Netwerk Cultuureducatie Hoeksche Waard

Blogserie: Vakgenoten

Zelfstandig, maar in goed gezelschap. Zo ervaar ik mijn werk als zzp’er in illustratie, cultuur en educatie. Ik werk graag alleen, maar geniet ook van samenwerken, sparren, onderzoeken en uitwisselen met vakgenoten. Voor deze blogserie schreef ik eerder een paar interviews.  Deze keer geen interview maar een verslag van hoe ik met mijn vakgenoten in de Hoeksche Waard op zoek ging naar vrijheid, zelfstandigheid en professionaliteit in samenwerking.

Netwerk Cultuureducatie Hoeksche Waard

Op 1 oktober was de first release van de website CultuureducatieHW.nl – een website die het gezamenlijk aanbod aan cultuureducatie in de Hoeksche Waard in beeld brengt, structureert en verantwoordt aan de hand van culturele competenties.

Een mijlpaal in een proces van onderzoeken en ontwikkelen.
Waarom was dat nodig? Omdat de Hoeksche Waard een rijkdom heeft aan cultuureducatieaanbieders die samen scholen kunnen inspireren tot en faciliteren in cultuuronderwijs vanuit het lokale aanbod. Als netwerk staan de lokale aanbieders sterker ten opzichte van de grotere regionale cultuurinstellingen, kunnen ze elkaar aanvullen en samen het belang van cultuureducatie in beeld brengen. En het begin was er al, dankzij CmK.

Cultuureducatie met Kwaliteit

Sinds 2013 investeert het Fonds voor Cultuurparticipatie samen met lokale en regionale overheden in het cultuuronderwijs op scholen. Dat doen zij via de regeling Cultuureducatie met Kwaliteit. Ook in de Hoeksche Waard is die regeling al een paar jaar van kracht en zet Helma Wagemakers zich vanuit de Bibliotheek in om scholen en aanbieders van cultuureducatie met elkaar te verbinden. De regeling loopt nog tot 2020. In de lopende periode is het doel vooral scholen te ondersteunen bij het maken van cultuurplannen en  leerkrachten bij te scholen op het gebied van kunst en cultuur. Daarnaast is het belangrijk dat de verbindingen die CmK heeft gelegd tussen scholen en cultuuraanbieders na 2020 een zelfstandig vervolg krijgen, zodat er een lokale voorziening van cultuuronderwijs op scholen bestaat.

Maar hoe realiseer je dat? En hoe waarborg je zo’n vervolg? Het professionele veld van cultuureducatieaanbieders bestaat uit kunstenaars, kunstvakdocenten, culturele ondernemers en culturele organisaties zoals het museum, de bibliotheek en muziekverenigingen. Niet alleen in discipline en aanbod divers, maar ook in organisatievorm: eenpitters, zzp’ers, kleine ondernemingen, openbare organisaties, verenigingen, stichtingen. Als snel bleek dat het streven niet moest zijn om één organisatie te vormen, maar dat we op zoek moesten naar een concept dat ruimte biedt voor die diversiteit. Een concept dat bovendien helderheid biedt over het gezamenlijke aanbod en hoe scholen daarmee invulling kunnen geven aan volwaardig cultuuronderwijs.

Een werkgroep bestaande uit Dionne Frijns (Theaterbureau Frijns), Frieda de Rhoter (Rho Toneel), Dennis Happé (beeldend kunstenaar, Denns Werk), Helma Wagemakers (CmK) en ikzelf ging aan de slag met het brainstormen over leerlijnen, promotie, fondswerving en organisatievormen. Er kwam een concept in beeld waarin de lokale aanbieders in alle vrijheid een netwerk vormen. Het aanbod presenteren zij op een gezamenlijke website die een leerlijnenkader biedt voor scholen. Via een aanpalende stichting kunnen nieuwe initiatieven en gezamenlijke projecten gefinancierd worden. Voor de cultuureducatieaanbieders werkt dat op deze manier:

Leerlijnenkader en culturele competenties

De aanbieders wilden meer dan samenwerken in een netwerk of website. Om een professionele impuls te geven aan het cultuuronderwijs op scholen wilden we inzichtelijk maken hoe het gezamenlijk aanbod bijdraagt aan de ontwikkeling van kinderen en hoe scholen vanuit dat aanbod hun cultuuronderwijs kunnen vormgeven. Maar liever niet door het aanbod te forceren in prescriptieve, theoretische leerlijnen. Door een ander perspectief te kiezen ontstond er ruimte om te denken vanuit culturele competenties. Cultuureducatie gaat immers verder dan lekker knutselen, een instrument leren bespelen of een voorstelling bezoeken. Op basis van literatuur- en bronnenonderzoek zijn we tot de beschrijving van negen culturele competenties gekomen: beleven,  creatief denken, kind als kunstenaar, sociale en emotionele vaardigheden, zelfstandig werken, ambacht en instrument, presenteren, reflecteren en context.

Iedere kunstenaar, kunstvakdocent of cultureel ondernemer ontwikkelt zelf activiteiten binnen zijn of haar expertise. Bij elk project, programma, workshop of training geeft hij of zij aan welke culturele competenties van toepassing zijn. De competenties gelden vervolgens als de bouwstenen om leerlijnen te ontwikkelen. Willen scholen met hun cultuuronderwijs kinderen zoveel mogelijk verschillende culturele competenties meegeven? Dan bouwen zij in de breedte. Willen ze verdiepen en specifieke vaardigheden vanuit verschillende activiteiten en disciplines versterken? Dan stapel ze de bouwstenen op elkaar.
De ‘Culturele Kieswijzer’ op de website geeft scholen de mogelijkheid aanbod te zoeken op basis van doelgroep, discipline en competentie. Zo geven school zelf invulling aan hun leerlijnen cultuuronderwijs.
Een handige hand-out voor scholen geeft weer hoe dat werkt:

Meer weten?

Het netwerk- en leerlijnenconcept van de Hoeksche Waard is volgens mij eenvoudig toe te passen in andere (kleine) regio’s. Wil je zelf ook samenwerken met andere cultuuraanbieders om zo tot meer lokaal, professioneel cultuuronderwijs te komen? Laat je vooral inspireren door onze website of neem contact op bij vragen: werkgroep@cultuureducatiehw.nl of judith@ateliervandeverbeelding.nl.

NB. Weet je niet zeker of het iets voor je is? De afwegingen vind je in het onderstaande stroomschema:

 

 

 

 

Cultuureducatie voor leerlingen in het speciaal onderwijs

Vlak voor de zomervakantie vroeg ik een subsidie aan bij het gemeentebestuur van mijn woonplaats Oud-Beijerland, waar momenteel een subsidieregeling loopt met als doel buitenschoolse cultuureducatie beter toegankelijk te maken voor kinderen en jongeren. Door de deelname van kinderen en jongeren aan cultuur te stimuleren, hoopt de gemeente hun weerbaarheid te vergroten. Kinderen die (net als de mijne) door een speciale onderwijsbehoefte, ontwikkelingsproblematiek of beperking minder toegang hebben tot buitenschoolse activiteiten leken me een uitgelezen doelgroep om deze subsidie voor aan te vragen.

