Kinderboekenweek 2018

Filosoferen tijdens de Kinderboekenweek

Kom erbij! luidt het thema van de Kinderboekenweek 2018. Dat geldt zeker voor de filosofische dialoog. Want filosoferen doe je het beste samen. Vanuit FILOSOFEREN OP SCHOOL geef ik jaarlijks een inspiratieworkshop voor scholen en bibliotheken rondom het thema van de Kinderboekenweek. Dit jaar is dat Vriendschap en daar vallen gelukkig weer heel diverse invalshoeken bij de bedenken, zoals trouw, loyaliteit, ontmoeten, zelfkennis, delen, liefde, ruzie, afscheid, talent en groei.

Ik heb vanmorgen zo’n 30 boeken uitgepakt om te lezen ter voorbereiding op de Kinderboekenweek: kerntitels van CPNB, recente en klassieke aanvullingen daarop, prentenboeken en gedichten. Bij deze boeken maak ik gespreksmateriaal dat beschikbaar zal zijn in de database op de website.

Eerst even tekenen…

Een deel van stapel boeken heb ik eerst gebruikt om na te tekenen. Afgelopen vrijdag volgde ik namelijk de fijne en leerzame illustratieworkshop ‘Show en tell’ van Sabine Wisman. Dan kun je op maandagmorgen wel direct met je neus in de boeken duiken, maar liever eerst even het geleerde in praktijk gebracht.

 

Lesbrief Erasmus Experience

Ik was druk in deze eerste maanden van het nieuwe jaar. Met fijne opdrachten waarvan ik graag de resultaten laat zien. Ten derde: een lesbrief voor de Erasmus Experience.

Voor de Erasmus Experience in de Centrale Bibliotheek Rotterdam maakte ik eerder al het educatieprogramma Filosoferen met Erasmus.
Ook was ik betrokken bij de opening in september 2016 door
Koning Willem-Alexander, in een project met OBS Het Landje.
Hoe dat was lees je in mijn eerste blogs.

De Erasmus Experience nodigt de bezoeker uit om naar de wereld te kijken zoals Erasmus dat deed en (inter)actief kennis te maken met zijn gedachtegoed – door met Erasmus in dialoog te gaan, zelf na te denken en een mening te vormen over de onderwerpen die hem bezig hielden.

Een bezoek aan de Erasmus Experience is meer dan een tentoonstellingsbezoek. Het vraagt van de leerlingen denk- en dialoogvaardigheden. Prettig dus als de bezoekende leerkrachten en leerlingen daarop een goede voorbereiding hebben in de klas. Zodat ze nog beter kunnen ervaren wat de kritische dialoog en meningsvorming inhoudt. Daarom is er nu een lesbrief ontwikkeld die de groepen een korte en krachtige start geeft.

Behalve particuliere bezoekers en gezelschappen hebben inmiddels ruim 100 schoolklassen de experience bezocht. Die mijlpaal werd uiteraard gevierd.

Ook een bezoek brengen aan de Erasmus Experience? Kijk op Erasmushoudtjescherp voor bezoekersinformatie. Scholen vinden hier informatie over het educatieaanbod.

 

 

 

 

 

 

 

Waar blijft de tijd?

Voorbije tijd verdwijnt in zwarte gaten.
Zo gaat het en zo zal het altijd gaan.
Vandaag verdwijnt. Je doet er weinig aan.
Die gaten zijn oneindig hol
en nog bij lange na niet vol.
Je moet voorbije tijd toch ergens laten?

Bette Westera

Februari is verdwenen in een van de zwarte gaten en zo is het ineens maart. Wat is dat met de winter? Korte dagen, lange uren, veel te doen. Gelukkig was er in alle drukte wel tijd om het grappige, filosofische boek ‘Was de aarde vroeger plat?’ van Bette Westera te lezen en te genieten van de illustraties van Sylvia Weve.

Het boek stelt 36 onderzoekende vragen, weergegeven in een inhoudsopgave. Opvallend is dat veel van de vragen over tijd en ruimte gaan, over het mysterie daarvan: ‘Hoe weet je dat de tijd bestaat?’, ‘Houdt de ruimte ergens op?’, ‘Hoe lang duurt de toekomst?’ en ‘Kan de tijd verdwijnen?’
In andere filosofische vragenbundels voor kinderen, zoals die van Oscar Brenifier, is de leefwereld van het kind meer het vertrekpunt. In dit boek is er slechts één vraag waar ‘ik’ in voorkomt: ‘Waarom ben ik mijn broertje niet?’. De overige vragen zijn opvallend abstract: ‘Wanneer begint iets?’of ‘Waar blijft de tijd’?

