze samenleving vergroten. Ook was het bijzonder om te horen hoeveel plezier en voldoening het de vrijwilligers zelf gaf om dit werk te doen. Met veel waardering voor hun inzet neem mijn spreekwoordelijke Franse hoed af voor alle Taalcafé-vrijwilligers. Chapeau!

 

 

 

Modelhond

In het weekend had ik een hondje te logeren, de Kooiker Ciep. Het was leuk om te ervaren wat een hond teweeg brengt in je gezin, bij de kinderen en bij jezelf: de vele wandelingen, de kippennekken in onze (vegetarische) keuken, het knuffelen en stoeien. Daarbij zagen mijn jongste zoon en ik onze kans schoon om te tekenen naar model. En Ciep was een mooi en geduldig model.

Dieren tekenen naar model

Als kind volgde ik klassieke tekenlessen bij De Werkschuit in Gouda. Buiten tekenden we schapen en ooit hadden we een haan op tafel in het tekenlokaal. Spannend! In mijn academietijd in Rotterdam ging ik naar Blijdorp om dieren te tekenen. Ook met mijn kinderen ben ik eindeloos in Blijdorp geweest en namen we vaak onze dummy’s mee.

Het tekenen van dieren vraagt een specifieke concentratie en aandacht. Anders dan voorwerpen en de meeste menselijke modellen, zijn ze volstrekt onvoorspelbaar. Ze gaan hun eigen gang en kunnen elk moment van houding en plaats veranderen – of zelfs helemaal uit het zicht verdwijnen. Het is dus altijd maar de vraag of je de kans krijgt om je tekening te voltooien. Voor kinderen (en volwassenen) met een grote behoefte aan controle of faalangst is dit dus een prachtige speelse oefening om daarmee te leren omgaan.
Bij het tekenen van dieren komt het erop aan veel en vlot te schetsen om gaandeweg de anatomie van het dier steeds beter te begrijpen. Ook het ‘optisch verkort ‘komt daarbij bod: hoe kan het dat die lange rug veel korter lijkt als het hondje met zijn kop naar ons toe ligt?

Kijk naar het dier, niet naar het papier

Goed leren en durven kijken, veel meer naar het model dan naar je tekening, is dus belangrijk. Michelle Dujardin legt uit hoe dat werkt in haar Zen Tekenboek: door bewust waar te nemen en het resultaat los te laten wordt het tekenen een meditatieve oefening. De oog-handcoördinatie wordt sterk geoefend bij deze manier van tekenen en daardoor gaat het op den duur vanzelf steeds beter. En dat versterkt het plezier dat het tekenen op zichzelf al is.

Dieren tekenen in de klas

Het tekenen van dieren kan je, ook op school, vrij eenvoudig organiseren en levert dus veel op: verbetering van de fijne motoriek, van de oog-handcoördinatie, flexibiliteit, proces- in plaats van resultaatgerichtheid en meditatieve ontspanning.

Hoe pak je het aan? Koppel het tekenen aan een spreekbeurt en vraag een leerling om zijn huisdier mee te nemen in de klas. Of ga naar de kinderboerderij, de schapenwei, de eendenvijver of de hondenuitlaatplaats in de buurt. Maak van plankjes of stevig karton met wasknijpers een ondergrond voor het papier. Gebruik alleen een goed schetspotlood, gum is niet nodig. En geef voldoende papier om veel schetsen te kunnen maken of wanneer nodig opnieuw te beginnen. Accepteer ook als leerkracht of docent dat het gaat om het proces, het plezier in het tekenen en beoordeel de tekeningen liever niet.

Filosoferen tot slot

Nadat iedereen zo aandachtig naar de dieren heeft gekeken is het natuurlijk ook leuk en interessant om na afloop te filosoferen over dieren. Bijvoorbeeld aan de hand van de volgende vragen:

  • Kunnen dieren denken? Waarom denk je dat?
  • Waar denken dieren aan? Denken dieren aan andere dingen dan mensen?
  • Denken dieren op dezelfde manier als mensen? Waarom (niet)?
  • Kunnen dieren begrijpen?
  • Is begrijpen hetzelfde als denken? Waarom (niet)?

 

 

Snotmonsters en spoken

Over een week begint de Kinderboekenweek 2017. Wie wil filosoferen in de Kinderboekenweek vindt ruimschoots gespreksmateriaal op www.filosoferenopschool.nl. Wil je nog gebruik maken van de tijdelijke, gratis login voor het materiaal van de Kinderboekenweek? Stuur dan even een mailtje.

Behalve tot lezen en filosoferen geeft het thema van deze Kinderboekenweek 2017 – Gruwelijk eng! – ook inspiratie tot griezelig tekenen, schrijven en verhalen vertellen. In deze post vijf ideeën.

1. Snotmonsters

Voor een paar goeie snotmonsters maak je eerst een paar groene kledders op papier, liefst met ecoline, maar waterverf kan ook.

Vervolgens gebruik je een zwarte fineliner om er griezelige snotmonsters van te maken.

2. Bloederige griezels

Dit is min of meer hetzelfde recept als dat van de snotmonsters. Maak met rode ecoline een paar flinke bloedspetters. (Echt bloed kan natuurlijk ook.)

Om er griezels van te maken heb ik nu in plaats van fineliner kleurpotlood gebruikt.

3. Zoek de spoken

Voor deze tekenopdracht heb je papier nodig (bij voorkeur zwart, maar elke andere kleur volstaat ook prima) en kleurpotlood of krijt. Start met het maken van vloeiende ronde vormen in één doorgaande lijn. Je kunt er een zacht, spookachtig geluid bij maken. Zoek vervolgens in de vormen naar spoken en teken ze erin. Wie weet vind je ook nog een paar vleermuizen.

4. Botjesalfabet

Spelen met letters en vormgeving. Wanneer je botjes tekent, werkt dat goed op zwart papier met een wit krijt of kleurpotlood. Letters van spinnenwebben kan ook, of van bloedsporen van ecoline.

Een paar letters voor wie net begint met schrijven (je eigen naam bijvoorbeeld) of een heel alfabet voor de gevorderde.

5. Enge verhalen vertelspel

Het verhalenvertelspel heb ik eerder beschreven, maar leent zich goed voor de Kinderboekenweek. Maak daarvoor een woordweb rondom griezelverhalen. Wees niet bang om hier en daar wat te begrenzen qua griezeligheid en zorg ervoor dat ook woorden als ‘moed’, ‘dapper’, ‘nieuwsgierig’, ‘veilig’, ‘droom’ en ‘fantasie’ aan bod komen. Zo is er altijd een uitgang uit het verhaal als het te gortig wordt. Schrijf de woorden op kaartjes (zie de beschrijving in de eerder blogpost) en maak er illustraties bij.

Je kunt het spel spelen in de kring en samen een verhaal bedenken, maar bijvoorbeeld ook drie kaartjes en een schrijfopdracht geven.