Motivatie

Leerlingen in het speciaal (basis)onderwijs vormen een kwetsbare groep in vrijetijdsbesteding, sociale activiteiten en talentontwikkeling. Het zijn leerlingen met leer- en gedragsproblematiek en ontwikkelingsstoornissen, die dagelijks ervaren dat zij extra moeite moeten doen om mee te komen met het ‘gewone leven’. Voordat de leerlingen in het speciaal basisonderwijs terechtkomen, zijn zij er in het regulier onderwijs mee geconfronteerd dat zij niet in de pas lopen met het niveau van de leerstof, de organisatie van het onderwijs, of sociale verwachtingen. Het is eenvoudig je voor te stellen wat dit betekent voor het zelfbeeld en het zelfvertrouwen van deze kinderen. Het versterken van de weerbaarheid van deze kinderen is buitengewoon belangrijk.

Leerlingen in het s(b)o hebben doorgaans sowieso moeite om invulling te geven aan hun buitenschoolse vrije tijd en om passende activiteiten te vinden om hun talenten op het gebied van sport en cultuur te ontplooien. Voor een deel van de ouders geldt bovendien dat het voor henzelf een opgave is hun kinderen daarin te begeleiden. Een aanbod van buitenschoolse cultuureducatie op maat, in het eigen schoolgebouw, zou deze leerlingen een opstapje kunnen bieden om hun interesses en talenten te ontdekken. In een veilige omgeving kan er vertrouwen ontstaan in de eigen vaardigheden en talenten. De lessen kunnen verbindingen leggen tussen leerlingen, aanbieders en ouders, waardoor er wellicht voor deze leerlingen een vervolg mogelijk in het reguliere aanbod cultuureducatie.

In bredere context

De subsidieaanvraag was ingegeven door mijn ervaringen en inzichten als aanbieder in de cultuureducatie, maar vooral ook als ouder. Een persoonlijke initiatief. Maar toen iemand mij onlangs wees op het boek ‘Fluisterzacht en haarzuiver’ van Dirk Monsma werd me duidelijk dat er een bredere context is en dat cultuureducatie voor kinderen met een speciale onderwijsbehoefte een actueel aandachtspunt is.

Voor dit boek bezocht Monsma scholen die een voortrekkersrol vervullen in cultuuronderwijs aan kinderen met een speciale onderwijsbehoefte. Hij laat ouders, leerlingen, leerkrachten en onderzoekers aan het woord over hun positieve visie op cultuuronderwijs en de bijdrage die dat levert aan de (talent)ontwikkeling van kinderen en aan hun leervermogen. Toch is de participatie beperkt- binnen school, maar met name daarbuiten. In een artikel op de website van het Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie Amateurkunst (LKCA) licht Monsma toe waar dat aan ligt. Zo is er bijvoorbeeld vanuit het gezin van het kind een afstand tot kunst en cultuur, zowel financieel en sociaal-cultureel als in praktische zin. De kinderen komen laat thuis, zijn moe en voelen zich te beperkt om deel te nemen aan het reguliere aanbod. Het aanbod laat in die zin te wensen over: er is onvoldoende expertise of er zijn onvoldoende middelen voor aanpassing. In de scholen gaat de aandacht vooral uit naar het leren, naar het wegwerken van achterstanden en het sociaal-emotioneel begeleiden van de leerlingen. Het draagvlak voor cultuuronderwijs is beperkt.

Monsma pleit voor inspanningen van gemeenten, scholen, ZZP-kunstdocenten, cultuur-, zorg- en welzijnsinstellingen om tot een aangepaste culturele infrastructuur te komen: met extra begeleiding, specifieke groepen in een veilige omgeving, huisbezoeken, bijscholing voor vakdocenten en intermediairs. “Wie pakt de handschoen op?”.

Eerste stap

In Oud-Beijerland is de eerste stap gezet. Al snel kreeg ik te horen van de gemeente dat mijn subsidieaanvraag gehonoreerd werd, en ook de plaatselijke s(b)o-scholen waren enthousiast om mee te werken. Inmiddels heb ik vakdocenten met ervaring en affiniteit met de doelgroep benaderd om invulling te geven aan het programma, de ouders op de scholen geïnformeerd en een interview voor de lokale Omroep Hoeksche Waard gegeven.  Het project lijkt in een behoefte te voorzien. Nu natuurlijk nog ervaren of het wordt wat we ervan verwachten. Wordt vervolgd!

 

Kinderboekenweek 2018

Filosoferen tijdens de Kinderboekenweek

Kom erbij! luidt het thema van de Kinderboekenweek 2018. Dat geldt zeker voor de filosofische dialoog. Want filosoferen doe je het beste samen. Vanuit FILOSOFEREN OP SCHOOL geef ik jaarlijks een inspiratieworkshop voor scholen en bibliotheken rondom het thema van de Kinderboekenweek. Dit jaar is dat Vriendschap en daar vallen gelukkig weer heel diverse invalshoeken bij de bedenken, zoals trouw, loyaliteit, ontmoeten, zelfkennis, delen, liefde, ruzie, afscheid, talent en groei.

Ik heb vanmorgen zo’n 30 boeken uitgepakt om te lezen ter voorbereiding op de Kinderboekenweek: kerntitels van CPNB, recente en klassieke aanvullingen daarop, prentenboeken en gedichten. Bij deze boeken maak ik gespreksmateriaal dat beschikbaar zal zijn in de database op de website.

Eerst even tekenen…

Een deel van stapel boeken heb ik eerst gebruikt om na te tekenen. Afgelopen vrijdag volgde ik namelijk de fijne en leerzame illustratieworkshop ‘Show en tell’ van Sabine Wisman. Dan kun je op maandagmorgen wel direct met je neus in de boeken duiken, maar liever eerst even het geleerde in praktijk gebracht.

 

Lesbrief Erasmus Experience

Ik was druk in deze eerste maanden van het nieuwe jaar. Met fijne opdrachten waarvan ik graag de resultaten laat zien. Ten derde: een lesbrief voor de Erasmus Experience.

Voor de Erasmus Experience in de Centrale Bibliotheek Rotterdam maakte ik eerder al het educatieprogramma Filosoferen met Erasmus.
Ook was ik betrokken bij de opening in september 2016 door
Koning Willem-Alexander, in een project met OBS Het Landje.
Hoe dat was lees je in mijn eerste blogs.

De Erasmus Experience nodigt de bezoeker uit om naar de wereld te kijken zoals Erasmus dat deed en (inter)actief kennis te maken met zijn gedachtegoed – door met Erasmus in dialoog te gaan, zelf na te denken en een mening te vormen over de onderwerpen die hem bezig hielden.