Westera geeft antwoord op de vragen in gedichten, en Weve verrijkt die antwoorden met haar beelden. Want volgens de makers is dat de soms beste manier:

Er zijn vragen
die om een antwoord vragen
Er zijn ook vragen
die vragen
om een versje
een gedicht
een schilderij
Vragen die vragen
om iets
wat dartel om ze heen kan draaien
zoals de aarde
eeuwig om zijn as

Daarmee is dit boek een mooi voorbeeld van de verschillende manieren waarop je filosofische vragen kunt beantwoorden. In gesproken taal, in dialoog, maar zeker ook in literatuur, poëzie, theater en beeld.
Toevallig las ik gisteren in dagblad Trouw een recensie van het boek ‘Er zit iets achter. Over filosofie en kunst’ door Arthur d’Ansembourg.  D’Ansembourg gaat ervan uit dat beeldende kunst een ‘impliciete filosofie’ bevat en op intuïtieve wijze en met visuele middelen antwoord geeft op dezelfde soort vragen als filosofen stellen. Hetzelfde uitgangspunt gaat schuil achter mijn werkwijze van het Atelier van de Verbeelding, waar kinderen vanuit het filosofisch gesprek hun ideeën in taal en beeld vormgeven. Niet letterlijk, maar in hun expressie gevoed door de filosofisch vragen die we onderzoeken.

Het mooie boek van Westera en Weve is inspirerend materiaal om alsnog zèlf op zoek te gaan naar antwoorden op de gestelde vragen, bijvoorbeeld in een filosofische dialoog in de klas. Maar ook om kinderen die geoefend zijn in het filosoferen in dialoog juist uit te dagen om hun antwoorden vorm te geven in creatieve taal en beeld. Niet slechts als verwerking van het gesprek, maar als kunstopdracht.
Kortom, voor leerkrachten, kunsteducatiedocenten en ouders van onderzoekende kinderen een echte aanrader!

 

 

Kunnen kleuters filosoferen?

In mijn vorige post gaf ik tips voor het filosoferen tijdens de Nationale Voorleesdagen, bedoeld voor de groepen 1 tot en met 4. En ik stelde daarbij direct de vraag of dat kan, een filosofisch gesprek met jonge kinderen. Is het niet te lastig voor kleuters om zo’n gesprek te voeren? Kun je dan al echt spreken van filosoferen? Kunnen jonge kinderen dat überhaupt, filosoferen? Vandaag ga ik daar graag op in, want het zijn vragen die ook mij en scholen waarop ik werk bezighouden.

Filosoferen met jonge kinderen, kan dat wel?

Er is bij scholen de laatste jaren steeds meer belangstelling voor het filosoferen met kleuters. Dat is opvallend te noemen, omdat de vaardigheden die horen bij het filosoferen bij jonge kinderen over het algemeen nog beperkt zijn. De aard, mogelijkheden en opbrengst van een filosofisch gesprek zijn afhankelijk van de leeftijds- cq. ontwikkelingsfasen waarin de leerlingen zich bevinden. Immers, aspecten als taalvaardigheid, de ontwikkeling van het abstract denken en van moraliteit en rechtvaardigheidsgevoel zijn van belangrijke invloed op het gesprek.

De taalontwikkeling en sociale vaardigheden van kleuters zijn nog volop in ontwikkeling en het abstract denken, onmisbaar in het daadwerkelijk filosoferen, is vaak pas aanwezig rond het achtste jaar. Doorgaans verandert het denken van kinderen sterk na de kleutertijd – er vindt een ontwikkeling plaats van associatief denken naar het herkennen van denkbeelden en er is een begin van moreel bewustzijn. Rond het achtste levensjaar zijn de meeste kinderen in staat om in abstracties te denken en dieper betekenis te geven aan begrippen. Daarmee verwerven zij de belangrijkste voorwaarden om te kunnen filosoferen. Uiteraard is het mogelijk dat meer begaafde kleuters deze denk- en taalvaardigheden sneller ontwikkelen.

Het niveau van het filosofisch gesprek

Niet alleen bij kleuters of kinderen in het algemeen, maar voor elke (filosofische) dialoog met elke willekeurige groep geldt dat het niveau van het gesprek samenhangt met het gezamenlijk niveau van de groep op dat moment. Die niveauverschillen betreffen de volgende domeinen: het algemeen kennisniveau, levenservaring, denkvaardigheden, taalvaardigheden en gespreksvaardigheden. Elk filosofisch gesprek is daardoor anders van kwaliteit, zelfs wanneer je steeds met dezelfde groep zou filosoferen. Door de snelle ontwikkeling die kinderen doormaken, loopt het gespreksniveau sterk uiteen op verschillende leeftijden. Voor meer inzicht licht ik de verschillende domeinen nader toe.

Kennisniveau en levenservaring
Wanneer de leerlingen gezamenlijk een onderwerp onderzoeken, brengen zij kennis en voorbeelden (levenservaring) in. Hoe meer kennis en ervaring er over een bepaald onderwerp of thema is opgedaan, hoe meer invalshoeken er mogelijk zijn voor onderzoek.

Denkvaardigheden
De mate waarin de deelnemers in staat zijn om in het gesprek de overgang te maken van particuliere voorbeelden naar algemene wetmatigheden, of van concrete uitspraken naar abstracte ideeën, bepalen de verdieping in het gesprek. De filosofische kwaliteit van het gesprek hangt hiermee samen.
Het abstract denkvermogen van kinderen ontwikkelt zich gemiddeld vanaf het achtste jaar. De mate waarin filosofisch denkvaardigheden zich ontwikkelen heeft meer te maken met belangstelling voor filosoferen en zeker ‘filosofisch talent’ dan met de intelligentie van het kind (Rondhuis, 2005). Vanzelfsprekend nemen de denkvaardigheden toe wanneer de leerlingen vaker filosoferen.