Een bezoek aan de Erasmus Experience is meer dan een tentoonstellingsbezoek. Het vraagt van de leerlingen denk- en dialoogvaardigheden. Prettig dus als de bezoekende leerkrachten en leerlingen daarop een goede voorbereiding hebben in de klas. Zodat ze nog beter kunnen ervaren wat de kritische dialoog en meningsvorming inhoudt. Daarom is er nu een lesbrief ontwikkeld die de groepen een korte en krachtige start geeft.

Behalve particuliere bezoekers en gezelschappen hebben inmiddels ruim 100 schoolklassen de experience bezocht. Die mijlpaal werd uiteraard gevierd.

Ook een bezoek brengen aan de Erasmus Experience? Kijk op Erasmushoudtjescherp voor bezoekersinformatie. Scholen vinden hier informatie over het educatieaanbod.

 

 

 

 

 

 

 

Dreamteam Kauffman en Deijmann

Blogserie: Vakgenoten

Zelfstandig, maar in goed gezelschap. Zo ervaar ik mijn werk als zzp’er in illustratie, cultuur en educatie. Ik werk graag alleen, maar geniet ook van samenwerken, sparren, onderzoeken en uitwisselen met vakgenoten. Op mijn blog deel ik mijn ideeën en ervaringen, en graag nodig ik mijn vakgenoten uit om dat eveneens te doen. In een serie interviews vraag ik ze op de mens af wat hen motiveert, hoe ze werken en wat ze ons vanuit hun ervaring in het vak kunnen leren.

Ilse/Michiel

Ilse Kauffman en Michiel Deijmann leerde ik kennen via Stichting Kunst in de Klas (K!K) in Rotterdam. K!K organiseerde en faciliteerde vanaf 2004 tien jaar lang omvangrijke kunstprojecten op scholen, waarbij steeds twee kunstenaars samen een lesplan ontwikkelden en uitvoerden in de klas. Een buitenkans voor scholen en kunstenaars, die zowel binnen kaders als grensoverschrijdend te werk gingen. Ilse en Michiel waren van begin tot eind betrokken bij K!K als rotsvast duo, maar bleven ook daarna samenwerken in de kunsteducatie. En dat is best bijzonder in een tijd waarin scholen moeite hebben om de middelen te vinden om kunst en cultuur te financieren. In dit tweede deel van de blogserie Vakgenoten vertellen ze hoe zij hun aanpak en werkwijze onderbouwen en wat hen drijft en inspireert in hun werk en gezamenlijke projecten.

Ilse en Michiel bij een werk van Krištof Kintera in de Kunsthal (2015).

Kunstenaar/docent

Michiel: Ik ben opgeleid tot kunstenaar en in de praktijk docent geworden. Dat is niet iets wat ik zelf zou hebben gekozen, ik had een rampzalig beeld van onderwijs overgehouden aan de lagere en middelbare school. Maar ooit werd ik gevraagd om popmuziekworkshops te geven op het Johan de Witt-college in Den Haag. Voor iets anders had ik het nooit gedaan, maar voor popmuziek konden ze me vragen. En zo ontdekte ik dat ik het leuk vond om anderen iets te leren – mijn vak en mijn enthousiasme daarvoor over te dragen tenminste. Als ik wiskunde had moeten geven, was het niks geworden.
De ervaring leerde dat ik het ook kon, de interactie met de leerlingen. Dus na de popmuziek volgde workshops in flash-animatie en vervolgens coördineerde ik het workshopaanbod. Ik ging steeds meer nadenken over wat ik de deelnemers wilde leren en hoe ik dat met de andere docenten kon aanpakken. De positieve feedback van opdrachtgevers en leerlingen zorgde ervoor dat ik mezelf langzaam maar zeker ook als docent ging zien. Maar in de kern gaat het mij om de kunsten en de muziek, dat komt op de eerste plaats.

Ilse: Na mijn opleiding aan de kunstacademie kwam ik terecht op het Haags Kinderatelier, aanvankelijk als vrijwilliger. Zo raakte ik vertrouwd met het lesgeven aan kinderen, in kleine groepjes. Dat vond ik heel leuk om te doen. Ik geloof dat je een kind met kunsteducatie echt iets kunt geven. Net zoals je een kind iets kunt afnemen als je zijn creativiteit niet waardeert. Ik herinner me een voorval op de basisschool, waar ik in de handwerkles eigen borduursteken had bedacht. De euforie die ik voelde toen ik zelf iets nieuws maakte en ontdekte, te gek! De juf liet mijn werk voor de klas zien met de woorden: ‘Dit is dus hoe het niet moet’. Als kind accepteer je dat, maar het is me altijd bijgebleven.

Alles wat je met kinderen kunt doen, wat te maken heeft met verzinnen, met ontdekken, met een andere laag aanspreken in het kind – dat drijft me.

Ik heb met autistisch kinderen gewerkt, met allerlei bijzondere kinderen, op Rotterdamse scholen met kinderen ‘van de straat’. Ik ben niet toevallig gaan lesgeven naast het kunstenaarschap, maar intrinsiek gemotiveerd. Ik weet hoe het voor mezelf werkt en dat wil ik graag met anderen, met kinderen, delen. Je creëert je eigen tekeningen, je eigen wereld. Dat levert mij veel op. De kunst is een fijn eiland.

Alleen/samen

Michiel: Ilse en ik kenden elkaar als ateliergenoten, dat zijn we inmiddels 23 jaar. Voor het eerste project van K!K in 2004 zijn we op uitnodiging gaan samenwerken, min of meer bij toeval. Dat beviel eigenlijk meteen goed. Door de ervaring bij K!K gingen we ook voor andere opdrachtgevers samenwerken. In de kunsteducatie kun je gewoon beter met z’n tweeën voor de klas staan – vooral als je beeldend werkt. Daar komen veel vaardigheden, gereedschappen en materialen bij kijken. En kinderen kunnen sterk verschillen in hun vaardigheden of in de begeleiding die ze nodig hebben om op gang te komen in een creatief proces. Er is veel aandacht nodig en met z’n tweeën kun je die aandacht geven.

Ilse: Wij werken doorgaans wel op pittige scholen, met kinderen die nauwelijks met kunst en creativiteit worden opgevoed.

Michiel: Maar eigenlijk geldt het voor alle scholen, ook als we met leerlingen van een gymnasium werken. Die zijn slim en kunnen goed nadenken over elkaar en over de wereld. Maar ze willen in zo’n creatief proces meteen alles goed doen of hebben moeite met samenwerken. Dan ben je blij als je om de beurt een groepje kunt aansporen en dat ook allebei op je eigen manier doet.

Ilse: Als je alleen werkt, ga je lessen verzinnen waarmee je het praktisch in de hand kunt houden. Dan haal je niet zo snel een boormachine of decoupeerzaag tevoorschijn. Dan geef je jonge kinderen geen stanleymes. Dat gaat ten koste van het experiment, van de individuele aandacht die nodig is om een kind te helpen dat vastloopt. Het is geen luxe om echt contact te kunnen maken met een kind. Als je organisatorisch èn inhoudelijk kwaliteit wilt, is samenwerken als duo een enorm voordeel. Wij zijn daar zo van overtuigd dat het vanzelfsprekend is geworden dat je ons samen inhuurt. En dat is ook wel weer uniek.