Taalvaardigheden
Taal is het middel waarmee we filosoferen. Kinderen met een beperkte (Nederlandse) taalvaardigheid of woordenschat zullen meer moeite hebben hun gedachten onder woorden te brengen, de vragen goed te begrijpen of om de inbreng van anderen te volgen. Verschillen in taalvaardigheid bepalen het gespreksniveau in bijvoorbeeld groepen met een grote culturele diversiteit of met duidelijke (mentale) leeftijdsverschillen, zoals bij kleutergroepen 1/2. De dialoog is een speelse en natuurlijke werkvorm om de taalvaardigheid te bevorderen.

Gespreksvaardigheden
Hoe beter een groep qua gespreksvaardigheden op elkaar is ingespeeld, des te meer mogelijkheden er zijn tot gezamenlijk onderzoek. De gespreksvaardigheden van de kinderen bepalen of het gesprek soepel verloopt en of iedereen gelijke kansen krijgt in het gesprek. Van jonge kinderen verwachten we vaak te snel dat zij begrijpen wat het gesprekskader is en wat de sociale codes van gespreksvoering zijn. Bij kinderen tot 8 jaar is dat echter niet realistisch (M. Delfos, 2014). Als gespreksleider zal je steeds de kaders en codes moeten toelichten en oefenen, en de inspanning die jonge kinderen leveren om een gesprek te voeren op waarde moeten schatten. Het voeren van de dialoog is een goede manier om gespreksvaardigheden te oefenen.
Ook wanneer kinderen ouder worden en meer zicht hebben op de sociale codes en kaders van een gesprek zullen zij de benodigde vaardigheden voor gesprekken opdoen door te oefenen. De sociale kwaliteiten van de kinderen zijn medebepalend voor de mate waarin zij zich in een gesprek kunnen inleven en aanpassen aan anderen.

Voorbereidend filosoferen

Toch is het zeker leuk en zinvol om met jonge kinderen filosofische gesprekken te voeren! Ten eerste omdat juist jonge kinderen zich kunnen verbazen en verwonderen over de wereld om hen heen. Ze stellen zich steeds de vraag waarom de dingen zijn zoals ze zijn. En ze hebben heel eigen, authentieke verklaringen voor wat ze zien, horen en ervaren. Bovendien oefenen de leerlingen diverse vaardigheden in de filosofische dialoog: zelfstandig nadenken over vragen, begrijpend luisteren, sociale interactie, respect en waardering opbrengen voor andere meningen. Ze leren hun gedachten, gevoelens en ideeën onder woorden te brengen. Door deze vaardigheden te oefenen en het plezier in de dialoog op te bouwen, leg je een basis voor het verdiepend filosoferen in de volgende schooljaren. Je zou in die zin kunnen spreken van voorbereidend filosoferen.

Aansluiten

Hoe sluit je, vanuit dit uitgangspunt, met je materialen, doelen en verwachtingen van het filosoferen goed aan bij de ontwikkelingsfase van het jonge kind?

Zoals genoemd is het abstract denken, onmisbaar in het daadwerkelijk filosoferen,bij kleuters bovendien nog niet ontwikkeld. In die zin kan er dus nog geen sprake zijn van filosoferen. Het is daarom belangrijk dat je realistisch bent in je verwachtingen ten aanzien van het gesprek en de denkvaardigheden van kleuters. Neem in die zin genoegen met het uitwisselen van ervaringen rondom het onderwerp en verwacht nog weinig verbinding tussen of verdieping in de inbreng van de kinderen.

De taalontwikkeling van kleuters is in volle gang en kan tussen kinderen in deze fase sterk uiteenlopen. Kleuters kunnen de meeste woorden uitspreken en grammaticaal juiste zinnen maken, maar dat wil niet zeggen dat ze de betekenis kennen van alle woorden die ze gebruiken. Ook kunnen ze veel van wat ze denken en voelen juist nog niet duidelijk onder woorden brengen. Voor het filosoferen betekent dat, dat er niet teveel waarde gehecht moet worden aan wat de kinderen letterlijk zeggen, maar meer aan wat zij aan ideeën of ervaringen willen inbrengen. De dialoog is een oefenplaats om deze vaardigheden te verwerven.

Kinderen ontwikkelen zich in de kleutertijd sterk in fysiek en sociaal opzicht en in taalvaardigheid. Het is de bloeitijd van de fantasie en creativiteit. Kleuters laten hun binnenwereld zien door een grote productie van tekeningen, bouwwerken, woordvindingen en fantasiespel. Ze beschouwen de wereld als een magische plek, waarin alles van leven bezield is. Behalve creatief en vindingrijk zijn kleuters ook conservatief. Ze hebben een sterke behoefte aan gewoontes, vaste rituelen en structuur. Het filosoferen kun je daarom goed inzetten als een ritueel, met vaste gewoonten en duidelijke regels. Vervolgens is het van belang om in het denken en in de dialoog voldoende ruimte te laten voor spel, fantasie en beweging. Verhalen, versjes en (interactieve) prentenboeken vormen om die reden een goed uitgangspunt voor het gesprek.