Cognitie/creativiteit

Michiel: Er is iets fundamenteel geks aan het onderwijs, iets wat niet klopt met hoe wij als mensen in elkaar zitten. Er is teveel van het één en te weinig van het ander. Teveel van het cognitieve, resultaatgerichte, en te weinig van het creatieve. Bovendien ligt de nadruk op de verschillen tussen deze twee, er wordt niet gezocht naar een symbiose. Kunst en muziek zijn niet zaligmakend, wel bieden ze andere manieren van denken en met de wereld omgaan. Een manier die te waardevol is om te laten liggen. Maar dat doen we structureel wel door hoe het onderwijs is ingericht. Kinderen krijgen daardoor weinig ruimte voor hun eigen manier van denken en doen. Dat gaat ten koste van hun motivatie tot ontwikkeling. Ik heb me vaak afgevraagd waarom ik zo’n hekel had aan school. Het enige dat ik fijn vond was tekenen en verder met rust gelaten te worden tot ik weer naar buiten kon. Er werd gezegd dat ik niet kon knutselen, ik hield me niet aan de voorgeschreven opdracht. Net als Ilse bij het borduren.

Ilse: Ik kan me ineens voorstellen dat je een kunstenaar met atelierfunctie in de school hebt, net als een conciërge of een logopedist. Waar leerlingen terecht kunnen met hun creativiteit, voor respons op hun ideeën en kunstzinnige werk. Iemand die er voor dit soort kinderen is, om ze verder te helpen in hun talenten en interesses. Continuïteit. Dat zou wèl luxe zijn.

Ilse tijdens een les in de Kunsthal bij een expositie van Keith Haring (2015/2016).

Kunstproject/cultuuronderwijs

Ilse: Intensief werken met de kinderen geeft je de kans een band met ze op te bouwen. Dat is het voordeel van een aaneengesloten kunstproject met lessen van bijvoorbeeld 1,5 uur. Dan kun je op de pittige scholen ook meer doen. De kinderen moeten vertrouwen in je hebben, vertrouwen dat het samen lukt. Cultuuronderwijs zou in het reguliere curriculum opgenomen moeten zijn, maar ook in periodes van intensieve projecten. Elke week een uurtje tekenen is heel goed en moet zeker ook gebeuren. Maar alle vluchtige uurtjes handvaardigheid kun je soms beter opsparen tot een module met langere lessen. Dan is het de moeite waard om al dat gereedschap uit de kast te pakken en er een troep van te maken. Het kost niks extra, maar je verdeelt je tijd anders. Scholen vinden dat vaak een goed idee, maar hebben geen idee hoe ze het moeten organiseren in het jaarplan.

Michiel: Het gaat er mij niet om als kunstenaar in de klas te zijn, meer om creativiteit in het onderwijs. Ik noem steeds kunsteducatie, maar bedoel vooral creativiteit. We komen niet in de klas om ons vak of talent als kunstenaar te laten zien. Sommige kunsteducatiedocenten doen dat misschien teveel: de kinderen laten meeliften op hun talent. In onze eerste projecten bij K!K ging het daar ook wel om. Maar inmiddels denk ik er anders over. Je bent beeldend kunstenaar, maar als je voor de klas staat ben je vooral docent. Dat kan heel goed samenvallen. Ik vind het een creatieve uitdaging om iets te bedenken, een project of een lesprogramma waarmee je iets wilt bereiken binnen die educatie. Maar dan wil ik vervolgens wel met eigen ogen zien of het werkt in de praktijk. Hoe het beter kan. Ik geloof in het zelf ervaren, in relatie tot de kinderen. Maar ook in het stellen van doelen, het van tevoren maken van een lesplan en brainstormen, liefst direct met de opdrachtgever.

Michiel tijdens een les over Keith Haring in de Kunsthal (2015/2016).

 Talent/vaardigheid

Michiel: Te vaak wordt gedacht: taal en rekenen dat kun je leren, creatief dat ben je. Dat is natuurlijk helemaal niet waar. Bovendien kun je op een creatieve manier met rekenen en taal omgaan. Kunst en creativiteit worden als talent weggezet, daardoor krijgen die domeinen de kans niet om deel te worden van het lesprogramma. Terwijl ze de mogelijkheid bieden om op een andere manier informatie te verwerken dan alleen met je hoofd.

Het gaat om de verbinding tussen verbeelding en feiten, tussen kennis en creativiteit.

Ik had als kind niet af hoeven haken in het onderwijs als die verbinding was gemaakt. Dat is wat wij als kunstdocenten moeten laten zien. Daarom moeten we ook nadenken over de theoretische, onderwijskundige kant van onze lessen en projecten. We moeten een duizendpoot willen zijn en op een positieve manier een wig drijven in wat het onderwijs nu is. Om te laten zien dat dit niet de enige manier is. Er wordt beweerd dat kinderen zich niet meer kunnen focussen, dat ze niet langer dan 10 minuten aandacht voor je hebben. Dat is niet wat wij ervaren. In meer intensieve projecten, met een goed doordachte lesopbouw, is het heel goed mogelijk om met de kinderen een bepaalde flow of focus te bereiken. En zo laten we zien dan het anders kan, dat de kinderen anders kunnen.

Ilse: Goed gezegd Michiel!

Waar blijft de tijd?

Voorbije tijd verdwijnt in zwarte gaten.
Zo gaat het en zo zal het altijd gaan.
Vandaag verdwijnt. Je doet er weinig aan.
Die gaten zijn oneindig hol
en nog bij lange na niet vol.
Je moet voorbije tijd toch ergens laten?

Bette Westera

Februari is verdwenen in een van de zwarte gaten en zo is het ineens maart. Wat is dat met de winter? Korte dagen, lange uren, veel te doen. Gelukkig was er in alle drukte wel tijd om het grappige, filosofische boek ‘Was de aarde vroeger plat?’ van Bette Westera te lezen en te genieten van de illustraties van Sylvia Weve.

Het boek stelt 36 onderzoekende vragen, weergegeven in een inhoudsopgave. Opvallend is dat veel van de vragen over tijd en ruimte gaan, over het mysterie daarvan: ‘Hoe weet je dat de tijd bestaat?’, ‘Houdt de ruimte ergens op?’, ‘Hoe lang duurt de toekomst?’ en ‘Kan de tijd verdwijnen?’
In andere filosofische vragenbundels voor kinderen, zoals die van Oscar Brenifier, is de leefwereld van het kind meer het vertrekpunt. In dit boek is er slechts één vraag waar ‘ik’ in voorkomt: ‘Waarom ben ik mijn broertje niet?’. De overige vragen zijn opvallend abstract: ‘Wanneer begint iets?’of ‘Waar blijft de tijd’?

Westera geeft antwoord op de vragen in gedichten, en Weve verrijkt die antwoorden met haar beelden. Want volgens de makers is dat de soms beste manier:

Er zijn vragen
die om een antwoord vragen
Er zijn ook vragen
die vragen
om een versje
een gedicht
een schilderij
Vragen die vragen
om iets
wat dartel om ze heen kan draaien
zoals de aarde
eeuwig om zijn as

Daarmee is dit boek een mooi voorbeeld van de verschillende manieren waarop je filosofische vragen kunt beantwoorden. In gesproken taal, in dialoog, maar zeker ook in literatuur, poëzie, theater en beeld.
Toevallig las ik gisteren in dagblad Trouw een recensie van het boek ‘Er zit iets achter. Over filosofie en kunst’ door Arthur d’Ansembourg.  D’Ansembourg gaat ervan uit dat beeldende kunst een ‘impliciete filosofie’ bevat en op intuïtieve wijze en met visuele middelen antwoord geeft op dezelfde soort vragen als filosofen stellen. Hetzelfde uitgangspunt gaat schuil achter mijn werkwijze van het Atelier van de Verbeelding, waar kinderen vanuit het filosofisch gesprek hun ideeën in taal en beeld vormgeven. Niet letterlijk, maar in hun expressie gevoed door de filosofisch vragen die we onderzoeken.

Het mooie boek van Westera en Weve is inspirerend materiaal om alsnog zèlf op zoek te gaan naar antwoorden op de gestelde vragen, bijvoorbeeld in een filosofische dialoog in de klas. Maar ook om kinderen die geoefend zijn in het filosoferen in dialoog juist uit te dagen om hun antwoorden vorm te geven in creatieve taal en beeld. Niet slechts als verwerking van het gesprek, maar als kunstopdracht.
Kortom, voor leerkrachten, kunsteducatiedocenten en ouders van onderzoekende kinderen een echte aanrader!

 

 

DIY: gedichten schrijven in de klas

Zoals beloofd in de vorige post geeft Annelies Goedhart een handige hand-out om zelf gedichten te schrijven in de klas. Dat past mooi bij de Poëzieweek die start op 25 januari, maar kan natuurlijk ook op elk ander moment. Het stappenplan van Annelies geeft bovendien inzicht in hoe je zelf een les poëzieschrijven zou kunnen voorbereiden.
Dichten maar!

Een gedicht over deel en geheel

Het onderstaande gedicht ‘Genoeg’ van Hans en Monique Hagen is een beeldende tekst over deel en geheel, over jezelf en de wereld om je heen. De vorm en inhoud geven inspiratie voor het schrijven van een zogenoemd imitatio-gedicht, aan de hand van de 3 stappen die hieronder zijn beschreven. Tot slot is een korte suggestie gegeven voor een groepsgedicht.

Genoeg

duizend bomen is een bos
duizend druppels is de regen
duizend sprietjes is het gras
maar

hoeveel woorden heb ik
hoeveel belletjes van spuug
hoeveel tranen, hoeveel lach
hoeveel poep en hoeveel plas
hoeveel kusjes voor de nacht
zal ik nog krijgen en nog geven

genoeg
voor heel mijn leven

Hans en Monique Hagen (uit: Jij bent de liefste, Querido, 2000)

Stap 1: Het gedicht lezen en bespreken

Lees het gedicht in de groep een paar keer door en voor –
eerst de leerkracht, daarna enkele kinderen. Vraag je samen af:

  • Waar gaat de eerste helft van het gedicht over?
  • Waar gaat de tweede helft van het gedicht over?
  • Wat valt je op aan hoe het gedicht is geschreven, aan de vorm en aan de woorden?
Stap 2: creatief denken

Voor je een gedicht gaat schrijven helpt het om eerst creatief te denken over wat je wilt vertellen, over woorden en over zinnen. Dat kun je doen aan de hand van de volgende vragen.

Vragen bij de eerste helft van het gedicht:

  • één boom is een boom en ‘duizend bomen is een bos’
    Wat kunnen duizend bomen nog meer zijn? Waar zie je duizend bomen bij elkaar?
    Duizend bomen is . . . . . . . . .
  • één druppel is een druppel en ‘duizend druppels is de regen’
    Wat kunnen duizend druppels nog meer zijn?
    Duizend druppels is . . . . . . . . .
  • Kun je zelf een zin bedenken over de natuur? Denk aan stenen, blaadjes, sterren, vissen, vogels, koeien, wolven, mensen.
    Duizend . . . . . . . . . . . . is . . . . . . . . . . . . .

Vragen bij de tweede helft van het gedicht:

  • Kijk naar je lichaam. Uit welke delen bestaat je lichaam? Wat zit er allemaal in je lichaam?
  • Kun je zelf een nieuwe zin bedenken zoals in de tweede helft van het gedicht?
    Hoeveel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . heb ik?

Vragen voor de afronding van het gedicht:

  • Wat kan je krijgen van iemand en geven aan iemand?
  • Wat vind je zelf leuk om te krijgen?
    Bedenk een pakkende laatste zin voor je gedicht.
Stap 3: schrijven en voordragen

Schrijf nu, met behulp van alles wat je bij stap 2 hebt bedacht, je gedicht.
Gebruik eventueel dit werkblad.
Draag tenslotte de gedichten aan elkaar voor. Maak daarbij gebruik van de volgende drie tips:

  1. Sta stevig met je voeten op de vloer en haal rustig adem;
  2. Houd je tekst met twee handen vast voor je buik. Zo kun je contact houden met het publiek en kan iedereen je goed horen;
  3. Speel bij het voordragen met je stemgeluid en gezichtsuitdrukking.
Suggestie: een groepsgedicht

Bespreek het inspiratiegedicht (zie stap 1) en bedenk, individueel en samen, eigen zinnen aan de hand van de vragen in stap 2. Schrijf de zinnen op strookjes papier.
Lees de zinnen aan elkaar voor. Kies een aantal zinnen uit en maak daaruit, door de strookjes onder elkaar te leggen, een groepsgedicht. Speel en puzzel met de zinnen tot je de meest krachtige volgorde hebt gevonden.

 

Meer poëzie in de klas?

Wil je een workshop van Annelies in de klas? Kijk dan op www.drukjeuit.nl.

Meer mooie gedichten van Hans en Monique Hagen:

 

 

Poëzie in de klas: Annelies Goedhart

Blogserie: Vakgenoten

Zelfstandig maar in goed gezelschap. Zo ervaar ik mijn werk als zzp’er in illustratie, cultuur en educatie. Ik werk graag alleen en geniet ook van samenwerken, sparren, onderzoeken en uitwisselen met vakgenoten. Op mijn blog deel ik mijn ideeën en ervaringen. In een serie interviews nodig ik mijn vakgenoten uit om dat eveneens te doen en vraag ik ze op de mens af wat hen motiveert, hoe ze werken en wat ze ons vanuit hun ervaring in het vak kunnen leren.