Meer leren?

Meer leren over het filosofisch gesprek en het filosoferen in de klas?
Doe de online cursus FILOSOFEREN OP SCHOOL of boek een training of studiedag. Materialen voor het filosoferen, ook met jonge kinderen, vind je in de online database van FILOSOFEREN OP SCHOOL. Daarin is onder meer een ruime en actuele verzameling prentenboeken en gedichten met gespreksmateriaal te vinden voor deze doelgroep.

 

Filosoferen tijdens de Nationale Voorleesdagen

Prentenboeken en voorleesverhalen vormen een prachtig uitgangspunt voor onderzoekende gesprekken met jonge kinderen. Daarmee oefenen zij de vaardigheden die horen bij het filosoferen: zelfstandig nadenken over vragen, begrijpend luisteren, sociale interactie, respect en waardering opbrengen voor andere meningen.

Is het lastig voor kleuters om zo’n gesprek te voeren? Kun je dan al echt spreken van filosoferen? Kunnen jonge kinderen dat überhaupt, filosoferen? Daarover schrijf ik  in mijn volgende blogpost.

Vandaag, vanwege de start van de Nationale Voorleesdagen, een paar vragen om over na te denken na het lezen van het Prentenboek van het jaar: ‘Ssst! De tijger slaapt’ van Britta Teckentrup.

 

 

De tijger is in diepe slaap, maar ze ligt wel heel erg in de weg. Hoe kunnen de andere dieren erlangs, zonder dat ze de tijger wakker maken? Dat wordt spannend!

Het verhaal

Hoe kunnen de ooievaar, de vos, de kikker, de schildpad en de muis langs de slapende tijger komen? Ze hebben haast en ook heel veel ballonnen bij zich. Daarmee bedenken ze creatieve manieren om de tijger te omzeilen. Gelukkig kan de lezer van het verhaal de dieren helpen om de tijger in slaap te houden: door over zijn neus te aaien of een slaapliedje te zingen. Uiteindelijk wordt de tijger toch wakker. We verwachten dat de dieren bang zijn en daarom zo voorzichtig deden. Maar dan blijkt dat ze een verrassingsfeestje hebben georganiseerd.

Filosoferen over voorzichtig zijn

Alle jonge kinderen hebben wel ervaring met situaties waarin je voorzichtig wilt of moet zijn. Soms omdat je ouders  of leerkracht dat belangrijk vinden. Soms omdat je zelf iets gevaarlijk of spannend vindt. Wanneer voorzichtigheid geboden is, daarover kun je van mening verschillen. En voor de één lijkt het ook veel lastiger om voorzichtig te zijn dan voor de ander. Hoe komt dat? Daarover kun je filosoferen aan de hand van de volgende vragen:

  • Wat betekent voorzichtig zijn? Hoe doe je dat, voorzichtig zijn? Hoe ziet dat eruit?
  • Waarbij moet je voorzichtig zijn? Of: Wanneer moet je voorzichtig zijn?
  • Wie vertelt je dat je voorzichtig moet zijn? Of bepaal je dat zelf?
  • Is het moeilijk of makkelijk om voorzichtig te zijn? Waarom?
  • Ben je wel eens onvoorzichtig? Wat gebeurt er dan?
  • Is het soms ook goed om onvoorzichtig te zijn? Waarom denk je dat?
  • Heb je moed nodig om onvoorzichtig te zijn? Op welke manier? Of: waarom niet?
Verantwoording en link

Titel: Ssst! De tijger slaapt
Auteur: Britta Teckentrup
Uitgeverij: Gottmer, Haarlem 2016

 

 

Zelfstandig denken en persoonlijk leiderschap

Vorige week, op 3 oktober, was ik bij de informatiemiddag van CPS, adviesorganisatie voor onderwijsontwikkeling, over het programma The Leader in Me. CPS houdt zich professioneel bezig met het implementeren van het gedachtegoed van Stephen Covey in het onderwijs, aan de hand van dit programma. De informatiemiddag was bedoeld voor scholen ter kennismaking en ik was blij dat ik als zzp’er in het onderwijs mocht aanhaken. In deze blogpost een impressie van mijn ideeën en notities van deze middag. (Wie onbekend is met het gedachtegoed van Covey bekijkt beter eerst de onderstaande sketchnotes).

Zeven eigenschappen

Mijn belangstelling voor Covey en zijn ‘Zeven eigenschappen van effectief leiderschap’ werd een aantal jaar geleden gewekt door een leerkracht die me vroeg of het mogelijk was om in de klas te filosoferen bij deze zeven eigenschappen.