Deel 1: Annelies Goedhart

Op 25 januari start de Landelijke Poëzieweek. Annelies Goedhart kent de ins-and-outs van het schrijven van poëzie met basisschoolleerlingen als geen ander. Ze geeft sinds 2006 les op het gebied van creatief schrijven (waaronder poëzie), taalvorming en taaldrukken. Haar aanbod en werkwijze vind je op Drukjeuit.nl.
In dit eerste deel van de blogserie Vakgenoten vertelt Annelies over de betekenis van poëzie en creatief schrijven voor leerlingen in het basisonderwijs. In de hiernavolgende blogpost geeft Annelies inspiratie om zelf aan de slag te gaan met het lezen en schrijven van gedichten tijdens de Poëzieweek.

 

“Al mijn werkzaamheden via ‘Druk je uit’ dienen een duidelijk doel. Ik wil dat mijn deelnemers hun stem vinden, hun woorden vinden en vertrouwen krijgen in het verhaal dat ze vertellen. Ik wil kinderen creatief laten spelen met taal en ze duidelijk maken dat er niet één manier is om dat te doen. Samen gaan we op zoek naar een vorm en stijl die bij hen past.”

Ik maak gebruik van verschillende werkwijzen en werkvormen, maar de basis ligt in taalvorming en taaldrukken. Een bestaand concept waarmee ik leerde werken bij de Taaldrukwerkplaats in Rotterdam. Taalvorming werkt vanuit een taalronde, waarin alle taalvaardigheden geïntegreerd aan bod komen: spreektaal, schrijftaal, beeldtaal, lichaamstaal. We starten met een gesprek over een onderwerp waar iedereen ervaring mee heeft. Alle kinderen kunnen meedoen. Ze voelen zich door het onderwerp aangesproken om iets met elkaar te delen, zijn enthousiast om te vertellen wat hun ervaring is. Doordat we er samen over praten is het schrijven vervolgens makkelijker.
Taalvorming heeft een duidelijk stappenplan. Je begint met spreektaal, vervolgens ga je naar de schrijftaal. Kinderen die denken dat ze niets kunnen bedenken om te schrijven hebben een opstapje: ze schrijven gewoon op wat ze net in de kring hebben verteld. Vervolgens ga je met die geschreven tekst aan de gang. Eerst herschrijven, om de tekst begrijpelijker en sterker te maken. Daarna maken we de tekst nog krachtiger met een illustratie. De beeldtaal versterkt de schrijftaal.
Dan is het proces van Taalvorming afgerond en start het Taaldrukken. We verwerken de teksten en beelden tot een boek of tot een poster. Verschillende druktechnieken maken het mogelijk om in oplage te werken. In een klas van 30 kinderen heeft dan uiteindelijk iedereen zijn tekst geschreven en geïllustreerd, bijvoorbeeld in sjabloontechniek, die we vervolgens in een oplage van 30 in de klas afdrukken. We vermenigvuldigen en verspreiden het werk van de kinderen en zo ervaren zij dat hun tekst van waarde is. De posters hangen in de school, de boekjes gaan mee naar huis. Er is een publiek voor hun werk. (Groot)ouders, docenten en andere kinderen lezen het. Dat is magisch! En dat geldt ook als ze hun werk voordragen. Dat is spannend, of zelfs eng voor velen. Maar het geeft voldoening. En zelfvertrouwen, wanneer ze het gedaan hebben. De complimenten die ze krijgen en elkaar geven doet ze goed.”

“Gebaseerd op de taallessen op school hebben kinderen een idee en verwachting van werken met taal. Als ik in de klas kom, neem ik een andere ingang: creatieve taal en presentatie. Daardoor kunnen de kinderen naast de noodzakelijke reguliere taallessen op een andere, creatieve wijze met taal bezig zijn en taalplezier beleven. Want als je poëzie schrijft, hoeft je tekst niet te voldoen aan strikte regels. Je kunt je meer vrijheden veroorloven. Je mag er in een gedicht voor kiezen om geen hoofdletters of punten te gebruiken. Je mag in gedichten woorden combineren die je normaal niet samen gebruikt. Je mag zeggen dat ‘zonnestralen dansen’. Je kunt je eigen woorden bedenken, je kan spelen met woorden.
Toch benoem ik meestal niet letterlijk dat we poëzie gaan schrijven, tenzij we werken met een vast dichtvorm zoals een rondeel of haiku. Want wat is de definitie van een gedicht? Er is veel meer vrijheid als ik kinderen vraag om ‘3 tot 5 korte regels te schrijven’. Zo zijn ze niet belemmerd door hun idee van wat een gedicht moet zijn. Op het juiste moment bespreken we samen wat een gedicht allemaal kàn zijn.

Leerkrachten zijn vaak verrast over wat er in de lessen gebeurt. Zowel over de werkwijze als over het resultaat. Omdat ik het schrijven stap-voor-stap begeleid, doen ook de kinderen mee van wie zij het niet verwachten, de kinderen die moeite hebben om zich te uiten of moeite hebben met taal. Om ook de ‘pluskinderen’ voldoende uit te dagen benoem ik wel bepaalde aspecten van poëzie, zoals alliteratie en assonantie. Je ziet dan dat zij dat direct toepassen in hun gedichten. Maar aan het einde van de les hebben alle kinderen een tekst, een gedicht geschreven. Dat vind ik belangrijk: schrijven en taal zijn voor iedereen.”

“Niet slechts enkele mensen zijn schrijvers. Iedereen heeft zijn eigen woorden, zijn eigen verhaal. Dat wil ik kinderen meegeven. Iedereen kan schrijven.”

“Bestaande poëzie van Nederlandse dichters vormt meestal het startpunt van mijn lessen, de inspiratiebron. Aanvankelijk werkte ik veel met korte verhalen, bijvoorbeeld van Toon Tellegen. Dan ging het vervolgens om het duiden van het verhaal, voordat we over de eigen ervaringen spraken. Tegenwoordig werk ik vooral met gedichten. Dat is ten eerste omdat ik ervan geniet en het mij inspireert. Ik kan het vol passie doorgeven aan de kinderen. Ten tweede is een gedicht kort en krachtig. Heel functioneel, want veel kinderen hebben nu eenmaal een korte spanningsboog. Ook laat het ze zien dat een tekst die ze zelf schrijven kort en bondig mag zijn, het hoeft niet zo uitgebreid.
Een gedicht heeft bovendien meerdere lagen en betekenissen. Kinderen kunnen hun eigen betekenis eraan geven en daar met elkaar over in gesprek gaan. Ze leren dat iedereen anders kijkt en luistert.