Aan de hand van het kinderboek ‘De zeven eigenschappen van Happy Kids’ heb ik toen de verschillende thema’s – verantwoordelijkheid, doelgerichtheid, prioriteiten stellen, belangen afwegen, luisteren, samenwerken en zelfzorg – uitgewerkt in onderzoekende vragen voor een filosofische dialoog.

Verbinding met het filosoferen op school

Hoewel de werkwijze me aanvankelijk nogal methodisch overkwam, herkende en waardeerde ik er ook de duidelijke handvatten voor persoonlijk leiderschap in. Ik ben meer gaan lezen van en over Covey en over de toepassing daarvan in onderwijs en opvoeding. Ik vond daarbij verbindingen met het filosoferen op school, onder andere in de ontwikkeling van mijn model voor een onderzoekend oudergesprek, waarin de wil en inspanning om elkaar echt te begrijpen en samen te werken in belang van het kind centraal staan.

Ook in het onderzoeken van waarden, in dialoog met elkaar, zie ik een verbinding. Het filosofisch gesprek daarover lijkt me onontbeerlijk wanneer je aan de slag wilt met het gedachtegoed van Covey. Immers, wanneer het gaat om keuzes maken, doelen en prioriteiten stellen is het van essentieel belang om te weten welke gezamenlijke waarden je aanhangt en wat ieder daaronder verstaat. Ik werkte daarvoor 25 waarden uit in gespreksmateriaal, te gebruiken in teamgesprekken, intervisie en visieontwikkeling.

Andersom kan ik me voorstellen dat de theorie van Covey handvatten geeft om vanuit het zelfstandig denken (filosoferen) te komen tot zelfstandig doen. Filosoferen kan, maar hoeft immers geen doel in zichzelf te zijn. Sommige goede ideeën verdienen het om concreet tot leven te komen. En kinderen verdienen het om zowel vertrouwen in hun zelfstandig denken als in hun zelfstandig handelen te ontwikkelen.

Verbinding met ouderschap

Als ouder geeft de theorie van Covey me inspiratie hoe ik mijn (ass-)kinderen zou kunnen leren om het persoonlijke en individuele te verbinden met het gezamenlijke. Het stellen van doelen binnen je eigen grenzen en mogelijkheden en daartoe verantwoordelijkheid nemen. Herkennen hoe sociale interactie zowel waardevol kan zijn voor jezelf als voor anderen. Leren hoe je – op je eigen manier en met jouw specifieke behoeften – in balans komt en kunt blijven. Niet eenvoudig, zeker niet voor kinderen met een autistische beperking. Maar een uitdaging die je niet kunt laten liggen.

In de informatiebijeenkomst van CPS werd benadrukt dat niet alle kinderen tot dezelfde opbrengsten komen, maar wel allemaal hun talenten hebben en op hun niveau persoonlijk leiderschap kunnen ontwikkelen. Daarom wordt het programma ook op verschillende scholen voor speciaal onderwijs al toegepast. Mooi!

Sketchnotes

Mijn aantekeningen van de informatiebijeenkomst heb ik uitgewerkt in de onderstaande sketchnotes.

Meer lezen

Een paar links voor wie meer wil weten en lezen van en over Covey:

 

Erasmus-Zine DIY

De derde Erasmus-zine die ik zou maken in de Centrale Bibliotheek Rotterdam bleef ergens steken. Maar het materiaal was klaar en daarom hier en nu beschikbaar als zelfmaker. Een activiteit om, met de zomervakantie glorend aan de horizon, na te denken over op reis gaan en je thuis voelen.

Wat is een zine?

Een zine is een klein, eenvoudig boekje – een mini-magazine – zelfgemaakt voor en door een groep mensen met een gezamenlijke interesse. Zines zijn gemakkelijk te vermenigvuldigen en te verspreiden, dus heel geschikt om je gedachten en ideeën mee te verspreiden.

Hoe maak je een zine?

De leukste en gemakkelijkste vorm voor een zine is volgens mij deze:

Wanneer ik met een groep of in een workshop zo’n zine maak, geef ik van tevoren vorm aan de voor- en achterkant. De deelnemers geven vervolgens invulling aan de inhoud van de zine.

De inhoud: ‘Daar voel ik me thuis’

Erasmus was vaak op reis. Soms was dat pure noodzaak: op de vlucht voor oorlog, de pest of persoonlijke bedreigingen. Maar vaker was hij onderweg om vrienden te bezoeken, kennis op te doen en te delen of zijn boeken te laten drukken. Erasmus had geen gezin en geen vast adres, in die zin had hij geen thuis. Hij zei daarover: ‘Waar ik mijn boeken heb, daar ben ik thuis’.

Wat je nodig hebt om je thuis te voelen, verschilt per persoon. Met de zomer in zicht is het leuk om daarover na te denken aan de hand van de volgende vragen:

  • Waarom gaan mensen op reis? Wat gebeurt er als je op reis gaat?
  • Wat kun je niet missen als je op reis gaat en neem je altijd met je mee?
  • Wat heb je nodig om je thuis te voelen?
  • Voel je je pas goed als je ook echt thuis bent, of kun je je overal thuis voelen?

Ook het oog op alle vluchtelingen in de wereld, in Nederland, is het een interessant thema om over na te denken – een oefening in empathie. Want stel dat je genoodzaakt zou zijn om je thuis te ontvluchten, wat is er dan nodig om je weer ergens thuis te kunnen voelen? Is veiligheid genoeg, of is dat pas het begin? Is het mogelijk om een nieuw thuis op te bouwen als je alles (en misschien ook iedereen) achter je hebt gelaten?

Erasmus-Zine 3 zelf maken

Om zelf de zine te maken (bijvoorbeeld in de klas) heb je het volgende nodig:

  • A3-papier
  • evt. prints van de koffer (op A6 formaat – zie onder)
  • kleurpotloden
  • tekenpotloden
  • wrijfletters, letterstempels, fine-liners
  • Pritt-stift
  • scharen (of thuis al uitknippen)
  • kopieerapparaat

Opdracht:
Erasmus had zijn boeken nodig om zich thuis te voelen. Wat neem jij altijd met je mee? Wat of wie kun je niet missen?
Vraag de deelnemers hun gedachten hierover weer te geven in een kort gedicht, een elf of een mooie zin. Laat ze de tekst passend vormgeven of illustreren in de afbeelding van de koffer:

Vouw het A3-papier in 8 vakken. Plak 6 koffers (of A6 pagina’s) per zine op de binnenpagina’s  en maak er een passende titelpagina en achterkant bij. Kopieer de zines op A3-formaat. Knip en vouw tot er een boekje ontstaat.

 

Online cursus Filosoferen op school

Nieuw in mijn aanbod: de online cursus FILOSOFEREN OP SCHOOL. Bestemd voor leerkrachten, vakkrachten en schoolleiders die zelfstandig aan de slag willen met het filosoferen. De cursus gaat in op alle aspecten van het filosoferen op scholen: in gesprekken met leerlingen, met het team en in het contact met ouders. Je leert hoe je je als gespreksleider kunt ontwikkelen, op jouw manier. En in jouw tempo.

In vier modules komen de verschillende soorten gesprekken en doelgroepen aan bod. De cursus is inhoudelijk, maar vooral ook praktijkgericht: met aandacht voor de voorbereiding en uitvoering van gesprekken, met oefenmateriaal, (pedagogische) ‘tips & tricks’ en een ruime verzameling Q&A’s met herkenbare kwesties uit de praktijk.

Je leest er meer over op www.filosoferenopschool.nl.

15 tips voor burgerschap en democratie

Kies ook na de verkiezingen op 15 maart voor democratie en burgerschap:

  1. Kijk samen naar het (jeugd)journaal. Lees de kranten. Praat erover en help elkaar om zin en onzin te onderscheiden.
  2. Maak je je zorgen over het nieuws? Praat erover. Help elkaar de berichten op waarde te schatten. Bedenk hoe je zelf kan bijdragen aan oplossingen voor maatschappelijke problemen.
  3. Stel vragen! Nieuwsgierige vragen, concrete vragen, betrokken vragen, persoonlijke vragen, filosofische vragen*. Verwacht niet op elke vraag een antwoord.
  4. Zoek informatie op. Ga na of het klopt wat je leest of hoort. Onderzoek of je zelf de antwoorden kunt vinden op je vragen. Wees kritisch.
  5. Praat met mensen die je niet kent. Je kunt anderen pas begrijpen als je weet wat hen beweegt.
  6. Sta open voor verschillen: voor andere opvattingen en culturen, maar ook voor verschillen in ontwikkelingskansen, in talenten, in weerbaarheid. We zijn allemaal anders.
  7. Veroordeel niet, maar leef je in. Probeer eens in de schoenen van een ander te staan.
  8. Oefen in vreedzaamheid. Bedenk hoe je op school en thuis om wilt gaan met ruzies en meningsverschillen. Respecteer jouw grenzen en die van anderen.
  9. Maak huisregels en groepsafspraken waarbij iedereen tot zijn recht komt.
  10. Stem als er verkiezingen zijn. Neem je kinderen mee naar de stembus. Ga met je ouders mee om te leren stemmen.
  11. Besteed aandacht aan vrijheid op 4 en 5 mei. Realiseer je dat vrijheid niet vanzelfsprekend is.
  12. Denk mee over onderwerpen waar je betrokken bij bent: thuis, op school, in de buurt, in je stad. Deel je ideeën.
  13. Waardeer de ideeën van anderen: met complimenten, voorstellen en inhoudelijke kritiek.
  14. Steun een goed doel. Kies als gezin, klas of school een goed doel om je aan te verbinden.
  15. Sluit je aan. Bij een club, belangenvereniging of politieke partij. Gemeenschapszin is onontbeerlijk voor democratie.

Meer tips, werkvormen en handreikingen voor democratie en burgerschap thuis en op school vindt je op de website van Stichting Wereld-leren.

*Inspiratie nodig voor het stellen van vragen? Die vind je natuurlijk in de database van www.filosoferenopschool.nl.