Ik merk vaak dat kinderen niet erg bekend zijn met poëzie. Er zijn weinig gelegenheden waarbij ze in aanraking komen met poëzie. Toch houden ze er wel van. Als ik aan het einde van een workshop of gastles vraag wat ze hebben geleerd, zeggen ze dat ‘gedichten schrijven eigenlijk heel leuk is’ en dat ze ‘nu begrijpen wat een gedicht is’. Op een school waar ik al een aantal jaren werk, de Oscar Romeroschool in Rotterdam, is inmiddels een vaste groep kinderen die er na schooltijd voor kiest om bij mij te komen schrijven. Dat zijn kinderen die echt houden van het schrijven van poëzie. Eén van hen, een jongen uit groep 8, is dol op het schrijven van haiku’s. Vaak schrijft hij behalve de gegeven opdracht ook een paar haiku’s over het onderwerp. Dat is geweldig om te zien. De haiku is zijn vorm. Daar geniet hij van. Hij schrijft krachtige teksten.

Ik heb in mijn werk op Rotterdamse scholen regelmatig te maken met kinderen die thuis een andere taal spreken dan op school, die tweetalig zijn of het Nederlands als tweede taal hebben. Kinderen die moeite hebben met taal, met grammatica en spelling, met spreek- of schrijfvaardigheid. Ze beginnen vaak al met een achterstand, moeten een inhaalslag maken op school. Ik kan me in hen verplaatsen omdat ik zelf tweetalig ben opgegroeid. Aanvankelijk spraken we vooral Engels thuis, eenmaal op school struikelde ik over het Nederlands. Hierin ligt een deel van mijn motivatie: ik wil voor deze kinderen de drempel verlagen om zich in taal uit te drukken, ze succeservaringen laten beleven zodat ze er meer vertrouwen in krijgen. Dat doe ik door lessen in creatief schrijven, maar bijvoorbeeld ook met lessen Schrijfdans die tot doel hebben fysiek ontspannen te leren schrijven.
De opbouw van mijn lessen dienen hetzelfde doel. Drukke kinderen, kinderen die moeite hebben zich te concentreren of te organiseren, zijn vaak opvallend creatieve kinderen. Maar je moet ze wel begeleiden in het zetten van de juiste stappen om tot schrijven te komen. Dan blijkt pas dat ze het kunnen. Ik heb gezien dat structuur en veiligheid belangrijke voorwaarden voor kinderen zijn om te kunnen schrijven. En het stellen van de juiste vragen. Als je specifieke vragen stelt, krijg je ook specifieke antwoorden. Als een schrijfopdracht luidt: ‘Schrijf maar iets leuks over jezelf’ kan niemand daar iets mee. Kinderen al helemaal niet. Ik vraag door, vraag kinderen om zo precies mogelijk te vertellen. Wat hoor je, wat zie je? Hoe klinkt dat precies, hoe ziet er eruit? Geef aandacht aan details. En ik heb leren luisteren. Wat wordt er nou echt gezegd? Wat bedoelen ze daarmee? Ik vraag door totdat ik de kinderen begrijp en zijzelf begrijpen dat details ertoe doen. Dan pas worden teksten boeiend om te lezen.

Natuurlijk zijn er kinderen die talent hebben voor taal en voor schrijven. Maar in mijn werk valt me op dat als het taal betreft, kinderen heel uiteenlopende talenten kunnen hebben. Sommigen zijn vlotte sprekers, anderen gemakkelijke schrijvers, weer anderen kunnen zich bijzonder krachtig uitdrukken in beeldtaal of lichaamstaal. Als je kinderen diverse mogelijkheden biedt om zich uit te drukken, zal ieder kind een vorm ontdekken waarin hij of zij talent heeft. De andere werkvormen zijn dan vaardigheden die je kunt oefenen. Maar je uitdrukken in taal is zo essentieel menselijk – ik geloof dat iedereen dat kan, op zijn manier.”

“De mens heeft een basale behoefte tot communiceren, tot zich verbinden met anderen. Iedereen wil met anderen zijn verhaal delen en zich uitdrukken. Taal, gesproken of geschreven, beeldtaal of lichaamstaal, is de manier waarop we dat doen.”

 

Annelies Goedhart is vakdocent Taalvorming en Taaldrukken, Tamalpa Practitioner en grafisch vormgever.  Ze woont en werkt in Rotterdam.

 

Tekenen in het Rijksmuseum van Oudheden

Ingegeven door de spreekbeurt van mijn oudste zoon gingen we in de kerstvakantie naar het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Een prachtig museum met een geweldige collectie. De spreekbeurt gaat over Egypte en daarvan is een vaste expositie te bekijken van ruim 1400 voorwerpen. In de centrale hal van het museum staat een Egyptische tempel en vanwege het 200-jarig jubileum van het museum wordt daarop een indrukwekkende lichtshow geprojecteerd.

Natuurlijk waren ook de andere exposities, over Nineveh, de Nederlandse Romeinse tijd, de Klassieke wereld en de Archeologie van Nederland, zonder meer boeiend. Maar de kers op de taart was wat mij betreft Studio RMO, een tentoonstelling èn tekenatelier. Daar troffen we gipsen replica’s van de beroemde beelden uit de Griekse oudheid, zoals Kouros van Tenea, Laocoön en zijn zoons, de Discuswerper, Venus van Arles, Apollo Belvédère, de Wagenmenner van Delphi en Venus van Milo. Tekenmateriaal lag klaar, dus gingen we direct aan de slag.

Ik deed een gooi naar de Venus van Milo.

Mijn jongste zoon tekende de Wagenmenner van Delphi, met al zijn plooien en zonder arm. En mijn oudste zette zomaar de discuswerper op papier. Je ziet ‘m haast wegvliegen, met discus en al.

Studio RMO is nog te bezoeken tot 2 september 2018. Er zijn lesprogramma’s, kinderactiviteiten en de mogelijkheid tot het zelf organiseren van tekencursussen. Zie voor meer informatie Studio RMO.

 

 

De Uitvindersclub (2): 6 lesideeën

Deze week 6 ideeën voor de Uitvindersclub: activiteiten om creatief te denken, oplossingen te zoeken, robots te ontwerpen, anders te kijken, een beeld te vormen van de toekomst.

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

1. Toekomstbouwers

De uitvinders denken na over het leven in de toekomst, aan de hand van één van de volgende invalshoeken.

Spelen
De Uitvindersclub ontwerpt samen een superspeeltuin en vraagt zich af:  Welke speeltoestellen bestaan nog niet, maar zou je wel graag willen zien? Hoe kun je speelplaatsproblemen oplossen, zoals op elkaar moeten wachten, je bezeren, dingen die kapot gaan? Hoe zien de speeltoestellen van de toekomst eruit? Hoe kan het nog leuker, gekker, gevaarlijker, spannender?

Wonen
De Uitvindersclub denkt na over wonen van de toekomst: Hoe zien de huizen
eruit (van binnen en van buiten), wat is er te doen in de buurt, welke oplossingen zijn er voor bijvoorbeeld vuil op straat of burenruzie? Welke plekken zijn er voor kinderen, maar ook voor jongeren, oude mensen en huisdieren?