Democratie leren = denken en doen

We leven toe naar de Tweede Kamerverkiezingen en worden daarnaast dagelijks deelgenoot van de spanningen waar democratische samenlevingen wereldwijd mee kampen. Dat maakt democratisch burgerschap tot een interessant en actueel thema, passend in de wettelijke opdracht tot burgerschapsvorming op scholen. Hoe geef je daar woorden en betekenis aan, thuis en in de klas?

Met Sergio Espigares Tallón (zie onderstaand interview) werkte ik aan het burgerschapsprogramma Meer Democratie. Op de website van Stichting Wereld-leren is dit veelzijdige en toegankelijke project kosteloos beschikbaar. Het programma is bedoeld kinderen vanaf 9 jaar, hun leerkrachten en ouders. Het bevat een toelichting op democratisch burgerschap, een heldere opzet en diverse handleidingen en materialen voor in de klas – zoals filosoferen over democratie, een democratiequiz, een participatieproject in de klas met creatieve werkvormen en een verkiezing, een excursie en een democratiespel. Ook voor ouders en leerkrachten zijn er inspiratie en handleidingen om met elkaar en met kinderen te werken aan meer democratie, thuis en op school.

Interview: Sergio Espigares Tallón

Sergio, ik heb je leren kennen als iemand met een grote betrokkenheid bij het onderwerp democratie. Wat heb jij met het thema, waarom houdt het je bezig?

“Er zit voor mij een persoonlijk verhaal aan vast, dat teruggaat tot in mijn jeugd. Ik heb Spaanse ouders, ben in Nederland opgegroeid, maar heb als kind ook een poos in Spanje gewoond. In de jaren dat ik daar woonde stierf Franco en vond de overgang plaats van een dictatuur naar een democratie. Dat was nogal een heftig gebeuren, met demonstraties op straat en allerlei verhalen die loskwamen. Als kind vond ik dat heel bijzonder, wat dat teweeg bracht bij mensen. Ik besefte me hoe vanzelfsprekend de democratische samenleving in Nederland voor mij was geweest.

Dankzij deze ervaring ben ik van kinds af aan geïnteresseerd geweest in politiek en in democratische verhoudingen. Dus toen ik de kans kreeg om te gaan studeren ben ik politicologie gaan doen, naast filosofie. Ik heb altijd belangstelling gehouden voor inrichting van samenlevingen en hoe je dat op een democratische manier kan doen. Tegenwoordig valt me vaak op hoe beperkt de betrokkenheid van Nederlanders, en dan vooral van Rotterdammers, is bij de politiek. De opkomst bij verkiezingen is in Rotterdam bijzonder laag.”

Heb jij daar een verklaring voor?

“Daarin spelen verschillende factoren een rol, maar blijkbaar is de afstand tot de politiek in Rotterdam groter dan in andere steden en delen van Nederland. Wellicht heeft het te maken met de samenstelling van de bevolking van Rotterdam. Daarin is toch een grotere groep voor wie het moeilijk is om te stemmen, door laaggeletterdheid bijvoorbeeld. Ook zal er bij bepaalde bevolkingsgroepen minder vertrouwdheid zijn met het idee van stemmen.”

Hoe maak je mensen vertrouwd met democratie? Als je je kinderen, leerlingen of nieuwkomers in Nederland wilt uitleggen wat democratie is, hoe kun je dat dan het beste doen?

“Je moet de woorden vinden om uit te leggen waar het over gaat en wat er op het spel staat. In de kern gaat democratie erom dat je samen beslissingen neemt over onderwerpen die jezelf en anderen aangaan en dat je daarbij rekening houdt met bepaalde regels. Zo simpel kun je het uitleggen: samen beslissingen nemen. Vervolgens gaat het erom te ervaren wat dat betekent. Wanneer je democratie in praktijk brengt, praktisch en kleinschalig, kun je voelen wat het is en de consequenties ervan ervaren. Dat kan heel eenvoudig, zowel thuis als in de klas, zoals we voorstellen in het programma Meer Democratie.”

In feite zeg je: je kunt democratie kortweg beschrijven als ‘samen beslissingen nemen binnen vaststaande kaders’, maar je kunt de betekenis daarvan pas begrijpen als je het zelf oefent en ervaart?

“Ja, democratie moet je ervaren. Dat geldt zowel voor het samen beslissingen nemen als rekening houden met de kaders en regels die daarbij horen. Je moet ervaren hoe het is als iedereen daar een rol in speelt, als iedereen dezelfde rechten heeft en zijn zegje moet kunnen doen. Je moet ervaren hoe het is om tegenstellingen op te lossen door middel van gesprek. Je moet ervaren hoe je rekening houdt met minderheidsposities. Want die kaders en regels, die in onze democratie deel uitmaken van de rechtstaat, zijn minsten zo belangrijk als kunnen stemmen.”

Komt zo’n uitleg van democratie overeen met het beeld dat we in de huidige samenleving, in de mondiale politiek en in de media van democratie krijgen?

“Dat beeld is niet zo eenduidig – in de praktijk is het lastig om de verschillende ideeën over democratie helder te krijgen. Democratie wordt vaak uitgelegd als ‘de meerderheid beslist’ – wat de consequenties ook mogen zijn van die beslissing. Dat is een negatieve versmalling van het idee dat je samen beslissingen neemt. Want als je samen beslissingen neemt, ben je ook samen verantwoordelijk voor de onderwerpen die je aangaat. De gemeenschapszin die vooraf gaat aan het samen beslissingen nemen, lijkt momenteel te ontbreken. Of je nu bij de meerderheid hoort of bij de minderheid, in een democratie moet je ook oog hebben voor degenen die bij een beslissing aan het kortste eind trekken. Nu heerst bij een aantal partijen het idee dat je als je de meeste stemmen hebt, de sterkste bent en de koerst bepaalt. Dat is een verschraling van het democratiebegrip, waarbij je op consensus gericht zou moeten zijn en de ander wilt overtuigen van wat het beste is. Democratie begint bij het gevoel dat je het samen moet doen.

Het gebrek aan gemeenschapszin wordt bijvoorbeeld zichtbaar in het grote aantal politieke partijen dat nu meedoet aan de Tweede Kamerverkiezingen. Mensen sluiten zich niet meer aan bij de bestaande partijen om daarbinnen ideeën in te brengen en tot compromissen te komen, maar gaan hun eigen groepjes vormen. Dat lijkt democratisch, al die nieuwe partijen, maar het toont ook gebrek aan communicatief vermogen. In het huidige beeld van democratie is dat wat vooral ontbreekt: gemeenschapszin.”

Wanneer je met anderen, met leerlingen, wilt nadenken over democratie lijkt het me prettig om te vertrekken vanuit zo’n bondig concept: samen beslissingen nemen, terwijl je rekening houdt met de bestaande regels of bepaalde voorwaarden. Op die manier kun je actuele gebeurtenissen vanuit dat concept onder de lopen nemen, met een waardevrije positie.

“Dat kan inderdaad, maar het is zeker voor leerkrachten belangrijk om van te voren zorgvuldig af te wegen welke onderwerpen je erin wilt betrekken als je aan de slag gaat met democratie. Want wanneer het gaat over de landelijke of internationale politiek kan dat, ook in de klas, polariserend werken. Ga je ermee aan de slag met betrekking tot een onderwerp op school, iets wat de kinderen zelf aangaat en voor hen relevant is, dan speelt dat hele polariserende van deze tijd veel minder een rol. Dan richt je je vooral op democratische vaardigheden.”

Denk je dat het onderwijs een rol speelt in de toekomst van de democratie?

“Je moet de rol van het onderwijs daarin niet te groot maken, maar zeker ook niet te klein. Niet te groot omdat het onderwijs slechts één van de domeinen is waarbinnen je aandacht kunt besteden aan democratie. Het onderwijs gaat ook geen dingen oplossen die nu mis zijn rondom democratisch burgerschap, dat is geen reële verwachting. Anderzijds is het onderwijs een belangrijk domein waarin kinderen kennis en vaardigheden aanleren. Het mooiste is als je zo’n thema als democratie kunt verbinden aan het bestaande curriculum. In de eerste plaats denk ik dan aan de algemene pedagogische opdracht van basisscholen: het klimaat in de klas, de basisbehoeften van kinderen aan autonomie, aan sociale relaties, aan competenties. De wettelijke opdracht tot burgerschapsvorming lijkt vaak nog ver bij scholen af te staan. Door de haast vanzelfsprekende verbinding te maken met die pedagogische opdracht haal je het dichterbij. Maar dan kom je uit bij de vraag of leerkrachten ook ervaren dat zij dat zo kunnen doen. In feite doen scholen vaak al meer aan democratie dan ze beseffen, maar ze kunnen dat nog veel explicieter doen.”

Aandacht besteden aan democratie: wat levert dat de leerkracht en de leerling zelf op, in de klas?

“Maak leerlingen medeverantwoordelijk: voor hoe je met elkaar omgaat, voor de invulling van bepaalde lessen, voor regels die je met elkaar afspreekt. Geef daartoe ruimte binnen vastgestelde kaders of onder bepaalde voorwaarden. Op de manier breid je als leerkracht je vaardigheden uit met democratische werkvormen en je krijgt een brede kijk op competenties van leerlingen. Je maakt een verbinding tussen wat er in de klas gebeurt en wat er in de samenleving speelt en nodig is. En dat maakt het werk interessanter!”

Sergio Espigares Tallón (1964) is politiek filosoof. Hij studeerde politieke wetenschappen aan de Rijksuniversiteit Leiden en wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Aan de Universiteit van Tilburg promoveerde hij in 1998 op een politiek-filosofisch proefschrift. Sergio werkte onder meer als beleidsmedewerker in de gemeenten Rotterdam en ’s-Hertogenbosch. Daarnaast was en is hij als adviseur, projectleider en gastdocent verbonden aan DOE-Projecten & Advies, een project- en adviesbureau op het terrein van jeugd, onderwijs en burgerschap. In die hoedanigheid was hij projectontwikkelaar burgerschapsonderwijs voor Stichting Wereld-leren. Momenteel is Sergio docent Sociale Studies bij Avans Hogeschool te ’s-Hertogenbosch.