Vervoer
De Uitvindersclub bedenkt nieuwe voertuigen en denkt na over de volgende vragen. Wat weet je van vervoer, van uitvindingen die met vervoer te maken hebben? Welke vervoersmiddelen van vroeger gebruiken we niet meer? Waarom niet? Hoe zouden de voertuigen van de toekomst eruit zien? Waar denk je aan bij het ontwerpen: hoe ver je wilt reizen, hoe snel, samen of alleen reizen, files en wachttijden, aandacht voor het milieu?

De uitvinders maken een mindmap of woordweb rondom het gekozen onderwerp en maken schetsen van hun ideeën. Het beste idee werken ze uit in een 3d-model. Gebruik doeken, gekleurd papier of een speelkleed met plattegrond om een maquette in te richten. Vraag de uitvinders om hun uitvinding een passende naam te geven. Bekijk samen de uitvindingen en licht ze toe. Laat ieder een foto maken van zijn of haar model in de maquette.

2. Robot collage

Het prentenboek ‘Dag supergrote robot’ van Marlies Visser kan een goede introductie of inspiratiebron zijn voor het bedenken en maken van robotcollages.

Vervolgens denkt de Uitvindersclub samen na over vragen als:
Wat is een robot? Welke robotten bestaan er? Lijken robotten op mensen? Wat kunnen robotten wel en niet? Kunnen robotten slimmer worden dan mensen? Kan een robot goed of slecht zijn? Kan een robot je vriend zijn? Kan een robot de baas zijn?

(Tekst loopt door onder afbeelding.)

Vervolgens maken de uitvinders een robot in collagevorm. Ze gebruiken daarvoor papier, karton en scrap-materiaal. Belangrijk is dat ze eerst bedenken wat hun robot kan en doet: waar is hij voor gemaakt, waar is hij goed in? Ook helpt het om eerst een schets te maken.

3. Een vriendendienst

Een introductie en inspiratiebron voor deze activiteit kan het prentenboek ‘Ik ben Kaat! Uitvinder’ van Tim Gladdines zijn (via de bibliotheek verkrijgbaar). Kaat is een meisje dat uitvinder is. Ze bedenkt en maakt van alles. Dan besluit ze voor haar moeder als verrassing een volautomatische rommelopruimer uit te vinden. Het wordt een prachtige machine, maar als ze hem aan haar moeder geeft, ontploft hij en is de troep niet te overzien.

De Uitvindersclub denkt na over vragen als: Wat zou jij uitvinden voor je vader of moeder? Waar kun je jouw vader of moeder een plezier mee doen? Of
wat vind je vader of moeder moeilijk of lastig en kan jij met jouw uitvinding oplossen? Zijn er andere mensen, vrienden of familie, waarvoor je een goede uitvinding kunt bedenken?

De uitvinders maken een ontwerp en gebruiken het scrap- en constructiemateriaal om er een model van te maken. Ze schrijven een handleiding bij de uitvinding zodat de ontvanger goed weet waar hij voor bestemd is.

4. De waanzinnige machine

De waanzinnige machine is een tekenopdracht waarbij je nou eens niet zoveel hoeft na te denken, maar vooral je fantasie en verbeeldingskracht gebruikt. Het is een tekenoefening gebaseerd op de werkwijze Zinvol Tekenen van Marijke Sluijter.

De uitvinders starten met een leeg A3-papier en gaan daarop willekeurig hoekige lijnen maken. De hoekige lijnen blijven ca. 2 cm binnen de rand van het papier. Dat ziet er ongeveer zo uit:

Vervolgens tekenen de uitvinders een goed stel wielen of rupsbanden onderaan de tekening. Dat is handig om de machine te verplaatsen. Daarna komt het erop aan om in de machine zoveel mogelijk mogelijkheden te zien, gadgets te plaatsen, knoppen, tandwielen, kettingen, knoppen en meters te tekenen. Zodat het een ongelooflijk waanzinnige machine wordt:

5. Het uitvindingenmuseum

In het uitvindingenmuseum laten de uitvinders oude uitvindingen
zien, maar ook welke oplossing we tegenwoordig gebruiken en wat we ervan verwachten in de toekomst. Om te starten bekijkt de Uitvindersclub een aantal (foto’s van) voorwerpen waarvoor in de loop der tijd heel andere oplossingen zijn gevonden: bijvoorbeeld een lp, een koets met paarden, een portemonnee met geld, een telefooncel etc.

Vervolgens kan de Uitvindersclub nadenken over de volgende vragen:
Is een uitvinding altijd iets nieuws? Of bestaan er ook ‘oude’ uitvindingen?Waarom worden er telkens nieuwe uitvindingen bedacht en gemaakt? Zal elke uitvinding verouderen en uit de tijd raken, of bestaan er ook uitvindingen die bruikbaar en waardevol blijven?
Ken je zelf nog meer voorbeelden van oude en nieuwe uitvindingen? Kun je ook bedenken wat er (in de toekomst) aan deze uitvindingen 
verbeterd zou kunnen worden?

In de uitwerking kiest iedere uitvinder één voorwerp of onderwerp en vraagt zich af: Wat mist er nog aan dit voorwerp? Wat kan er beter, sneller of mooier? De uitvinders maken drie illustraties voor het uitvindingenmuseum van het voorwerp zoals het vroeger was, zoals het nu is en van de toekomstversie. Na afloop bekijken ze elkaars werk en lichten ze hun eigen werk toe.

 6. Een sportieve uitvinding

Uitvinders zijn geen nerds, welnee! Er zitten hele sportieve types tussen. Want sporten is leuk. Maar soms best moeilijk. Zelfs als je er goed in bent, moet je veel oefenen en je conditie trainen. Uitvindingen zouden ervoor kunnen zorgen dat het sporten gemakkelijker gaat. Zodat
je sneller kun winnen. Of is dat juist niet de bedoeling?

De Uitvindersclub denkt samen na:  over de sporten waar zij van houden, en welke ze niet leuk vinden. Ze vragen zich af of het goed en eerlijk is om uitvindingen te bedenken die het sporten leuker of gemakkelijker maken. Wanneer mag dat wel? En wanneer liever niet?

De uitvinders maken een mindmap met ideeën die het sporten leuker maken, of die sommige niet-leuke onderdelen van het sporten kunnen verbeteren (zoals omkleden, honger en dorst tijdens
het sporten, spierpijn, blessures). Sommige mensen willen graag een sport doen, maar kunnen niet meedoen omdat ze een handicap hebben.
Welke uitvindingen kunnen de uitvinders bedenken om hier iets aan te veranderen?

De uitvinders werken hun beste idee uit in een getekend ontwerp en maken een stripverhaaltje waarin je kunt zien hoe sporters de uitvinding gebruiken en wat daarvan de consequenties zijn.

NB. De illustraties bij deze post maakte ik naar aanleiding van de grappige robotcollages van kinderen van één van de Uitvindersclubs in Rotterdam.